


|  |
Jean-Marie de Smet
Het sneeuwt in de kamer
Het sneeuwt in de kamer. Een man komt naar binnen. Beste stoelen en tafels, zegt hij. Hij heeft een reiskoffer bij zich. Hij draagt een masker.
Een vrouw die bij het raam zit vraagt : kan hij horen wat we tegen elkaar zeggen ?
Hij, dat ben ik. Maar wie ben ik ?
Ik vraag wie ik ben, maar niemand antwoordt.
Het blijft maar sneeuwen in de kamer. De man raakt helemaal ondergesneeuwd. Hij opent de deur en laat de blauwe lucht naar binnen.
De kamer wordt een landschap vol grijzen en met hier en daar een toefje groen, de vage contouren van een kerk, of een kasteel.
De vrouw aan het raam wist de sneeuw van mijn voorhoofd, mijn ogen, mijn handen. Ze fluistert iets in mijn oor, zoete woorden.
Wie ben ik, vraag ik. Ze antwoordt niet.
In welke kamer ben ik ? Als ik weet in welke kamer ik ben, dan weet ik wie ik ben. Kamers zeggen wie je bent. Kamers hebben een ziel, kamers hebben ogen en handen en een zeer gevoelige huid.
Ik weet wie ik ben als ik de sneeuw op mijn huid voel.
|