Vlaams Fonds

Home > 96 >Caroline Ligthart

Caroline Ligthart

Laureaat verhalenwedstrijd (1e prijs)

Gebroken wit

Voor K.

Ik ben tamelijk dik en redelijk lui. Naast mijn werk doe ik niet veel, van beweging moet ik niets hebben. Mijn ouders hebben mij Igor genoemd. Niet verwonderlijk dat zo iemand dan in Rusland terechtkomt, al was dat puur toeval. Ik heb jaren moeten wennen aan die naam. Ik keek niet om als iemand Igoór schreeuwde, hij wilde maar niet van mij worden. I-gor. Twee lullige lettergrepen. Ik had mezelf er minstens drie gegund.


Ik geloof niet in schuld. Ik geloof in onvermogen. En dan is daar meteen de rivier. Een brede witte ijsvlakte. Alsof ik een helder beeld moet vormen van de tijd die daar anders verloopt dan hier. Trager, bedachtzamer misschien.

Eigenlijk kan ik niet veel onderscheiden. Het wit, ja, het wit wel. Verder blijft het vaag door herinneringen die er niet toe doen. Zoals opmerkingen van vroeger, die je je wel kunt herinneren maar wat heb je eraan, aan woorden die te oud zijn geworden om op eigen kracht ergens uit te komen.


Aan de oever staan kleine houten banja’s. We zijn alleen, in de wijde omgeving is niemand te zien. Ik heb een handdoek om mijn heupen gewikkeld en sta voor de deur van de sauna. In de verte op het ijs mijn vriendin. Ze staat in haar volle lengte, 1.85, naast het wak waar een trappetje in hangt. Gedurende Alma’s vakantie sta ik iedere morgen eerder op om de bijt voor haar open te hakken. Ze realiseert zich wat dit betekent omdat ze weet hoe ik over lichaamsbeweging denk. Ik doe het als zij zich nog eens omdraait om te benadrukken dat het een daad is waar ze niet achteloos aan voorbij kan gaan.

Alma lijkt stil te genieten van de kou op haar dampende lichaam. Een lichaam waar ik niet op uitgekeken raak, een lichaam dat ook niet op raakt. Begin ik bij haar tenen doe ik er minimaal een kwartier over om haar mond te bereiken. De donkere krullen vallen wild om haar smalle gezicht. De kracht die ze uitstraalt zou het ijs kunnen smelten. Ik val voor een tweede keer. Nu nog dieper.

Tot nu toe vroeg ik me bij elke vriendin af hoe het zou zijn als ze dood zou gaan. Wat zou ik voelen? Ik keek haar aan en dacht: voor altijd nooit meer. Hoe zou dat zijn als jij je ogen sluit. De begrafenis werkte ik tot in het detail uit. De muziek, de tranentrekkende, humoristische speech. Het medeleven van de bezoekers. Steekwoorden: sterk, flink. Bij Alma is die gedachte niet bij me opgekomen. Het zit meer dan goed tussen ons. De zon breekt door. Ik moet mijn ogen dichtknijpen om haar door de schittering van de sneeuw nog te kunnen zien. Ze kantelt haar hoofd een moment naar links, een teken dat ze een besluit heeft genomen, en gaat achterstevoren het trappetje af. Ik zie geen aarzeling. Geen rilling, geen beweging die de vrieskou verraadt. Ik tel. Ze blijft vier seconden onder water. Vier dappere seconden, dan grijpt ze de trap vast en trekt zich omhoog, terwijl het water van haar lichaam druipt. Ze kijkt mijn richting op. Ik zwaai niet. Ik buig. Waarschijnlijk glimlacht ze nu. Ze slaat haar handdoek om, hij reikt maar net over haar billen, en loopt weer rustig terug naar de banja. Ik ga vast naar binnen omdat ik niet weet of ik wil dat ze mijn overgave ziet.

‘Heerlijk is het, ga jij ook?’

‘Ben je helemaal gek geworden. Buiten staan is al een overwinning.’

Ze lacht. Ik beweer altijd dat ik de saunakoning ben. Ik moet mijn meerdere erkennen en doe dat met overgave. Zij hoort bij mij.


De korenblauwe datsja ligt iets verder het land in. Overal sneeuw. Dikke lagen. Eindeloos witte heuvels. Takken omlaag buigend alsof ze het verleden torsen. We hebben veel hout en veel tijd. Ik had een project bij een elektriciteitscentrale die nog op de verbranding van bruinkool draait. Ik zou de directie moeten overtuigen een filtersysteem aan te brengen zodat de bijdrage aan de zure regen vermindert. Ze hebben mij na drie maanden al verteld dat ze mijn diensten niet nodig hadden, maar dat mijn contract van een half jaar gewoon zou worden doorbetaald. Mijn Stalinflat in Tula was net zo deprimerend als de stad zelf. Zodra het kon reed ik naar de datsja. En toen ik op non-actief werd gesteld, een term die goed past, trok ik definitief in het huisje.

Alma ken ik zeventien maanden. Het was een geldautomaatontmoeting. We kwamen gelijk aan bij de CR7 van de Rabobank, voorzien van camerabewaking en de waarschuwing dat als de pasinvoer er niet hetzelfde uitziet als het plaatje, je niets in de gleuf mag stoppen. Nu flikkerde alleen de tekst: deze automaat is buiten gebruik. Opeens leken me dat handige woorden: ik ben helaas buiten gebruik, excuses voor het ongemak.

We gingen naar de overkant van het plein waar CR8 hopelijk wel functioneerde. Na zeven passen liepen we in een gelijk ritme. Niets bijzonders. Automatisch verbrak ik de gelijkgestemdheid. Binnen vier passen liepen we weer gelijk. Ik wist meteen hoe ze in elkaar zat.

We kwamen weer gelijk aan, maar ik nam een grote laatste stap en ging voor. Ze werd razend. Ging met haar tas tegen mijn rug staan beuken. Dat had ik door die voetstappen niet verwacht. Ik wachtte even met mijn pincode, de sterfdag van Dali, en greep haar arm.

‘Het scheelt precies vijfentwintig seconden voor jou. Voor mij zou het zo’n vijfendertig seconden schelen omdat vrouwen gemiddeld vijf à tien seconden langer nodig hebben.’

‘Je bent een grote klootzak.’

‘Het ligt genuanceerder. Wat voor belangrijks ga jij doen?’

‘Koffie drinken.’

‘Met mij dus,’ antwoordde ik. Het was de eerste keer dat ik een onbekende vrouw meevroeg voor koffie.


Wij vechten. Om alles. We genieten er niet van, zo zitten we in elkaar. Tussen de strijd door is het heftige liefde waarvan mensen die het kunnen weten beweren dat die maximaal zeven maanden kan bestaan omdat er anders geen energie overblijft voor het normale dagelijkse bestaan. We versnipperen ons gevoel. Misschien duurt het dan zeven jaar voordat de verliefdheid voorbij is.

Door de aanmaak van fenylethylamine, het lovehormoon, word zelfs ik actief, al zet ik dat niet om in daden. Als we zoenen racen de zenuwimpulsen met een snelheid van 250 km per uur door ons centraal zenuwstelsel. Dat is niet bedacht maar bewezen. Dus veel rust hebben we niet.

Tijdens Alma’s vakantie hier in de datsja is er meer kans op een gelijkmatiger stemming dan in Nederland. Koesteren, denk ik, hoewel dat tegen mijn natuur is.

Ik heb de haard opgestookt, aan zure regen gedacht, een fles opengetrokken, in gedachten een nieuw filtersysteem ontworpen dat nooit in gebruik genomen zal worden, kussens op de grond gelegd, porno gefantaseerd en wat lampen uitgedaan. In principe zou dit interbellum langer dan een half uur moeten kunnen standhouden, feitelijk is dat te optimistisch.

Nadat Alma een dikke trui en een joggingbroek heeft aangetrokken, neemt ze het glas aan dat ik haar voorhoud. We gaan voor het vuur zitten.

‘Wist je trouwens dat ik onvruchtbaar ben?’ vraagt ze.

‘Zo zie je er niet uit.’

‘Niet lullig doen.’

‘Hoe kan ik het dan weten?’

‘Ik weet niet meer of ik het je al vertelde.’

‘Jij weet niet of je mij al vertelde dat je onvruchtbaar bent?! Ben je gestoord?’

‘Alleen onvruchtbaar.’

Ik weet niet wat ik moet denken. Erg voor haar, erg voor mij? Wil ik kinderen, wil zij kinderen, wil ik eigenlijk, als ik al kinderen wil, kinderen met haar? Ik hou mijn mond. Dat is niet goed.

‘Wat zit je dom te kijken.’

‘Ik zit dom te denken.’

‘Wat?’

‘Weet ik nog niet.’

‘Laat maar,’ zegt ze en draait zich naar het vuur.

Laat maar betekent toe alsjeblieft en daar doe ik niet aan, behalve tijdens het vrijen. Ik zeg niets. Misschien is de onvruchtbaarheid niet voor altijd, kunnen die eierstokken nog op andere gedachten gebracht worden. Alma is drieëndertig. Van de vrouwen die in 2006 een kind kregen, waren er meer dan zesenveertigduizend vijfendertig jaar of ouder. Tijd zat, denk ik dus.

‘Voor het geval je eraan twijfelt: ik vind het erg,’ zegt ze in het vuur.

‘O.’

Mooi woord. Het zegt niets en toch zeg je wat. Ik stapel wat kussens en ga liggen.

We zijn een hele tijd stil. Ik leg mijn hand op Alma’s rug. Ze schudt even, maar niet hard genoeg om serieus te nemen. Ik kom overeind en trek haar mee terug. Ze ligt op mijn borst. Ik voel haar trillen. Het knettert in mijn hoofd. Wie zou ik eerst gerust moeten stellen. Valt er wel iemand gerust te stellen. Er zijn kinderen genoeg. Er is zelfs een overschot. Eenkennige baby’s, slecht lerende kinderen, onmogelijke pubers, contact verbrekende adolescenten. Moet je die per se van jezelf hebben?

De wodka heeft niet de gebruikelijke uitwerking. Het gegiechel en de handtastelijkheid blijven achterwege.


Na een paar dagen hangende schouders van Alma, besluit ik over te gaan tot actie. Vacuüm getrokken met bontjas, shawl, leren handschoenen en bontmuts rijd ik naar Savra. Alma denkt dat ik boodschappen aan het doen ben. De Lada is moeilijk warm te krijgen. Soms hapert hij. Het is de vraag of dat door de strenge vorst komt. De gemiddelde leeftijd van personenauto’s wordt berekend op basis van het bouwjaar. Daarin zijn alle personenauto’s meegenomen van de laatste vijfentwintig jaar. Hetgeen betekent dat de oldtimers de gemiddelde leeftijd niet beïnvloeden. Dat vind ik dan weer geruststellend om te weten, ware het niet dat ik het bouwjaar van deze auto niet weet dus niet kan uitrekenen of ik zo direct langs de kant van de weg zal komen te staan.

Ik blaas wolkenwoorden. Na twee uur rij ik Savra binnen. De gouden koepels van het klooster glinsteren in de zon, de heilige bron ervan is mijn doel.

De vrouw die in de houten barak voor het klooster waterflessen verkoopt, denkt dat ze me niet goed begrijpt. Even haar schedel lichten en de draadjes anders verbinden is een optie, maar ik herhaal rustig wat ik wil, en knik nog eens vriendelijk. Ze maakt een geldbeweging met haar vingers en schudt haar hoofd van ‘o la la’ en ‘onmogelijk’, terwijl je zou mogen aannemen dat ze geld wil verdienen. Een jonge kerel komt aanlopen, hij vraagt in gebroken Engels of ik hulp nodig heb. Zelfs hij denkt dat hij me verkeerd begrijpt, maar laat zich overtuigen. De vrouw verdwijnt achter een gordijn en komt terug met een jerrycan. Ik geef haar de dollars. Bedank de jongen, tip hem. Nooit het idee gehad dat er zoveel rek zat in mondhoeken.

De jerrycan wikkel ik in wollen reisdekens die standaard op de achterbank liggen. Ik zet hem voor de passagiersstoel op de grond. Het water mag niet bevriezen, straks is alle heiligheid vervlogen voordat ik ben aangekomen. Als ik stop om wat te eten laat ik de motor aanstaan.

Het laatste stuk van de route is weer langs de Wolga. Ik begin soorten wit te onderscheiden. Het is mijn lievelings niet-kleur geworden.


Alma zit op de bank voor zich uit te kijken. Nu de woorden eenmaal hun weg gevonden hebben is zij een andere vrouw geworden. Terwijl ze dit al twee jaar blijkt te weten. Ik voel irritatie, maar ik ben zo opgetogen over mijn verrassing dat ik het meteen onderdruk.

‘Heilig?’

‘Kan niet heiliger, kom mee.’

Ik trek haar omhoog en neem haar mee naar de banja. Daar staat de jerrycan. Op de fles staat de afbeelding van een roze nijlpaard. Het vruchtbaarheidssymbool. Alma kijkt met opgetrokken wenkbrauwen naar het beest.

‘Dit?’

Ik ga voor haar staan en zeg dat ze vanaf nu haar mond moet houden. Dat ze de komende minuten moet zien als een ritueel dat haar toekomst kan veranderen. Ik kniel voor haar neer om haar laarzen en sokken uit te doen, ze houdt haar evenwicht door met een hand op mijn schouder te rusten. Het lijkt een toekomstbeeld: een klein meisje. Haar dochtertje, wie weet. Ik laat haar haar armen omhoog doen, trek de trui over haar krullen, gooi hem over mijn schouders. Haar sweatshirt volgt, haar T-shirt en haar twee hemdjes. Ik stroop haar broek en broekje tegelijkertijd naar beneden, kan het niet nalaten om de lekkerste plek van haar billen, de grens van bil en bovenbeen, stevig vast te pakken. Mijn vinger duw ik even bij haar naar binnen.

‘Dit hoort er allemaal bij?’ vraagt ze koeltjes. Ik bijt haar in haar zij. De kleren leg ik op de bank, pak de jerrycan en neem haar mee naar de stoomruimte.

‘Is het heel erg koud, denk je?’

‘Jij zwemt rondjes in een wak en nu vraag je mij of dit koud zal zijn?’

‘Oké, toe maar dan.’

Ze knijpt haar ogen samen en buigt haar hoofd naar achteren. Dat had ze gedacht. Ik pak de fles en hou hem eerst ter hoogte van haar buik. Ze gaat meteen met haar benen uit elkaar staan en steekt haar buik naar voren. Ik laat het water eruit stromen. Ik voel de spanning ontsnappen op het moment dat het water haar huid raakt. Ze blaast uit.

‘Valt mee,’ zegt ze binnensmond.

Ze heeft zich totaal aan mij overgegeven. Ze gelooft hier al sterker in dan de vrouw die het water verkocht. Ik giet de vruchtbaarheid over haar schouders en borsten. Zodra ik de jerrycan boven mijn hoofd kan tillen, hou ik hem omgekeerd boven haar hoofd. Ze gilt en lacht tegelijkertijd. Met haar handen gaat ze wild over haar lijf, alsof het heilige water niet werkt als niet elk stukje van haar lichaam nat is geworden. Ze houdt zelfs haar hand op en kletst het opgevangen water tussen haar benen. Het moet er blijkbaar ook in. Haar hele lichaam is nat, haar haren zijn nat. Ze staat druipend voor me. Te lachen. Alsof ze opnieuw is opgestaan.

‘Nu is het aan jou,’ zeg ik als het water op is. Ze knikt heel serieus. Opeens vraag ik me af of ik een sadist ben.

Als ik later op de bank lig, komt ze op me zitten. Ze kijkt me aan met haar zwarte ogen en houdt haar rechterhand op haar borst.

‘Dank je wel.’

Ik kijk alleen maar.

‘Dank,’ herhaalt ze.

We kussen. Ik denk aan die 250 kilometer. En op mijn vraag hoe het toch mogelijk is dat iedere vrouw 100% anders zoent, terwijl je zelf toch 50% invloed op het geheel hebt, weet Alma niets te verzinnen.


Langs de Wolga zijn de mensen en de dagen traag. Ze blijven binnen. Ze hebben het koud. Hier aan de rivier word ik nog luier. Mijn gedachten lijken ook langzaam te bevriezen. Alma vindt dat vervelend. Ze houdt van het voeren van drie gesprekken tegelijkertijd met daar doorheen conclusies van eerdere gesprekken en opmaten voor de komende. Ze ergert zich aan mijn eenduidigheid. Beter is het een snelle duik in dat wak van haar te nemen, om de boel te activeren, maar ik blijf liever binnen. Van wakken moet ik niets hebben.

Het leven bestaat nu uit eens in de week naar de stad rijden om voorraden in te slaan, lezen, de sauna in, en ons proberen voort te planten. Door Alma word ik gedwongen over baby’s na te denken. Het is niet een onderwerp waar ik in thuis ben. Na drie weken moet ze weer naar Nederland om te werken. Mijn lichaam is weer van mezelf, ik haal dieper adem. Maar na een week staat ze plotseling weer voor de deur. Ze heeft haar baan opgezegd. Ze wil haar kans niet laten ontglippen. Ze merkt niet dat ik het steeds benauwder krijg en dat ik het angstig vind dat zij zich zo vastbijt in een mythe.

Het is een kwestie van meedoen, eigenlijk doe ik het zonder er lang bij stil te staan. Niet meedoen levert ergere scènes op. Pragmatiek is een mooi goed. Maar ondanks mijn gewilligheid hebben we meer ruzie dan ooit, en ik ben een van die weinige mannen die het niet prettig vind om meteen te vrijen na een ruzie. Ik heb tijd nodig om haar weer lekker te gaan vinden.

‘Wat is er nou?’ Haar handen blijven halverwege mijn kruis in de lucht hangen.

‘Ik ben even buiten gebruik.’

‘Doe niet zo irritant.’

‘Probeert u het later nog eens.’

Ze schreeuwt dat ik haar haar kind niet gun. Als ik haar Almaartje noem valt dat niet goed. Ik weet dat ik meer moet meeleven. Maar ik heb al zo’n moeite met mijn eigen leven.


Na de Ruslandperiode die een merkwaardig intermezzo lijkt, zijn we allebei weer aan het werk. Het is alleen Alma’s seksdrive die me aan haar kinderwens herinnert, maar als we in het februari voor een korte vakantie teruggaan naar de datsja, komt alles weer in alle heftigheid terug. We denken nergens hetzelfde over. Zelfs niet over reiswekkers. Alma zet het klepje naar voren in plaats van naar achteren, zoals het hoort.

‘Kun je die wekker een keer goed zetten?’

‘Wat maakt dat nou uit?’ Ze neemt niet eens de moeite goed naar de wekker te kijken.

‘Zo staat hij verkeerd.’

‘Hij blijft toch staan?’

‘Ja, naar achter gekanteld. Ziet er niet uit.’

‘Ik kan de tijd zien, daar gaat het om.’

‘Dit was niet de bedoeling van de fabrikant.’

‘Kan mij die fabrikant schelen.’

‘Philips.’

‘Philips, ja. En?’

De ruzie loopt zo hoog op dat de wekker met een boog in de sneeuw verdwijnt. Ik zeg later dat wat mij betreft de bedoeling van Philips niet tussen ons in moet komen te staan. Of zij het daarmee eens is laat ze in het midden.

Als we in slowmotion naar het einde van mijn werkeloze tijd zijn gekropen, gaan we weer terug naar Zwolle. Ze is nog steeds niet zwanger. Maar de keren dat ze ongesteld wordt draagt ze manmoedig. Ik noem haar Nijlpaardje en zeg dat het verdomd trage beesten zijn, dus logisch dat het even duurt.


In de sneeuw vallen details me plotseling op. Alsof ik Alma hier echt goed kan zien omdat haar donkere haar en ogen zo fel afsteken tegen al dat wit. Nu registreer ik pas dat haar glimlach fake is geworden en dat haar blik is veranderd. Als ik voorstel nog een keer naar het bedevaartsoort te gaan, gooit ze een boek naar mijn hoofd. Ik lach, een verkeerde reactie. Ze wil nu ook niet meer vrijen. Dat is nieuw. Het enige wat ze nog doet is de sauna in gaan en naar het wak in het ijs lopen. Ik merk dat ik het onderscheid van het verschillende wit ben kwijtgeraakt.

De eentonigheid die me in Zwolle overviel had niets met de duur van de relatie te maken, realiseer ik me opeens. Een niet-ingevulde kinderwens doodt alles. Wanneer we weer terug zijn moet ze echt minder door de stad gaan lopen en in kinderwagens staren, niet haar pas inhouden als we langs Prenatalwinkels lopen en onmiddellijk zappen als Zwitsal met van die aaibare baby’s op de proppen komt. Misschien moeten we allebei een hobby nemen. Alleen al om het woord.

Alma staat aan het aanrecht in een pan te roeren.

‘Alma...,’ haar smalle schouders staan meteen strak.

‘Het heeft geen zin,’ zegt ze.

‘Er moet iets doorbroken worden.’

‘Ik weet het.’

Ik loop naar haar toe, leg mijn hoofd in haar nek.

‘Kan ik iets voor je doen?’

‘Denk het niet.’

‘Wil je over aannemen praten?’

‘Nee!’

‘Sorry.’

‘Wat weet jij hiervan. Jij bent een man.’

‘Dus?’

‘Je begrijpt er niets van.’

‘Van dit gedrag begrijp ik niets. Klopt.’

‘Rot op.’

‘Wat wil je nou?!’ Mijn stem is te hard.

‘Kin-der-en!’ gilt ze en slaat de voordeur dicht. Ik draai de kookplaat uit. Kijk naar de zielige kip die te bleek is om aantrekkelijk te zijn. De fles is open. Nog maar een glas. Wat zou ik nou net zo graag willen als zij een kind? Een Spyker, de C12 La Turbie, natuurlijk. Graag. Maar als ik die niet kan krijgen word ik niet half gek van verdriet. Een andere baan? Acht ton? Het is niet te doen. Ik kan er niet bij.

Na een koud kwartier is ze terug. Ze probeert iets van een glimlach. Ik moet lachen om de trieste uitvoering.

‘Doe maar niet, Nijlpaardje,’ ze staart naar mijn voeten, ‘Kom eens hier.’

‘Sorry,’ fluistert ze als ik haar in mijn armen heb getrokken.

‘Ook sorry,’ fluister ik terug.

‘Het komt door jou.’

‘Hè?’

‘Jij zou de vader moeten zijn. Alleen jij. Dat had ik bij Pieter en Sven niet.’

Ik laat haar woorden op me inwerken. Iets wordt ergens afgeknepen. We houden elkaar vast. Een deel van haar verlangen slaat op mij over. Ik begrijp een heel klein beetje meer van haar wanhoop. Het is voor het eerst dat we allebei huilen.

De volgende ochtend sta ik voor de deur naar haar te kijken en moet denken aan de eerste keer dat ik haar dat water in zag gaan. Zoals nu. Zonder aarzeling, nee toch, een kleine, ze kijkt op, ik zwaai, ze knikt langzaam alsof ze in trance is en daalt af. Blijft een, twee, drie, vier, vijftien seconden onder water. Het kost me vijfentwintig seconden om bij haar te komen. Ze is verdwenen. Onder het ijs.


Hier in Nederland begrijp ik pas die trage knik van haar. Het was een afscheid. Net zoals haar hand op mijn onderrug en voor ze wegliep het kneepje in mijn hand. Ze heeft geen briefje geschreven. Gelukkig niet. Dat zou onverteerbaar zijn. Als ze geweten zou hebben dat ze mij nog iets moest uitleggen.

Ik zie de rivier. De dikke laag ijs. Het gelaagde wit.

 

© Caroline Ligthart


inhoudsopgave nr. 96


abonneren

Een abonnement op de papieren versie van De Brakke hond kost slechts 32 euro. Klik hier voor een abonnement.

Nummer nabestellen? klik hier.

boekenlinks

Proxis
boekenbank
DBNL

Over De Brakke Hond

De Brakke Hond is geen tijdschrift voor hondenliefhebbers die zich interesseren voor hondenvoeding, hondenverzorging, puppies en hondenvakanties, het bevat 100% literatuur.


nieuwsbrief

Schrijf u in op onze nieuwsbrief "Letters". Vul hier uw e-mailadres in:


AanmeldenAfmelden


Powered by YourMailinglistProvider.com