In de lente sneeuwt het vaak in deze buurt. Het precieze aantal bomen per straat kan variëren, maar in elke straat staan ten minste drie bomen. Allemaal sierkersen. Een paar weken achter elkaar dwarrelen er roze bloemblaadjes door de lucht. Als het windstil is, zijn de straten met bloesem bezaaid. Het geeft het aanzien van de buurt iets frivools en werkt onbewust in op de gemoedstoestand van de bewoners.
De roze blaadjes die hen elke ochtend verwelkomen, stemmen degene eventjes mild, die die dag niet mild is opgestaan. Een fractie van een seconde genereert het de roze wolk, voor degene die net onenigheid heeft gehad met zijn geliefde. Het kouwelijke type voelt de warmte van de roze gloed. Zodra een nuchter mens de wereld instapt, wordt hij of zij overweldigd door een kortstondig dronken gevoel. Heb je zojuist een beslissing gemaakt dan zie je glashelder, dat het de juiste is.
Op de ochtend van haar dertigste verjaardag ziet de wereld roze en met het openen van haar ogen neemt Dola Korstjens eindelijk het besluit om hier te vertrekken.
Even later zit ze rechtop, op de rand van haar bed, met een rood hoofd, in een vreemde houding; licht voorover gebukt, haar benen stijf tegen elkaar, haar bovenlijf ritmisch heen weer wiebelend. Ze knijpt haar ogen dicht. Nu vast blijven houden. Concentreren. Vasthouden. Al haar spieren spannen zich.
Ze heeft er een sport van gemaakt om als ze moet plassen niet meteen naar het toilet te gaan. Een kwestie van zo lang mogelijk de spanning vasthouden. Haar moeder was een fervent plasophouder en die traditie zet zij voort. Een hele eer. Al vraagt ze zich nu af of het wel zo’n eer is. Of ze er niet beter aan doet zich van deze familietraditie te bevrijden. Haar moeder was soms dagen niet gegaan. Ze had elke aandrang weerstaan zonder met haar ogen te knipperen. Ooit had ze het een hele week volgehouden. De prijs die ze ervoor betaald had, was hoog. Haar bekkenbodemspieren bleken na die week overspannen en konden geen druk meer verdragen. Moeder lekte. Telkens als ze zich bukte, hoestte of zelfs maar eventjes lachte, druppelde ze.
‘Het regent weer,’ fluisterde ze dan tegen haar tienjarig dochtertje. Ze had er zo intens gekweld bij gekeken, dat Dola moet huilen als ze daaraan terugdenkt. Het was alsof moeder het verlies van de greep over haar bekkenbodemspieren zag als een verlies van haar greep op alles. Alsof ze met iedere druppel, ook een stukje van zichzelf kwijtraakte.
Het is nu al twintig jaar geleden dat haar moeder plotseling de geest liet. Sindsdien gaat Dola er mee door.
Zij beschouwt de race tegen het plassen vooral als een grote uitdaging. Het vereist precisie en een goede timing. Anderen gaan naar de sportschool om hun biceps te trainen en Dola concentreert zich op het trainen van haar bekkenbodemspieren.
Het gaat vandaag precies goed. Dat geeft de kick: dat het op het randje is. Maar wel nét het goede randje.
Voordat ze de voordeur met volle vaart achter zich dicht kan trekken, wordt ze staande gehouden door haar hospita, die op dat moment de voordeurknop aan het poetsen is.
‘Niet iederéén heeft koper,’ zegt de hospita. ‘Als je dan een koperen deurknop hébt, moet je die toch ook poetsen?’
Dola knikt.
‘Waarom doén ze het dan niet?’, vraagt de hospita.
Waarom niemand die deurknoppen een fatsoenlijke beurt geeft, begrijpt Dola ook niet. Zulke enorme knoppen zijn het zeker niet. Eén keer in de week poetsen zou inderdaad al een hoop schelen. Als je het bijhoudt is het hooguit een kwartiertje werk. Waarom de mensen dat niet doen? Dola haalt haar schouders op.
‘Ik ben een oud mens. Moet ik alle deurknoppen van de hele straat gaan poetsen? Moet ik dat helemaal alleen doen?’
‘Nee zèg.’
‘Wie doet het dan wel?’ De hospita kijkt haar aan.
‘Wie doet het dan wel, als ik het niet doe?’, vraagt ze weer.
Dola begint nu echt aanstalten te maken om te vertrekken.
‘Al het verval begint bij een niet gepoetste voordeurknop,’ begint haar hospita. Dola blijft nog even.
Nu de wind is gaan liggen, ziet ze overal op straat en op het trottoir van die roze hoopjes liggen. Alsof zelfs de bloesem ervan houdt zich te groeperen, alsof dat de natuurlijke gang van zaken is. Wie er voorbij komt, moet eventjes snel tegen zo’n hoopje bloemblaadjes schoppen. De mensen doen het onafhankelijk van elkaar. Alsof ook dat iets natuurlijks is.
‘Als het al niemand lukt om de deurknoppen bij te houden, hoe moet het er dan daarbinnen eruit zien?’, zegt de hospita plotseling fel.
Het netje waarmee haar kapsel bijeen gehouden wordt, snijdt in haar voorhoofd. Bijgetekende wenkbrauwen. Dichtgesmeerde poriën. Witte poederopstoppingen overal op het gezicht. Poeder heeft ook eerder de neiging zich op één plek te groeperen dan zich over het gehele oppervlak uit te laten smeren.
‘Ik moet gaan,’ zegt Dola ferm.
‘Krijg je geen bezoek vandaag?’ De ogen van de oude vrouw stralen recht door haar heen. Tussen de ingewanden, organen, hartkamers en vleesmassa’s vinden ze een plaats waar gedacht wordt en gevoeld. De plaats die Dola Korstjens wordt genoemd. Daar blijven de ogen hangen. Met grof geweld rukt Dola zich daarvan los, draait zich om en maakt dat ze wegkomt.
‘Tot vanmiddag,’ roept de hospita haar na.
Dola loopt flink door nu, de straat uit, op een drafje. Om de nieuwe wending die haar leven zal krijgen, te accentueren.
Ook zij kan de verleiding tegen een berg roze blaadjes te schoppen, niet weerstaan. Ze schopt en loopt meteen weer door, het gezicht in de plooi, alsof er zojuist niets in beweging is gezet. Alsof het een plaatselijk wervelwindje is geweest. De blaadjes kunnen alleen maar wachten op het volgende zuchtje wind dat hen weer bij elkaar zal brengen. Er ligt altijd wel ergens een blaadje alleen. Het blaadje dat in geen enkel verband staat met een ander blaadje. Dat door de wind altijd maar de verkeerde kant op wordt geblazen. Dat in een donkere fietstas valt en nooit meer wordt teruggevonden.
Zodra ze de straat uit is, mindert Dola vaart en raapt een bloesemblaadje op uit de goot.
‘Jij bent niet zomaar van de boom gedwarreld,’ zegt ze, ‘jij bent daar neergelegd. Om de perfectie wat te doorbreken.’
Ze ruikt eraan maar het ruikt nergens naar. Een sierkers wordt ook niet gekweekt om lekker te ruiken noch voor de vrucht. Het gaat bij een sierkers puur om de bloesem. Dola laat het reukloze bloesemblaadje vallen, het komt op de punt van haar schoen terecht en beweegt mee op de maat van haar pas. Ze loopt met rechte rug en een heldere oogopslag. Met een hand in haar zak en haar andere hand nonchalant slingerend langs haar lichaam, een roze blaadje op haar schoen.
Op de plaats waar eerst de kerktoren stond, staat nu een dikke man met een oranje helm. Hij draagt een maatpak met een te krappe oranje hes erover.
Zolang Dola zich kan herinneren staat de kerkklok stil. Maar elke keer als ze er voorbij komt, kijkt ze eventjes omhoog om op de kerktoren te zien hoe laat het is. Ze komt pas achter deze zinloze gewoonte nu de klok met toren en al verdwenen is.
Vrachtwagens, kranen, puinbrekers met Hollenberg sloopwerken erop, rijden af en aan. Mannen met duikbrillen in fluorescerende pakken zijn in de weer met sloophamers, betonscharen en drilboren. De dikke man staat wijdbeens op de brokstukken toe te kijken. Hij wuift naar haar. Alsof het normaal is dat híj daar nu staat, in plaats van de kerktoren.
Dola laat zich niet zo snel verrassen. Als die man dat denkt, heeft die man het mooi mis, denkt ze terwijl ze zich tussen de stalen hekken door wurmt en het roodwit afgezette gebied binnentreed. Als hele kerken afgebroken worden om mij achter mijn zinloze gewoontes te laten komen, betekent dat dat ik op moet schieten voordat de hele straat gesloopt is. Of de stad weggevaagd.
Ze laat zich nergens meer door weerhouden, zeker niet door hem. De man is nu naar haar aan het schreeuwen en klopt daarbij op zijn helm. Misschien is het iets dwangmatigs. Een tic.
De sloopwerkzaamheden worden gestopt. Auto’s zetten hun motoren uit. Voorbijgangers stoppen. Winkels sluiten hun deuren. Rolluiken gaan naar beneden.
Het houdt op. Dola zijgt neer. De wereld stort in. De slopers maken van de ineenstorting gebruik om sjekkies te gaan draaien. Ze hebben natuurlijk niets meer om handen, nu alles vanzelf kapot gaat.
Dola had overal rekening mee gehouden toen ze het besluit nam, behalve met haar hospita en met meteorieten die boven op haar terechtkomen.
Het rode hoofd van meneer Hollenberg - dat staat tenminste op zijn badge -hangt boven haar. Twee zwarte kraaloogjes in een geperforeerd gezicht. Oppassen dat ze nu niet in zo’n zwart gat tuimelt. Ze probeert zich nog vast te houden aan de rand maar er is geen rand. Ze valt. Midden in de mee-eter van meneer Hollenberg. Ze blijft maar vallen en vallen. Tot ze, met een harde klap, neerkomt.
‘Verboden toegang voor onbevoegden,’ zegt meneer Hollenberg, ‘kun je niet lezen?’
Dit is het dus. Het is snel gegaan. Sneller dan verwacht. Ze is dood, in meneer Hollenberg ontslapen. Ze ligt er netjes bij. De mond is al gesloten. Benen naast elkaar. Ze doet ook haar ogen snel dicht, voor hij het doet.
Heden heeft ons voortijdig verlaten: Dola Korstjens. Oorspronkelijk werd ze Dora genoemd maar omdat de ambtenaar bij haar aangifte de ‘r’ voor een ‘l’ had aangezien, is het Dola geworden. Op de lagere school: Cola. Ze werd getroffen door een meteoriet van de firma Hollenberg. Gelukkig heeft ze niet veel pijn hoeven lijden.
‘Meissie, ik had je nog gezegd dat je hier niet moest lopen. Die hekken staan hier niet voor niets. Hier wordt gewerkt!’ Meneer Hollenberg, met een rasecht Hollenbergs accent. Zijn stem reikt ver. Helemaal tot in het dodenrijk.
‘Je had hier niet mogen zijn! Dit is verboden terrein!’
Dola voelt zich wanhopig worden. Als zij zelfs op haar laatste rustplaats niet op haar plek is, waar dan wel?
‘Schiet eens op meissie.’
Ik ben net thuis, denkt ze geërgerd, laat me met rust. Laat me even acclimatiseren.
‘Kom es recht overeind!’
Ze is al geheel onverwacht heengegaan en alsof dat niet erg genoeg is wordt ze daarbij nu ook nog lastig gevallen door ene meneer Hollenberg. Hij schept er blijkbaar genoegen in om de rust van de doden te verstoren. Even de ogen open dan maar. Voor een serene doch onverbiddelijke blik.
Het ziet er thuis niet helemaal comfortabel uit. Geen witte tunnels, groene weides of engelenmuziek maar puinafval, betonvergruizers en drilboren. Geen moeder die haar opwacht maar een dikke fluorescerende man.
Dola was bij leven een inschikkelijk type geweest en dat is ze nu nog steeds. Al maakt deze meneer het wel erg bont.
‘Je mot wat eten meissie. Dan kom je wel weer bij.’
Ze kunnen met je doen wat ze willen, realiseert Dola zich als haar dode lichaam omhoog gehesen wordt. Ze wil blijven liggen. Maar meneer Hollenberg kent geen pardon. Hij zet het lijk rechtop. Het lijk wankelt. Logisch. Een lijk is niet gemaakt om te lopen. Maar dit lijk wel. Omdat het zo’n inschikkelijk lijk is.
Dola kan best doen alsof ze leeft als meneer Hollenberg dat graag heeft. Dat is het probleem niet. Het probleem is dat ze net is thuisgekomen en nu alweer weg moet.
De fluorescerende slopers trappen hun sjekkies uit op haar thuisgrond.
Auto’s worden gestart. Voorbijgangers slenteren verder. Winkels worden open gemaakt. Rolluiken gaan omhoog. De wereld wordt razendsnel opgebouwd, alleen omdat meneer Hollenberg daar op staat. Zodra hij weg is, zou ze terug gaan. Dood is dood. Dat verander je niet zo één twee drie.
Het lijk wordt bij de arm genomen en meegesleurd naar de dichtstbijzijnde snackbar. Dola houdt er niet zo van bij de arm genomen te worden. Ze worstelt zich los. Als ze toch gedwongen wordt te lopen, loopt ze liever alleen. Ook al is het natuurlijk van den zotte. Dat je je als lijk nog los moet zien te worstelen. En moet lopen.
De snackbarjuffrouw bedient eerst meneer Hollenberg. Ze probeert zo normaal mogelijk te kijken als ze wijlen Dola Korstjens een bord frikadellen en een blikje cola voorzet. Ze doet natuurlijk alsof ze het gewend is overledenen te bedienen. Klanten zijn klanten.
‘Voor de schrik.’ Meneer Hollenberg trekt zijn blikje open. ‘Proost!’
Ze kijkt naar het bord voor zich. Ze had liever friet gehad, als ze had mogen kiezen.
‘Je hebt geluk gehad meissie,’ zegt hij, ‘dat je er zo goed vanaf gekomen bent.’
Hij ziet het niet, wíl het niet zien. Meneer Hollenberg sluit zijn ogen voor de dood, terwijl dat toch de normaalste zaak van de wereld is. Ze neemt een slokje van de cola en lacht vriendelijk naar hem. Als hij zichzelf voor de gek wil houden, is het zijn probleem.
‘Toe dan. Eet dan,’ dringt hij aan.
Ze had nooit gedacht dat haar laatste maaltijd uit drie frikadellen speciaal zou bestaan. Bij leven heeft ze ze niet gegeten. Omdat ze uit gemalen varkensogen en gepureerde koeienuiers bestaan. Ze had helemaal nooit kunnen denken dat ze ze na haar dood wél zou eten. Maar ze eet frikadellen en het valt haar alleszins mee.
Misschien verandert je smaak na het overlijden?
In een mum van tijd heeft meneer Hollenberg alles op, veegt zijn bord schoon met een dikke witte vinger, om deze daarna af te likken. Hij leunt achterover, zucht voldaan en zegt: ‘Waarom zeg je niks?’
In haar toestand hoor je helemaal niet te spreken maar dat wil hij niet begrijpen.
‘Eet maar lekker. Ze hebben hier de beste frikadelletjes van de stad. Dat is het beste medicijn tegen alles, zeg ik altijd maar.’ Meneer Hollenberg zet zijn helm weer op en loopt naar de kassa.
‘Zul je net zien,’ zegt hij tegen de snackbarjuffrouw, ‘halen we een muurtje neer, loopt er zo’n meissie, flikkert het muurtje nèt de verkeerde kant op. Stel dat die hele puinzooi op het meissie gevallen was dan had ik ervoor op kunnen draaien: Meisje wordt verpletterd. Hollenberg negeert veiligheidsvoorschriften. Terwijl ik zo ongeveer de hele stad afzet voor die veiligheid. Maar als de meissies zich dan nog tussen de hekken door wringen, wat mot ik daar dan aan doen?’
De snackbarjuffrouw probeert meneer Hollenberg nonchalant zijn wisselgeld terug te geven maar ze kan haar ogen niet van het stoffelijk overschot afhouden.
Dit wordt nog wel erger, denkt Dola, als ik straks opgebaard lig en alle ogen op mij gericht zijn.
Een zaal vol bedroefde vrienden en kennissen keken naar haar en gaven elkaar zakdoekjes door. Haar vader, verblind door tranen, moest ondersteund worden door haar beste vriendinnen omdat het nog erger was om een dochter te verliezen dan een vrouw. Dola kijkt eens goed: de ruimte waarin zij opgebaard lag, zag er angstaanjagend leeg uit. Haar vader was er. En haar hospita. Verder waren alle stoelen onbezet. De medewerkers van het uitvaartcentrum zeiden tegen elkaar dat dit lijk bij leven een onuitstaanbaar karakter moest hebben gehad. Het was een schril contrast met haar moeders afscheid, waar ze wachtlijsten moesten maken voor de laatste bezichtiging: zoveel vrienden en kennissen had zij.
‘Voortaan niet meer binnen de hekken lopen meissie,’ roept meneer Hollenberg.
Het betreurt Dola dat haar vertrek zo plotseling komt. Nog voordat ze aan het maken van bedroefde vrienden en kennissen toegekomen is.
Voordat meneer Hollenberg de snackbar verlaat, draait hij zich nog een keer om. ‘Je komt wel thuis hè?’ Hij is weg.
Daar zit ze dan. Ze heeft nog één frikadelletje te gaan. Nu meneer Hollenberg er niet meer is, kan ze niet ineens, ter plekke, doodvallen. Het is nog altijd een snackbar. Ze neemt een hap van haar laatste frikadel en denkt aan de lijkwassing. Voor het opbaren is er eerst het wassen. Alles moet gewassen worden. En grondig want het is voor het laatst.
Dola’s naakte lijk werd opgepakt door twee lijkwassers. Omgedraaid. Een plank in vreemde handen. Haar vader bekeek haar van een afstandje in de hoop iets van haar moeder terug te zien. De lijkwassers constateerden: blubberige buik, deed niet aan sport. Ernstige cellulitisvorming op de dijbenen. Vagina, wildgroei tot aan de bovenbenen. Schaamlippen; reusachtig.
‘Misschien was het wel een mannetje,’ fluisterden ze tegen elkaar, ‘lijkt wel een klein slap piemeltje hier.’
Blaas: overvol. Haar vader voelde zich even geroerd, die blaas herkende hij tenminste van zijn vrouw. Het streven om zo min mogelijk plasjes te doen. Meer van haar zag hij niet terug in zijn dochter. Zelfs niet als hij door zijn oogharen keek. Dola’s moeder had altijd veel aan lichaamsverzorging gedaan. Op haar borsten had geen enkele haar ooit de kans gekregen om uit te groeien. Vader barstte in huilen uit. De lijkwassers zeiden snel dat het moeilijk voor hem moest zijn.
‘Ze was vast heel lief.’
Vader blijft huilen.
‘Wat deed zij eigenlijk bij leven?’, vroegen de lijkwassers toen maar. Een veilige vraag, dachten ze.
Zelfs als lijk wist ze haar vader en daarmee haar moeder in het graf nog in verlegenheid te brengen. Vader begon nu echt te janken.
Ze heeft alleen maar wat voorbereidingstijd nodig. Dola Korstjens maakt haar bord schoon met haar vingers en likt de mayonaise en ketchup resten eraf. Zolang ze haar kaken blijft bewegen, verstijven ze niet. Zolang ze de techniek van het ademen beoefent, zal haar bloed niet stollen. Zolang ze de mechaniek van het denken traint, zullen hersenen blijven werken. Zolang ze het hart laat pompen, haar lichaamsvocht niet vergeet te filteren en ze het verteringsproces in gang houdt, zal het best gaan. Het ontbindingsproces is moeilijk en uiteindelijk helemaal niet tegen te houden maar je kunt het wel iets oprekken. Dola bevoelt haar gezicht met haar vingertoppen, de huid zit er nog netjes omheen. Maar die zal loslaten. Dat is een van de eerste dingen die gebeuren: ze zal opzwellen. Verkleuren. Totdat verdere aanpassing onmogelijk is.
Op de namiddag van haar laatste verjaardag ziet de wereld zwart maar vlak voordat ze de snackbar verlaat, neemt Dola Korstjens het besluit de dood op te houden als een plasje.
Het is een kwestie van de spieren aangespannen houden. Ze is erin getraind. Ze kan het in elk geval langer dan de meeste mensen.
Als ze opstaat moet ze zich aan de tafel vastgrijpen om niet te vallen. De snackbarjuffrouw houdt haar nog steeds in de gaten. Dola zwaait haar vriendelijk gedag. Haar polsgewrichten bewegen wat stijfjes. Ze weet niet of ze nou altijd zo waren of dat het iets nieuws is. Nu vooral niet ook nog hypochondrisch worden
‘Kijk uit,’ roept de juffrouw maar Dola is al in volle vaart tegen de glazen deur aangelopen. Ze had niet gezien dat daar een deur zat. De klanten lachen besmuikt. Een kind lacht luidkeels. Eventjes denkt Dola Korstjens aan de totale ontspanning. Om het helemaal op te geven. Om hier ter plekke te overlijden. Dan zal het lachen hen wel vergaan. Maar de gedachte aan haar ouders weerhoudt haar. Ze proeft bloed in haar mond. Een dode met een bloedlip.
‘Gaat het wel?’ De snackbarjuffrouw is snel achter de toonbank vandaan gesneld en houdt de deur open.
‘Het is allemaal nog even wennen,’ stamelt Dola, ‘maar dat had u gezien natuurlijk.’
De snackbarjuffrouw knikt vriendelijk naar haar.
Het begint gewoon te regenen. Er loopt een overschot over het kruispunt en terwijl de lucht steeds donkerder kleurt en de mensen in de buurt winkels invluchten, trams instappen, onder afdakjes schuilen, dringt de ernst van de hele situatie tot haar door. Voor haar nieuwe leven kan beginnen, is ze van de prelude rechtstreeks in het nawoord terechtgekomen. Met elke dag die verstrijkt, verstrijkt ook haar houdbaarheidsdatum.
Ze ziet het doorweekte bloesemblaadje dat op haar schoen geplakt zit. Het blaadje zal eerst opdrogen. Bruin worden. Dan inkrimpen. Tot er niets meer van over is. Het blaadje weet er niets van. Dat is het grote verschil tussen haar en de bloesem van een sierkers.
Een luid claxonneren. Een automobilist draait zijn raampje naar beneden:
‘Wil je dood of zo?’
Dola staart hem aan. Wat een vraag. Natuurlijk wil ze dat niet. De wil is ondergeschikt in deze. Dat moet hij toch ook weten. Het leven is maakbaar maar van de dood kun je dat onmogelijk beweren.
‘Je bent een gevaar voor jezelf!’
Het gevaar voor zichzelf staat midden op het kruispunt van het Victorieplein, waar de regen in haar gezicht striemt, auto’s en bussen voorbij razen, luid bellende trams rakelings langs haar heen scheren, er met dit hondenweer in de verste verte geen mens zich nog op straat waagt en de victorie en zij verder dan ooit van elkaar verwijderd zijn.
Ze moet terug naar huis want ze is nat, doornat. Ze kan er nu geen verkoudheid bij gebruiken. Rennen is goed om de spieren warm en het bloed draaiende te houden. Ze moet blijven bewegen.
Alle bloesem is weg geregend. Haar buurt bestaat uit een twintigtal symmetrische rijen van identieke huizenblokken met identieke voordeuren en identieke voordeurknoppen. Een fonkelend lichtje springt in het oog. Daar moet ze zijn. Met één hand steekt ze de sleutel in het slot, met de andere hand pakt ze de glimmende koperen deurknop vast; de huid ziet er nog goed zalmroze uit. Ze loopt regelrecht in de armen van de hospita. De koffie en de cake blijken al geruime tijd klaar te staan.
‘Ik ben wel nat,’ zegt Dola als ze naast haar hospita op de bank plaatsneemt. Wie nat was, moest binnen niet al te lange tijd droge kleren aan.
‘Ik ben doornat,’ probeert Dola weer.
‘Ik heb de cake speciaal voor je verjaardag gebakken.’
‘Wat lief van u.’
‘Ik dacht dat je vader ook zou komen.’
‘O.’
‘Je moet wel je best voor hem doen hè,’ zegt de hospita streng, ‘het is je vader.’
Die avond zit het karkas zichzelf aan de keukentafel met vereende krachten bij elkaar te houden. Ze heeft een vel papier voor zich. Boven aan haar nog te doen lijstje staat: vrienden en kennissen maken. Bij hen een goede indruk achterlaten. Omdat dat alles is wat er van haar overblijft: goede indrukken in het hoofd van een ander. Die heeft haar moeder ook veel achtergelaten. Bij iedereen.
Daarna komen de praktische zaken, zoals: buik eraf trainen. (O nee, die slinkt nu vanzelf. Voordeel!) Netjes bikinilijn scheren. Nette onderbroek aan. Oneffenheden verwijderen. Zodat haar vader zich niet hoeft te schamen. En haar moeder ook niet.
‘Perfect! Ik wist wel dat je een beetje op mij leek,’ zei moeder terwijl ze haar dochter goedkeurend bekeek, ‘ik heb jou toch gemaakt.’ Ze ging door: ‘Wat ben je groot geworden. En mooi. Wat kun jij alles goed. Wat ben jij geliefd. Wat heb jij veel vrienden gemaakt in je leven. Veel meer dan ik er ooit gehad heb.’
Ze moet ook nog een afscheidsspeech schrijven waarin ze iedereen bedankt. Voor alles. De hospita. Voor de verjaardagscake.
Dola slikt een paar keer. Ze krijgt de brok haast niet weg. Slikken gaat moeizamer maar haar traanklieren werken nog goed. Gelukkig.
De twee nachten die volgen, zal ze wakend doorbrengen. Woelen, draaien, licht aan, telkens weer op die wekker kijken, opstaan, iets drinken, even kuchen, liedje zingen. Om maar alles te laten stromen. Het is moeilijk om in je eentje dat hele apparaat in werking te houden. De onmenselijke taak waar Dola voor staat; ademen, verteren, bloed rondpompen en meer van die dingen. Lampje aan, lampje uit, even verifiëren hoe ze erbij ligt. Of ze er nog ligt. In het donker denkt ze steeds dat ze niet meer dan een muffig luchtje is met een stem. Als die stem weg is, is alles weg. Slaap is directe familie van de dood. De derde nacht, de uitputting nabij, wordt ze erdoor overmand. Zo komt Dola erachter dat ook de doden slaap nodig hebben.
Een paar dagen na haar heengaan is het alweer gewoon en houdt Dola de dood net zo gemakkelijk op als het gemiddelde plasje. In het voorbijgaan kijkt ze nog steeds op de fantoom toren hoe laat het is. Zo’n toren blijft nog wel een tijdje staan nadat die gesloopt is. Laat zich niet zomaar weghalen. Zoals een zinloze gewoonte ook niet zomaar verdwijnt.
Zodra ze de snackbar binnenkomt weet de juffrouw het al: ‘Drie frikadelletjes speciaal met extra mayo.’
Er valt niet tegen de dood op te eten. Het is meer een kwestie van het vetgehalte op peil houden.
‘En een extra grote cola?’, vraagt de juffrouw.
‘Zo noemden ze me vroeger.’
‘Wat?’
‘Cola.’
‘Zei ik. Extra grote.’
Dola hoeft alleen nog maar te knikken en te gaan zitten. Opmerkelijk hoe snel alles went. Natuurlijk, haar fysiek verandert al kan ze zich haar fysiek van voorheen niet meer echt herinneren Over het algemeen denkt ze dat ze nu wat rilleriger is. Ze heeft doorlopend koude voeten, koude handen. IJsklompjes. Niet aan het weer gerelateerd. Ook begint ze over het hele lichaam, heel lichtjes, te zwellen. Maar dat is zo’n geleidelijk proces dat het zich aan het oog van de mensen onttrekt. Als de mensen al iets denken, denken ze dat het een kwestie is van te veel vocht vasthouden.
Haar vriendin, zo mag je haar nu intussen wel noemen, legt de bestelling in het vet. Voortaan gebruikt ze de lunch bij haar in de zaak, aan hetzelfde achterste tafeltje, bij hetzelfde raam. Daar zit Dola te wachten totdat zij de bestelling komt brengen.
Een beetje vriendin hoor je met enig regelmaat te zien. Het zal niet lang meer duren of ze zal aanschuiven om bij te kletsen. Misschien nu al wel. De cliëntèle is momenteel toch niet groot.
Dola zal vragen hoe ze heet. Dat is wel het minste dat je als vriendinnen uitgewisseld moet hebben.
Buiten zijn de Hollenberger slopers bezig de funderingen met de hand los te beitelen. Meneer Hollenberg is er niet. De kerk is helemaal met de grond gelijk gemaakt. Op de plaats waar zij het leven heeft gelaten, staat een grijze container. Voor restafval.
De laatste hap frikadel. Dola kijkt de snackbar rond. Morgen maakt haar vriendin tijd voor haar vrij. Morgen zal Dola haar naam vragen. Morgen zal de snackbarjuffrouw de televisie uitzetten om eens rustig bij haar nieuwe vriendin te gaan zitten. Dan zal het gebeuren: het bijkletsen. Ze kijkt wel veel televisie. Als ze niets aan het frituren is, kijkt ze televisie. Soms doet ze het allebei. Met een oog de televisie in de gaten houden, terwijl ze de frikadellen in het vet gooit. Maar als ze dat nou zo graag doet, kunnen ze het morgen misschien samen doen? Zittend aan het achterste tafeltje, bij het raam. Samen televisie kijken.
Dola kucht even, loopt rood aan en gaat op het puntje van haar stoel zitten. Voorover gebukt, haar benen stijf tegen elkaar, wiebelt ze haar bovenlijf ritmisch heen en weer. Ze knijpt haar ogen dicht. Nu vast blijven houden. Concentreren. Vasthouden. Al haar spieren spannen zich.
Met haar vingertoppen bevoelt ze haar gezicht, beweegt haar kaak, doet haar ogen open en weer dicht, schudt haar armen en benen uit.
Ze houdt het wel tot morgen.
| |
Een abonnement op de papieren versie van De Brakke hond kost slechts 32 euro. Klik hier voor een abonnement.
Nummer nabestellen? klik hier.
De Brakke Hond is geen tijdschrift voor hondenliefhebbers die zich interesseren voor hondenvoeding, hondenverzorging, puppies en hondenvakanties, het bevat 100% literatuur.
Schrijf u in op onze nieuwsbrief "Letters". Vul hier uw e-mailadres in: