Terug naar de cover
Terug naar de inhoudstafel

Bart Vonck

Wat het wordt: oplossingen

Wat ten slotte iets in hem verloor, uitdijt, aantrekt en afbeult: magma, dat: wat niet wegneemt, verklonk, zich aandient, niets meer voorstelt: wat niets en niemand ontraadselt - wat het ineens had kunnen worden.

Van aarde oplost in water, van vast in vloeibaar.

Wat losgerukt zich aan alles onttrekt, antwoordloos een gat slaat in zichzelf, niet tot hem doordringt, hem boosaardig ontzegd wordt.

Wat niet ten einde toe doorgevoerd in het luchtledige hangt en elke orde te buiten moet gaan, in conflict komt: daar, opeens!

Wat overal en nergens thuishoort, dat: door een offer geremd, na afkoeling gestold, bezworen, bezongen, bewaard.

Wat uitgespuwd niet onmisbaar is, misbaar maakt, door verstrengeling openbaart, niet aangeraakt mag worden, omslachtig geweerd, gekneveld rouwt om zichzelf.

Wat buiten zijn weten om dwaalt, slentert, onvermoeibaar: wat niets en niemand, in evenwicht, tegengesteld, toegeschreven en niet getemperd beschut, dát (en het kent hem, nergens van).

Wat hij nodig heeft, wat ontwricht, toch.

Wat het voorwendsel beteugelt, eerbied botviert, erom vraagt, schaamteloos, nooit antwoordt maar uitgebreid ten tonele verschijnt, grillig straft wat ontmoedigt: in ere hersteld en stilzwijgend uitgewist.

Wat beschouwd wordt, desondanks.

Wat de wet voorbij droomt, in het dierlijke huist, onzuiver en gekortwiekt, onverkort terugneemt wat het nooit bezat, dát.

Van water in vuur, van vloeibaar in warmte.

Wat zich meer dan ooit laat grijpen, niet vliet maar water is en lekt, verbiedt en diepste reden is of niet.
En wat hij zich heeft laten aandoen, kiest nog vóór hij kan kiezen, onvermijdelijk herroept, woekert: waaraan iedereen blootstaat, tekortschiet.

Wat nooit gestoord wordt, niet wezenlijk raakt aan wat af en onaf - af en aan - onvolledig toonbaar, dát.

Wat troostbaar vanuit leegte wenkt, op vergetelheid is ingesteld en daarom zo aangescherpt in hem postvat, er nu niet meer is: wat dat wel zou zijn.

Wat hem ziet en hij niet, hem eraan herinnert, op zichzelf terugplooit.

Wat ze zingen, zoemen, soms zelfs branding (geen zee, nee, echt zonder zee maar toch golvend).

Wat betovert, ontluistert; wat niemand kan weerstaan, aanzuigt, hem gebiedt, vastgesjord aan de mast (de zee, opnieuw, het water) er het leven bij inschiet.

Wat niemand kan ontgaan, zich geen houding vindt, niet zoekt, ook hem ontgaan is, intimideert om te verbergen.

Wat hem in geruisloze verte wegdraagt.

Wat inspeelt op, niet echt wil horen, opvangt, neuriet, vluchtig aanraakt, in gezang gelooft en erin stokt en ook niemand kan zijn.

Wat het nooit geworden is en zo goed als ineens had kunnen worden, niets meer is dan wat daartussenin ligt, dát.

Van vuur in lucht, van warmte in wind, energie en beweging.

Wat de held goed uitkomt, door tekort getekend is maar hangen blijft, ergens wel van op de hoogte is maar er niet aan toekomt.

Wat hij veinst en verkiest te verbergen, wat hij weet en er niet is. Wat danst en zingt en doolt en weifelt, er niet op afgaat, helemaal niet zeker is of toch, zomaar rondwaart:

wat van alles (ach ach) het ware had moeten worden (wat niet kan) en daarom door nabijheid niet meer treft.

Hij zegt maar wat. Maar wat? Wat hij maar bedoelt. En niet eens dat! Omzeggens. Bij wijze van. Bij wijze van spreken. Als het ware. Zoals men beweert. Weet je wel. Allicht. Wie weet.

Wat misschien. Wellicht. Ach wat zou het. Zie je. Wat men ook zegt. Toch? Wat met andere woorden. Juist. Zoiets. Iets als. Dan toch maar. Weet hij veel. Ook dat nog. Gaat in rook op. Ook dat. Wie weet.

Wat onderweg vastloopt, wat hij ‘zou kunnen zeggen’ en zomaar dat alles lijkt, niet wegneemt, in deze tekst: vervallen, ingewoond, uithuizig blijft, made, worm in het lijk, kadavervrees, een of ander verlies.

Wat aan wat hij zegt niet toekomt, hij ergens anders net niet is, nooit is geweest, nergens ergens anders is, nooit iets weet, wat hem overbekend voorkomt.

Wat in geen andere woorden, dat, precies, zoëven, vanuit de afgrond, vluchtig gelezen, telkens weer daarna en daaraan voorafgaat, niet zou bestaan, na hem te hebben ontmoet.

Wat niet betekent dat alles, dat alles verloren is, al. En toch.

Van lucht in ruimte, van beweging in loutere, pure mogelijkheid.

Wat al uit wat nog komt of is geweest, ongunstig is gezind en
al een tijd geleden kwam als dood gewicht, als springtij in de eindtijd oproepbaar is.

Wat we werkelijk tot ons toelaten, niets van zichzelf wil weten, alles uitwist, ook de foto, niet meer wordt bewonderd, losgeslagen kennis is en niets, zijn kracht verliest, teloorgaat en zich nog thuisvoelt bij zichzelf.

Wat aandringt en bezweert, zwicht onder de tijd: wat ze nooit zijn geweest en altijd zijn geworden.

Wat postuum een holte uitspaart in de tijd, geheim verwijdt, verzwijgt niet in hun taal of de zijne, ontsnapt, tot hier de stem, tot daar het licht en zelf niet durft vermoeden.

Wat in zwakte, wat dan ook te zeggen heeft en leeg en ijdel is, voor lief de tekst neemt in bezit, waarzegt en liegt, wat?, waar?

Wat in het beste geval, verwrongen, ervoor en erna teistert, verbrandt, door de spiegel, uitsluit en bevordert, niet is toegestaan, zijn doel voorbijschiet, niets wordt (ten slotte).

Wat van woede doordrongen, hemzelf ontgaat, veinst, achter bekentenis verdwijnt, niemand bedoelt, uitloopt (zijn deel kwijtgespeeld), vernedert, vernederend is.

Wat hij ook maar, ontkent, opschort, bekend is uit noodzaak, ook dát.

Wat men verborg, zich niet meteen prijsgeeft, zich toch alom verspreidt, zich uitbreidt, onvermijdelijk, stoutmoedig mislukt.

Wat alsof is, wat hij heeft gezegd, beweerd, verstrikt zit in schrijven (wat geen beweren is), aan de orde, op het spel, raak kletst, zijn tijd heeft gehad.

Wat als geheel in het geding over veel meer gaat, een brede vlucht neemt, gebeurt, hij al weet, dát.

Wat als onzinnige gril, zelfs al beter zou zijn, ontbreekt, ons, hij toch maar, hij te zeer, een aandeel heeft, zich werkelijk zou laten horen, hij niet, hij niet weet.

Wat hij wantrouwt, hem gevangen zet, door iedereen wordt aanvaard, ontvangen.

Van lucht in groot, ledig, helder, klaar.

Wat blind blijft woeden, op onszelf achterloopt, deel van het geheel is, uitmaakt, over de wereld afgeroepen wordt, crisis is, in crisis is, al te snel, weg.

Wat de weg naar buiten vindt, door hoop en wanhoop heen, getekend of gekwetst, het uithoudt, we niet meer weten.

Wat altijd weer komt bovendrijven, ver van de wurggreep van de wet, gedijt, je meer laat verwachten, begint te klapperen, als een open wond, hen ontmenselijkt!

Afsterft, oplost.

Wat een kokende modder!

Wat vernieuwing, zinloos maakt, moest worden afgemaakt, het nooit wordt, voor het oprapen ligt, niemand meer aanhoort.

Wat het mensenbeest, fout, heel traag en nog trager, verwoest en verwoestend, zichzelf aandoet. En op zichzelf geen kijk biedt. Wat hij zoal denkt te weten.

Wat de tijd doet. Wat de tijd laat verstrijken.

Wat, dát: het laatste wat hij wil en dát niet is, wat niet, wat niet is en niets. Wat wordt:

grote ledigheid, helder licht.