| |
Voorbodes (deel1)
De voorbodes zijn er de hele week al geweest. Had Elliot er maar naar
eentje geluisterd. Vermoeidheid kan een voorbode voor alles zijn. De
afstand is een duidelijkere. Het gordijn dat tussen hem en de rest van
de wereld hangt en niet opgetrokken kan worden. Daar heeft hij een paar
keer over geklaagd tegen zijn kersverse echtgenote.
‘Ik kan er weer niet bijkomen.’
‘Waar niet bij?’
‘Nergens bij. Bij mezelf niet, bij jou niet. Zelfs niet bij de
kleine.’ Op zulke dagen douchet hij extra veel. Hij meent dan
dat het een kwestie van vuil wegspoelen is. Eenmaal fris gewassen, komt
de wereld dichterbij. Schoon. Helder. Op zulke dagen bezoekt hij ook
de opticien omdat het gewoon aan zijn ogen kan liggen.
‘Meneer uw zicht is prima,’ constateren alle opticiens in
de stad keer op keer.
‘U heeft politieogen meneer.’
‘U bent de laatste die een bril nodig heeft. U hoeft voorlopig
écht niet meer terug te komen.’
Hoofdpijn. Hij heeft die week hoofdpijn omdat hij zich zo moet inspannen
om het dagelijks leven te kunnen volgen. Hij begint zo’n dag met
drie dubbele espresso’s. Die zijn overal goed voor. Om de hoofdpijn
terug te dringen. Om logisch te kunnen redeneren. Bij de pinken te blijven.
De momentjes van vervreemding. Op de ochtend voordat hij naar zijn
ouders gaat en hij de kleine nog even pap geeft, zit er een onbekend
schepsel bij hem aan tafel. In een kinderstoel. Van heel ver weg grijnst
het naar hem. Van heel ver weg grijnst hij terug. Totdat het schepsel
ineens in huilen uitbarst.
‘Elliot! Hij zit op zijn pap te wachten!’
‘Ja ja,’ zegt hij snel.
‘Wat was je aan het doen?,’ vraagt de echtgenote.
‘Niets.’ Hij brengt een lepeltje met pap naar de mond van
de kleine. De mond gaat vanzelf open zodra het lepeltje dichterbij komt.
Daarna sluit de mond weer. Deze handeling herhaalt zich.
‘Je bent een machientje,’ lacht Elliot, ‘open, dicht,
open dicht.’ Razendsnel beweegt hij de lepel heen en weer voor
de mond van de kleine. Die niet veel later zit te pruilen. En dan een
keel opzet.
‘Speel nou geen spelletje,’ roept zijn vrouw, ‘hij
heeft honger.’
‘Dat is waar. Sorry.’
De neiging zich te verliezen in details die niet ter zake doen. Elliot
hervat het regelmatige tempo. Pap voeren vergt al zijn inspanning.
‘Gaat het wel ?,’ vraagt zijn vrouw voor hij die dag de
deur uitgaat.
Hij schrikt. ‘Waarom zou het niet gaan?’
‘Je hebt vannacht niet goed geslapen hè?’
‘Is er iets gebeurd?’
‘Nee, nee,’ antwoordt zijn vrouw.
‘Ik heb die droom over mijn moeder weer gehad.’
Ze klopt hem op zijn schouder. ‘Je hebt je pilletje genomen?’
Hij knikt.
‘Doe de groeten aan je ouders.’
Zodra hij de kleine optilt, tilt hij een heel andere wereld op. Hij
geeft de andere wereld een kus. Zet ‘m weer neer. Daarna vertrekt
hij.
‘Nicolas en ik redden ons wel een dagje zonder jou,’ roept
ze hem nog na.
Als hij wegloopt, staan zijn vrouw en zijn zoontje hem vanachter het
beslagen raam uit te zwaaien. Totdat hij de hoek omslaat en de twee
schimmen uit het zicht verdwijnen. Op de dagelijkse route naar zijn
werk verdwaalt hij kort. Hij komt daardoor iets te laat. Verdwalen is
een voorbode. Maar te laat komen is in principe normaal voor hem.
Je merkt op zulke dagen niet bijzonder veel aan Elliot. Hij maakt geen
grote brokken. Hij gedraagt zich niet als een idioot. Hij denkt dat
hij de voorbodes verzint. Omdat hij wel meer verzint.
‘Onze Elliot is een fantast,’ zegt zijn moeder altijd. Dat
is hij ook. Hij verzint de hele wereld bij elkaar, als hij niet oppast.
Hij is niet voor niets gekozen in de creatieve denktank van zijn bedrijf.
Op die catastrofale dag pakt Elliot na zijn werk de juiste trein naar
zijn ouders. Hij bezoekt hen vooral voor de gezelligheid, houdt hij
zichzelf voor, ook al is hij gekomen om het noodlot van zijn moeder
eigenhandig te keren.
Ze halen hem samen op van het station. Als hij zijn moeder bij de auto
gedag zoent, ruikt hij het meteen. Een klein vleugje. Niet nadrukkelijk
maar genoeg voor hem. Het is in alle poriën van haar huid getrokken.
Zijn vader zal zich alleen goed redden. Die zal het probleem niet zijn.
Als een kleine jongen zit Elliot op de achterbank.
De hele weg naar huis ruziën zijn ouders onderling over de juiste
route: binnendoor of over de snelweg. Hangend tussen de stoelen, probeert
Elliot hen te kalmeren. Hij lijkt ervoor gemaakt tussen hen in te zitten.
‘Pa, daar heeft ze het niet over.’
‘Pa, je begrijpt haar niet.’
Dit werkt na drieëndertig jaar nog steeds niet. Het hoofd van zijn
moeder rust tegen de hoofdsteun. Hij ziet haar kastanjebruin geverfde
haar, nummer 7, pluizig droog, haar nek met de ader erop die snel klopt.
Klop, klop, klop.
‘Rustig maar, pa,’ roept hij, ‘dat bedoelde ze niet
zo!’ Maar hij is nog steeds geen bliksemafleider.
’s Nachts lag de zoon in bed, hoorde hij vader en moeder in de
slaapkamer tegen elkaar praten. Boze stemmen. Uitschieters naar boven
naar beneden. Hij kon er niet van slapen. De zoon begon te huilen tot
zijn moeder kwam. Ze nam hem op haar schoot, aaide over zijn hoofd,
zijn rug, zijn beentjes krulden zich om haar heen. Tot hij eindelijk
sliep. Zijn moeders hand beschermde hem tegen alle onheil.
| |
Een abonnement op de papieren versie van De Brakke hond kost slechts 32 euro. Klik hier voor een abonnement.
Nummer nabestellen? klik hier.
De Brakke Hond is geen tijdschrift voor hondenliefhebbers die zich interesseren voor hondenvoeding, hondenverzorging, puppies en hondenvakanties, het bevat 100% literatuur.
Schrijf u in op onze nieuwsbrief "Letters". Vul hier uw e-mailadres in: