Vlaams Fonds

Home > 96 >Kamiel Vanhole

Kamiel Vanhole

De reis van de slippers

1.

Wij zijn een paar slippers.
Keurig ineengeschoven en verpakt in plastic liggen we naast de drempel van de deur te wachten. Niet om die te bewaken, zo heldhaftig zijn we nu ook weer niet, maar gewoon in afwachting van wie komen zal. We weten dat we tot iets zullen dienen - dat is onze taak op deze krankzinnige planeet – en dus hebben wij alle geduld van de wereld. Wij zijn gebruiksvoorwerpen, rustig.
Maar we weten zo weinig.
We zouden bijvoorbeeld willen weten waar we gemaakt zijn, hoe de mensen heten die ons verpakt hebben, waar ze van dromen. Of ze het geluk kunnen vinden in hun oude geboorteland. Maar wij weten van niets. Wij zijn doodeenvoudig een paar niet ambachtelijk vervaardigde slippers, die in de Islamitische Republiek Iran van de band zijn gerold.
Schoeisel met laag bovenwerk dus, dat je gemakkelijk aan- en uit kan schieten. Een soort van huissloffen. Het is niet uitgesloten dat men met ons de straat zou op gaan, als het weer dat zou toelaten, maar eerlijk gezegd kunnen we niet geloven dat iemand dat ooit in zijn hoofd zou halen. Het is winter en wij zullen binnenskamers worden gedragen, dat is ons lot. We zijn tot deze kamer veroordeeld. Dit klinkt dramatischer dan het is, want daar staat tegenover dat wij intiem bejegend zullen worden, het zijn tenslotte blote voeten die in ons zullen schuiven. En in tegenstelling tot de pantoffel zijn wij van achteren open, we bedekken de hiel niet. Van muiltjes onderscheiden we ons dan weer, doordat we ook de tenen laten zien, zo onbeschaamd zijn we wel. We zijn open, zacht en gemakkelijk, wat kan een mens nog meer van ons verlangen? Natúúrlijk zouden we liever muiltjes geweest zijn, natúúrlijk waren we graag wonderfijn en met goud geborduurd, maar zo is het niet, wij zijn fabrikaten gebleven, confectie. Eén standaardmaat, iedereen gelijk. In elke kamer van dit hotel ligt een paar van ons.
Maar hoe zien jullie er dan uit, horen wij daar iemand vragen. Bestaan er geen foto’s van jullie? Komaan, u gelooft toch ook niet dat iemand zich ooit de moeite zal getroosten om ons te fotograferen. Wij zijn slippers, weet je wel. Banaler dan bananen. En toch zijn wij een van de oudste verlengstukken van de mens, want allereerst bestaan we uit een zool: dat is onze ziel. We tillen de mens op. Niet meer dan een paar millimeter misschien, maar het helpt wel. Wie ons draagt, nee, wie door ons wordt gedragen, zingt een toontje hoger.
En uit welk materiaal is die zool dan gemaakt? Uit leer? Uit vilt misschien? Uit kurk of fluweel? Allebei onze zolen zijn van plastic gemaakt! Uit een dunne, soepele laag van wit, gewafeld plastic waar badstof op gestikt is. Dat voelt zacht aan, daar is het lekker op lopen. En hoe worden die zolen aan de voet gehouden? Door het bruggetje dat eroverheen zit en waar men met de tenen inglijdt. Ook dit kapje is van witte badstof en zachter dan gaas. Wie er met een loep naar kijkt, zal uit het weefsel piepkleine lusjes zien opsteken, daardoor voelt het zo poezelig aan. En op dat witte kapje is in blauwe, vervagende drukletters de naam van onze werkgever aangebracht: Laleh Int’l Hotel. Bovenaan in het Farsi en onderaan in Latijnse letters, met daartussenin het hotellogo. Oh ja, bijna vergaten we te melden dat de zool afgebiesd is met een donkerblauw strookje kunststof.
Wij zien nog maagdelijk wit onderaan.
Nog nooit hebben wij de grond gekust.
Voilà, veel meer is er aan ons niet te zien. De eenvoud zelve, maar ideaal om over tegels te lopen. Alleen met de blauwe sandalen die in de badkamer staan, willen we liever niks te maken hebben. Wedden dat ze plakkerig aanvoelen? Ze zijn volledig uit plastic, zelfs geen naaiwerk is daar nog aan te pas gekomen. Typisch westers, vinden wij. Tot stand gekomen onder invloed van een fabrieksmatige, uitheemse ideologie. Met hen willen wij niet vermengd worden.

2.

Zo liggen wij dus klaar. Wachtend tot twee handen ons zullen uitpakken en twee voeten zich in ons zullen schuiven. Dat maakt ons onrustig natuurlijk, je weet maar nooit met wie je te maken krijgt. De handen zijn zo geen probleem, maar die voeten... Zullen ze eeltig zijn, met schilferige hielen? Zweterig? Worden het platvoeten of ranke klauwen?
Wiewiewie, zingt de wind.
Wie zal door het lot worden uitverkoren om ons aan te trekken? Wie zal ons vol welbehagen in beweging brengen? Want hoe je ’t ook draait of keert, het roerloze leventje dat we op dit moment leiden, stelt niet bijster veel voor, zeker niet voor dingen die net gemaakt zijn om zich te verplaatsen. We hebben onze herinneringen, dat wel, maar hoe lang kun je daarop blijven teren? En hoe lang duurt het voor al die fel gekoesterde beelden heiig beginnen te worden en vervagen? Nee, onze roeping is voeten te voelen en ons een ritme te laten aanmeten. Wij willen dansen. Wij willen sloffen en slenteren of los aan de voet hangen te wiebelen. Dat is onze bestemming. Maar in afwachting daarvan zit er niets anders op dan een paar genoeglijke momenten uit onze voorgeschiedenis te laten voorbijtrekken en gasten uit het verleden te ontvangen.
Over onze afkomst doen vele verhalen de ronde. Van een tapijtwever in de buurt van Yazd weten wij dat hij zijn hele stamboom kent, tot duizend jaar terug. Welnu, die gave bezitten wij ook. Hoe dat mogelijk is, weten we niet, misschien is het in ons geschreven. En schoeisel is geduldig, we zeiden het al. Laag-bij-de-gronds.
Maar vandaag dromen we.
Vandaag herinneren we ons dat we ooit de muiltjes zijn geweest van een Perzische prinses. Het waren muiltjes van goudbrokaat en de prinses woonde in het centrum van Isfahan, op het befaamde Naqsh-e Jahan plein, wat Patroon van de Wereld betekent. ’s Ochtends, wanneer ze met kleine, bedachtzame passen naar de rand van het grote balkon liep om de eerste gloed van de zon te zien weerkaatsen op de flank van de omringende bergen, had ze niet de wereld aan haar voeten liggen, maar iets beters nog: het weefsel ervan, een wonderlijk stenen tapijt, dat afgezet was met de fijnste gebouwen uit de dynastie van de Safaviden en dat met zijn eenvoudige, symmetrische arrangement van water, steen en groen Versailles naar de kroon kon steken.
Zo zien we haar staan, lichtjes opzij gebogen en met een glas muntyoghurt tussen haar vingers. Ze legt haar hoofd tegen een van de hoge, houten zuilen die het baldakijn schragen en kijkt naar de koetsiers die hun paarden aan het optuigen zijn voor de komende dag. Haar ogen staan flou, want gisteren zijn de muzikanten gepasseerd. Niemand had hen mogen zien, zelfs hun optreden mocht door niemand worden bijgewoond, maar de kamer waar ze speelden, heeft op wonderbaarlijke wijze hun muziek bewaard, opgeborgen in de vele kruikvormige nissen waarmee de muren en het gewelf zijn versierd. Straks, als ze de kamer betreedt, zal van alle kanten de klank van hun instrumenten komen aanwaaien, de luit zal haar oren zalven, het geroffel op de tamboerijn zal haar voeten doen jeuken en er zal een gloed in haar opstijgen, iets waardoor alles wat ze aanraakt, gaat oplichten, alsof ze een vuur is geworden, onverzadigbaar.
Even gaat er een rilling door haar heen, want Iraanse ochtenden kunnen koud zijn en ze heeft enkel een pofbroek van witte, rauwe zijde aangeschoten, met daarover een zalmkleurig kleedje en een overgooier van kasjmier. En net besluit ze weer naar binnen te glippen, of er komt een boodschapper aanrennen. Hij buigt en overhandigt haar een briefje. Ze ruikt er even aan, glimlacht en stopt het in haar mouw. Opnieuw laat ze haar blik over de vlakte dwalen, en over de geometrische precisie ervan. Tweehonderd winkels geven op het plein uit, tweehonderd balkons, tweehonderd kamers achter die balkons en nog eens tweehonderd winkels in de overwelfde bazaar die om het plein loopt. Ja, in cijfers waren haar landgenoten altijd al goed geweest. Precisie, geometrie. Kwam ook goed van pas als je langs de Zijderoute woonde. En voor het ontwerpen van dit plein was gebruik gemaakt van de gulden snede, naast de sterren was nu ook het menselijk lichaam de maat van alle dingen geworden.
Ze zucht, het wemelt in haar hoofd. En dan haalt ze het briefje weer te voorschijn. Ze vouwt het open en leest:

Evenveel kamers telt jouw huis
als er weken in een jaar zijn.

Zesentwintig letters heeft mijn alfabet.
Op de kruising zien we elkaar
.

Wat mocht dat te betekenen hebben? Zou dit van een muzikant komen?

3.

Op dat moment horen we aan de deur morrelen. Een koele windvlaag strijkt over ons heen, iemand komt de kamer in gestommeld. Geen prinses zo te zien, en nog minder een prins, want hij heeft zelfs geen knecht bij zich om zijn bagage te dragen. Als hij z’n reistas aan de kant heeft geschoven en zijn winterjas uitgetrokken, neemt hij de kamer in zich op. Gaat even in de badkamer kijken, trekt de ijskast open en haalt er een flesje water uit, dat hij openschroeft en aan zijn lippen zet. Dan gaat hij schrijlings op het bed zitten, terwijl hij de afstandsbediening van de televisie uitprobeert. Snel zapt hij langs de kanalen, flitst het toestel weer uit. God, wat een zenuwpees. Zou je zulke gasten geen paar stampen geven! En nog laat hij ons links liggen. Vooruit, maat, trek je schoenen uit, je bent een reiziger en die horen pijnlijke voeten te hebben, zo ging dat toch. Maar de moderne reiziger wordt in de watten gelegd, die hoeft amper nog te lopen. Zelfs wie van duizenden kilometers ver komt, draagt lichte stadsschoenen. Vannacht zullen we een praatje met hen slaan, zo leren we nog iets van de wereld.
Wat ons toch telkens weer opvalt, is de strikte scheiding die hier wordt aangelegd tussen privé en openbaar. We vormen er als het ware een symbool van. Buiten woedt de wereld, maar voor ons blijft die verborgen. Hierbinnen heerst de openbaarheid. Wij tonen de tenen. En wij zijn gul, wij geven ons. Wij hebben niks liever dan dat er van ons gebruik wordt gemaakt. Het zal misschien aanmatigend klinken, maar wij hebben te veel liefde in ons om slechts één persoon te dienen. Wij zijn open als een lotusbloem. En ach, misschien is het angst. Wat er met ons gebeurt nadat de reiziger weer weg is, kunnen wij ons niet voorstellen, maar erg vrolijk zal het wel niet zijn. We denken niet dat we nog gereinigd of gedesinfecteerd zullen kunnen worden, dus de kans is groot dat het hierna met ons gedaan is. We zullen ook teveel hebben gezien. Woede, verdriet, de krampen van de wellust… Binnen deze muren blijft niets geheim. Hier zien we de mensen zoals ze zijn, buiten zichzelf en buiten de tijd. Wij aanschouwen hun mateloosheid en de macht van hun verlangens.
Maar het zijn de vertes die ons blijven kwellen, dat gaat nooit over. Soms, als de deur weer opengaat en een bries de geuren van buiten aandraagt, dan huiveren wij. Dan zouden wij kleine, snelle vleugels willen hebben om onverhoeds op te fladderen en voor de verbaasde ogen van onze eigenaar de verte in te vliegen. Dan verlangen wij naar sneeuw en naar de woestijn waarover onze broeders, de schoenen, verteld hebben.

4.

En dan, op een ochtend is het zo ver. Na een paar dagen in alle bescheidenheid aan de voeten van onze gastheer te hebben doorgebracht, gebeurt het wonder. In plaats van slordig uitgetrokken te worden en op onze gewone plek naast het bed te worden gedumpt, raapt onze gast ons weer op, schuift ons in elkaar en propt ons in de zak van zijn jas. Dit kan maar één ding te betekenen hebben, hier hebben we totaal niet op gerekend. Wij mogen eruit! De wereld in! En we zouden niet meegenomen worden, als we in die grote buitenwereld niet ook gebruikt zullen worden, dat is nog het meest pikante. De details vernemen we even later, terwijl we voor de ingang van het hotel op een minibus staan te wachten, die ons naar verluidt naar een bedevaartsoord zal brengen een zeventigtal kilometer verderop, aan de rand van de Dasht-e Lut. Door de regen van de afgelopen dagen is dit heiligdom nog kouder en vochtiger dan gewoonlijk en omdat men er uit respect z’n schoenen dient uit te trekken, hebben verschillende mensen, onder wie onze bezitter, het raadzaam gevonden hun slippers mee te nemen.
Hier begint ons openbare leven.
Ineens hebben wij de ruimte. Voorlopig zitten we nog dicht op elkaar geprangd in een jaszak, maar tegelijk voelen wij aan het schommelen van de bus dat we vertrokken zijn. Een exquis gevoel is dat: in beweging te zijn en zelf niet hoeven te stappen. En dan al die verhalen die we onderweg te horen krijgen. Een vrouw begint te vertellen dat vele Iraniërs zich als stenen in een rivier voelen. Ze liggen op de bodem, al van oudsher liggen ze daar en het water dat over hen heen vloeit, is nu eens helder en dan weer troebel of smerig, maar blijven liggen doen ze, het zal hun tijd wel duren. Er klinkt in die woorden een zekere moedeloosheid mee, die ons niet ontgaat, maar er speelt ook kracht in mee en een soort onverzettelijkheid die wij als eenvoudige slippers slechts moeilijk kunnen beoordelen.
Langzaam wordt de sfeer in de bus gedempter. Eerst neemt het geraas van het verkeer af, dan vallen ook één na één de stemmen van de buspassagiers weg. Wellicht slorpt het landschap nu hun gedachten op en worden ze geplaagd door het bleke ontzag dat de mens altijd voor de woestijn heeft gehad. Pas wanneer de chauffeur naar een lagere versnelling moet schakelen, omdat de weg steil bergop blijkt te gaan, neemt de opwinding weer toe. Iemand heft het lied van de zeven dwergen aan – He ho he ho, andiamo lavorar’ – en dan stijgen weer langs alle kanten de stemmen op, de gedempte stemmen van de Iraniërs en het wat hogere stemgeluid van de vreemdelingen.
Als iedereen is uitgestapt, haalt onze gastheer ons te voorschijn en bloeit voor ons de wereld open. We huiveren, we blijken omringd te zijn door donkere, scherp gekartelde kliffen. Een zware nevel komt van de toppen geslagen, aan de voet van de rotswand liggen lange stroken sneeuw, alsof de stenen mantel van de bergen slordig met hermelijn is afgebiesd.
Dan horen we het verhaal van een prinses die Nikbanuh heette, dochter van Yazdgerd de derde, de laatste Sassanische keizer. In het nauw gedreven door een Arabische troepenmacht die in 637 Iran was binnengevallen, had zij tot Ahura Mazda, haar Zoroastrische God, gebeden en zijn bescherming afgesmeekt. En zie, prompt opende zich de rotswand om haar een veilig onderkomen te bieden. Ook sloeg de prinses bij die gelegenheid met haar staf tegen de rotsen en op bijbelse wijze kwam er water uit de stenen gevloeid. Daarom heette het pelgrimsoord Chak Chak, dat was Farsi voor Drup Drup.
De twee vleugels van een zware, geelkoperen deur waarin de beeltenis van Zoroaster is gedreven, zwaaien open en iedereen begint zijn schoenen uit te trekken. Dan is het zo ver. Voor de allereerste keer in ons prille bestaan worden wij aan de buitenlucht prijsgegeven. Twee vertrouwde voeten schuiven zich in ons. Wel zijn we ons bewust van ons frivole voorkomen dat niet meteen past bij de ingehouden plechtstatigheid van deze ruimte. Voetje voor voetje schuifelen we de met groen marmer belegde grot in. De vloer is nat en koud, op strategische plekken zijn emmers geplaatst om het water dat van het plafond druipt, op te vangen. Opnieuw gaat er een rilling door ons heen. Waar het nu op aankomt is ons niet te laten overmannen door emoties en elke seconde zo bewust mogelijk te beleven. Trots te zijn ook. Wij zijn de voeten van onze meester trouw. We volgen hem overal en tegelijk zijn wij het die hém dragen, nu rond een grote vuurschaal die uit twaalf kroonbladeren bestaat, waarop drie vlammetjes staan te bibberen. Vlak erboven hangt een enorme kroonluchter, maar het enige licht komt uit de openstaande deuren en van de zwakke pitjes. De betekenis ervan ontgaat ons, maar we lopen voorzichtig verder. Tegelijk begint de kou aan ons te vreten, wij zijn niet gemaakt om in de nattigheid rond te dabberen. De badstof waarmee onze zolen bedekt zijn, gaat water opzuigen aan de randen. Misschien is het alles bijeen toch wel wat veel geweest. Zoveel wonderlijks. En dan bekruipt de melancholie ons weer, dan schreeuwen we tegen het licht. We hebben van de vrijheid geproefd, we hebben voet gezet op steen, op eenvoudige rotsbodem, en dat smaakt naar meer.
Op dat moment zien we de man die het heiligdom bewaakt, naar ons wijzen. Er zit afkeuring in zijn blik, onbegrip ook. Hij vindt het idioot dat we gedragen worden, dit hoort niet, onze meester heeft zich niet aan de geplogenheden gehouden en is dus respectloos. Niet dat hij de enige is die hier niet op blote voeten loopt, maar toch. We schamen ons.
Op de terugweg voelen we ons klam. Morgen trekt de karavaan verder. Morgen zullen wij achterblijven in de hotelkamer. Wij vrezen de poetsvrouw. Maar we hebben iets meegenomen van ginds, in onze zool zit een steentje. Een steentje uit de bergen rond Chak Chak.
Het leven bestaat uit verhalen, ons geheugen zal uit een kwellend steentje bestaan hebben.
Wij zullen een paar slippers geweest zijn.

 

©Kamiel Vanhole



inhoudsopgave nr. 96


abonneren

Een abonnement op de papieren versie van De Brakke hond kost slechts 32 euro. Klik hier voor een abonnement.

Nummer nabestellen? klik hier.

boekenlinks

Proxis
boekenbank
DBNL

Over De Brakke Hond

De Brakke Hond is geen tijdschrift voor hondenliefhebbers die zich interesseren voor hondenvoeding, hondenverzorging, puppies en hondenvakanties, het bevat 100% literatuur.


nieuwsbrief

Schrijf u in op onze nieuwsbrief "Letters". Vul hier uw e-mailadres in:


AanmeldenAfmelden


Powered by YourMailinglistProvider.com