Vrolijke slokjes bier
‘Als ik even iets bespreken mag,’ zei Anton nors en hij hield mijn elleboog vast omdat ik te hard liep. Hij was al geruime tijd in een slecht humeur, schold op het bos en liet niet na te vertellen dat zijn schoenen hem zeer deden.
‘Je wilt het zeker over de knelpunten in je leven hebben,’ zei ik, mijn arm lostrekkend.
‘Hoe weet je dat?’ vroeg hij verbaasd.
Ik haalde mijn schouders op. ‘Het is altijd hetzelfde,’ zei ik, ‘maar ga je gang.’
‘Het heeft me altijd dwarsgezeten dat vrouwen uiteindelijk toch het liefste willen dat een man een rots in de branding is,’ begon Anton zeurderig. ‘Zekerheid. Stevigheid. Een blok graniet waarop ze kunnen smelten en blubberen. Je kent dat wel.’
‘En waar slaat dat precies op?’ vroeg ik. ‘Kun je me dat in je eigen woorden duidelijk maken?’
Ik kon me soms moeilijk voorstellen dat hij met al zijn zwakke punten daadwerkelijk in het leger had gediend en in de hel van Srebrenica uren in de brandende zon had moeten staan wachten tot alle moslims waren afgevoerd, voordat hij naar de kantine kon.
Hij greep mijn elleboog weer vast. ‘Als je wat langzamer loopt zal ik je dat haarfijn uitleggen. Vele jaren geleden zag ik op een zielige woensdagavond in dansgelegenheid De Varaan een jonge vrouw. Ze droeg een tijgerpakje dat als een condoom om haar lichaam sloot. Van hals tot enkel in een strak tijgermotief. Krankzinnig. In die tijd al volslagen achterhaald. Het duurde een paar minuten voordat ik besefte dat ik haar kende. Ze was de oudere zus van een vroegere schoolvlam van me. Ik geloof dat ze Isabelle Rustlust heette of zoiets. Nazaat van een slavenhandelaar, als ik me niet vergis. Toen ze zich omkeerde om lichtjes dansend een asbak te zoeken zag ik dat ze in de loop der tijd wat pafferig was geworden.’
Na die laatste woorden glimlachte Anton wreed.
‘Ging je naar haar toe?’ vroeg ik. ‘Heb je zelf trouwens wel recentelijk nog in de spiegel gekeken en die kroep onder je kin zien hangen?’
‘Ik ging wonderbaarlijk snel naar haar toe. Haast onmiddellijk, kun je wel zeggen. Je ziet me vast al gaan: een sigaret in mijn ene hand en een glas bier in mijn andere hand, de dansvloer over, zigzagschuifelend in een lichtbundel die mij volgde.’
‘En geen spoor van angst?’
‘Viel wel mee, ik denk dat het scheelde dat ik haar kende, al had ik nooit veel met haar gesproken. Misschien een honderd woorden in totaal. Maar hoeveel honderd woorden kun je aan een vrouw besteden zonder in herhalingen te vallen.’
‘Zag ze je aankomen?’
< ‘Toen ik nog op tien meter afstand was, had ze het al door. Ze tikte achteloos met een voet het ritme van de muziek mee maar keek zorgvuldig niet mijn kant op. Dichtbij gekomen zag ik dat zij blonde wimpers had.’
‘En haar kont?’ vroeg ik.
‘Ook van dichtbij niet onaardig, hoewel de overgang naar de benen ietwat miezerig was. Volle kont en schrale beentjes. Vreemde combinatie. Hoe dan ook, met mijn moed was het snel gebeurd. Want zij deed na mijn begroeting uitgesproken koel, zo minachtend zelfs, dat ik meteen ontnuchterd was en wat jankerig, bedremmeld en als geslagen naast haar bleef staan, naar de dansvloer starend. Ik vergat zelfs vrolijke slokjes van mijn bier te nemen. Ondertussen stond zij te heupwiegen en na een dertigtal seconden liep ze gewoon weg.’
‘En dat was het dan?’ zei ik.
‘Ja.’
‘Laat me eens raden,’ zei ik, ‘je bent nog steeds kwaad op haar. Je zint op wraak.’
Anton lachte snorkelend. ‘Ik heb haar in gedachten ruimschoots vermoord. De politie heeft aan haar identificatie een zware dobber gehad. Hier en daar een flard tijgervel.’
‘Grote klopjacht geweest?’ vroeg ik.
‘Jazeker. Waarbij ikzelf omkwam, maar ook minstens zestien agenten.’
‘Rustig nou maar. Pas op voor die plas water.’
Anton lette niet op, ging onderuit en kwam onder de stinkende modder te zitten. Even dacht ik dat hij zou gaan huilen.
‘Het lijkt verdomme Bosnië wel,’ riep hij. ‘Dan had ik de hele dag door de modder gestrompeld, was ik gebeten door weet ik veel wat. Had men mij zonder pardon beschoten. Ieder moment had ik kunnen sneuvelen, en dan kroop ik ‘s avonds in mijn slaapzak en dan bengelde dat metalen palletje van de ritssluiting voortdurend koud tegen mijn hals. Dat was teveel van het goede. Door dat soort dingen gingen we door het lint.’
Modderig stond hij mij aan te kijken, als een kleuter met een volle luier. Ook zijn grote, roze hoofd was met modder bespat. Zijn lippen waren blauw van de kou. Later, nadat ik hem wat schoongemaakt had, en wij verder liepen, zei Anton: ‘Ik moet het maar weer eens over hogere zaken hebben, geloof ik. Maar eerst wil ik die tijgerveltrut achter me hebben. Dat zij met uit de kom gedraaide beentjes en geknakte vingers…’
‘Nee,’ zei ik, ‘dat kennen we al. Doe de hogere zaken maar.’
We liepen enige tijd zwijgend over konijnenpaadjes. Toen het pad breder werd, verschenen er richtingaanwijzers, hekken, prikkeldraad en vuilniscontainers. ‘Kijk,’ zei Anton, ‘hele lappen bos zijn voor ons verboden gebied omdat daar gnoes moeten grazen.’
Ik keek hem ineens streng in de ogen. ‘Zeg eens eerlijk: heb jij ooit een vrouw aangerand?’
‘Nee natuurlijk niet. Niet in het echt.’ Hij keek mij peinzend aan. ‘Dacht ik.’
‘Kun je dat bewijzen?’ vroeg ik.
Anton antwoordde niet. Al lopende waren we op een open plek in het bos aangekomen. Enkele druilerige zandheuvels en wat plukjes heide. Een gezin stak over. ‘Een blaffende hond, jengelende kinderen, een panisch-optimistische moeder en een zaterdagmiddagvader die liever op kantoor zou willen zitten,’ volgens Anton.
Even later stonden wij voor een groot hekwerk. Alweer verboden gebied. Militair oefenterrein. Dit was voor Anton aanleiding om spottend te lachen. ‘Er zijn maar een paar kleine bossen in ons land. Vergeleken met natuurgebieden in het buitenland kun je beter spreken over verwilderde plantsoenen. En in die plantsoenen gaat het leger oefenen. Want als er oorlog komt, en die komt er, dan zal die oorlog volgens de militaire staf in dit soort tuintjes worden uitgevochten.’
Ik was het helemaal met hem eens en arm in arm liepen we verder.
‘Ik ben zo weemoedig de laatste tijd,’ zei Anton, met zijn schonkige heupen tegen mij aan botsend. ‘Vreemd emotioneel. Maar helemaal zonder verliefdheden zoals vroeger. Gelukkig maar, want ik ben helemaal geen voorstander van liefde. Liefde is een nogal achterhaald concept. Tegenwoordig heb ik last van andere opdringerigheden. Loop ik te wandelen, zoals wij nu, maar dan in de stad, en het begint.’
‘Wat gebeurt er dan?’ vroeg ik.
‘Er gaat een huisdeur open, net wanneer ik passeer. Dus niet als ik nog vijf meter te gaan heb naar die deur, of er al vijf meter voorbij ben. Nee, juist wanneer ik passeer. Alsof ik heb aangebeld en er onmiddellijk wordt opengedaan.’
‘Dit heeft geloof ik niets te maken met hoogstaande gedachten?’
‘Die zijn op slag verdwenen. Uit de deuropening stapt een persoon, zo dichtbij, dat we maar een hand hoeven uit te steken om elkaar op allerlei plaatsen aan te raken. Je kunt je indenken wat zo’n situatie met mijn gemoedsrust uithaalt.’
Anton bleef staan en keek mij achterdochtig aan.
‘Ik geloof dat het statistisch gezien ook helemaal niet mogelijk is,’ zei hij. ‘Dat er zo vaak precies wanneer ik passeer een deur opengaat. Ik zal het je voorrekenen. Stel ik loop door een straat, met slechts aan één zijde huizen, om het eenvoudiger te maken. Er zijn, ook voor het gemak, precies honderd huizen in die straat. In elk huis wonen gemiddeld vier mensen, ik neem het aan de ruime kant. Vierhonderd mensen dus. Elke persoon komt gemiddeld vijf keer per dag naar buiten, om naar het werk te gaan, de winkel, school, vrienden, club, bioscoop, noem maar op. Naar binnen gaan telt niet. Daar heb ik minder last van. Dit naar-buiten-gaan-gedrag vindt plaats gedurende zestien uur per dag. Vier maal vijf maal honderd is tweeduizend, gedeeld door zestien is honderdvijfentwintig. Dus honderdvijfentwintig keer per uur gaat er in die straat, aan één zijde, een deur open. Stel dat ik tien minuten nodig heb om de straat door te lopen, dan gaat er gedurende die tijd (naar boven afgerond) eenentwintig keer een deur open. Verspreid over honderd deuren. Dus zo’n een op de vijf deuren gaat in die tien minuten open… in één minuut 2,1 deur… in zes seconden 0,21 deur… in pakweg elke dertig seconden gaat er een deur open. Dus bij iedere deur heb ik een kans van een op vijf dat hij opengaat. Dat honderd huizen lang. Iedere deur een kans van een op vijf. Of is dit nonsens en is er sprake van telepathie? Zagen ze me aankomen door de ramen en willen ze me pesten?’
‘Ik denk het,’ zei ik rustig.
‘Met auto’s heb ik het ook,’ zo ging hij verder. ‘Zodra ik ergens sta, genietend van een relatieve rust, komen er van alle kanten auto’s op mij af. Soms, als ik fiets, heb ik het wel eens dat een auto langzaam achter mij aanrijdt, en hoezeer ik ook aan de kant blijf, hij passeert mij niet, hoewel hij dat makkelijk zou kunnen. Ik stap af en wacht. Nu moet de automobilist een beslissing nemen, ook stoppen of mij inhalen, zijn intenties zullen hoe dan ook duidelijk zijn. Weet je dat ze als eerste impuls meestal gas terugnemen? Ze willen eigenlijk stoppen, maar snappen dat ze zichzelf daarmee verraden en rijden dan toch door. Zodat ze juridisch aan de veilige kant zitten; het zijn slimme jongens. Verbaasd zijn ze, omdat ze geen directe reden zien voor mijn afstappen. Ik bestudeer geen kaart, ik spreek niemand aan, mijn handelingen zijn vreemd en zinloos. Mijn gedrag is onverklaarbaar en niet pluis. Moeders houden kinderen in de gaten, alsof ik die kinderen door de autoraampjes weg zou grissen. En ik, ik kijk neutraal naar de overkant van de weg, in gedachten natuurlijk. Ook weer niet te dromerig. Via subtiele lichaamstaal probeer ik de indruk te wekken uit louter goede bedoelingen te zijn opgebouwd. Blij ben ik dan, netjes kort haar te hebben, grijzend aan de slapen, kalend ook. Een en al middelbare degelijkheid. Misschien is het mijn oogopslag, die de schade aanricht. Wat al te helder wellicht. Zodra ik iemand aankijk, verschijnen er zenuwtikjes in zijn gezicht. Vrouwen beginnen vlekkerig te blozen.’
‘Ja ja, je bent het hoogste wat een vrouw kan overkomen,’ mompelde ik.
Anton knikte dankbaar.
Wij waren bij een vennetje aangekomen en gingen op een bankje zitten. Ik haalde twee mandarijnen tevoorschijn uit mijn aktetas en gaf er een aan Anton. Ik pelde mijn mandarijn zorgvuldig, verzamelde de schillen in een hand en hield hem Anton voor, zodat hij zijn schillen erbij kon doen. Daarna stond ik op en liep naar de vuilnisbak die twee meter verderop stond. Ik gooide de schillen in de vuilnisbak.
‘Wacht,’ zei Anton, en hij reikte mij een stukje schil aan, dat op de grond was gevallen. Hij gaf het stukje schil aan mij en ik liep naar de vuilnisbak en wierp ook dat laatste stukje schil er in. Vervolgens liep ik terug naar het bankje (dat nu al, volgens Anton, als ‘ons’ bankje beschouwd kon worden) en ging met een zucht zitten. Langzaam aten wij de mandarijnen en staarden voor ons uit. Anton spuugde een pit uit, maar in mijn mandarijn zaten geen pitten. Moest ik met hem een deel ruilen? Nee, zei Anton, laat maar; ik vind het niet erg, de smaak is uitstekend en daar gaat het uiteindelijk om. Hij had het erover dat je van de schil plakkerige vingers kreeg. Daar had hij een hekel aan.
We zaten nog maar enkele minuten en toch waren ons alweer enkele gezinnen gepasseerd.
‘Dit is dus in principe een veilige situatie,’ zei Anton, op een moment dat andere wandelaars hem niet konden horen. ‘Dit kan ik me herinneren van de commando’s. Nu zijn we volkomen legitiem. Want we zitten op een officieel bankje en we eten iets. Dat is in orde. Hoogstens is het vreemd dat we allebei man zijn en waarschijnlijk is men van mening dat we ogenblikkelijk beginnen te kezen zodra we alleen zijn. En dat jij die schillen van mij overnam om weg te gooien, zoiets doet een man natuurlijk niet. Ik dacht er te laat aan, anders had ik er wel iets van gezegd. Maar je kunt niet overal op letten. Het zal ze zijn opgevallen. Ja, kijk, daar heb je het al, tussen de bomen…’
Hij wees met een nauwelijks merkbare zwaai van zijn tussen zijn knieën hangende hand naar de bomen waarachter het laatste gezin zojuist verdwenen was. En inderdaad zag ik hoe een van de wandelaars naar ons keek.
‘Zonder iets te zeggen of te doen, hebben we alweer een ongezonde indruk gemaakt,’ zuchtte Anton. ‘Ik ben vervloekt en ik steek je blijkbaar aan. Ik weet niet wat het is. Misschien zijn het ook die mandarijntjes. Gedateerd voedsel. Het zit niet in plastic, papier, blik of glas. Zit natuurlijk onder de bacteriën. Kijk maar naar al het rondslingerende verpakkingsmateriaal hier; zie jij daar schillen tussen? Ik zeg je, we moeten op onze tellen passen, we worden in de gaten gehouden. Je zult zien, straks komt er een auto aangereden over het zandpad, en die gaat hier bij ons parkeren. En na het uitstappen worden eventuele kinderen uit onze buurt gehouden. Heel verstandig, want wij hebben aan een oogwenk genoeg om zo’n kind levenloos achter te laten. Is het niet? Voordat iemand ook maar in de gaten heeft dat er zich een ramp heeft afgespeeld, zitten wij weer met uitgestreken gezichten op ons bankje.’
Kort daarna stonden we op, klopten onze broeken af en liepen verder, westwaarts. Na een uur lopen kwamen we uit bij de bushalte. Daar begon het te regenen en toen de bus een half uur later stopte, waren we doorweekt.
| |
Een abonnement op de papieren versie van De Brakke hond kost slechts 32 euro. Klik hier voor een abonnement.
Nummer nabestellen? klik hier.
De Brakke Hond is geen tijdschrift voor hondenliefhebbers die zich interesseren voor hondenvoeding, hondenverzorging, puppies en hondenvakanties, het bevat 100% literatuur.
Schrijf u in op onze nieuwsbrief "Letters". Vul hier uw e-mailadres in: