Terug naar de cover
Terug naar de inhoudstafel

Jean-Marie de Smet

Ik is een ander

We liepen samen langs het water en zochten naar woorden die ons leven zouden samenvatten, die zouden zeggen hoe het is liefde te voelen dat ouderwetse gevoel dat enkel nog in boeken leeft, of in films uit de jaren dertig en af en toe in een hopeloos gedicht.
Ze zei: laten we een paar woorden schrappen of gewoon vergeten, dat is beter. Het was alsof ze stukken van mijn lichaam wou afhakken, ten minste de delen waarvan ze zei dat ze niet meer functioneerden.
Ze zei: er is te veel schaduw, laten we in de zon lopen. Maar er was nergens een sprankje zon te bekennen, er was alleen het licht van een ouderwetse lantaarn.
Ze beweerde dat het de zon was die zich had verkleed en die niet wou dat we haar zouden herkennen.
We probeerden ons te herinneren wat we vergeten waren. Beelden op ons netvlies, vingerafdrukken op onze ziel. Vergeten is een rustgevend gevoel, zei ze. Kom, laten we alles vergeten.

En toen achter in de tuin, terwijl ze lag te wentelen in een bed van dode bladeren,
haar ogen samengeknepen zoals op de mooiste foto die ik ooit van haar maakte - de foto van haar radeloze verliefdheid.
Toen zei ze terwijl ze al een jaar niet meer gesproken had, een jaar dat ze zichzelf in een te kleine cel had opgesloten en dat ze haar pijn op de muren had geschilderd. Pijn in de vorm van een allang gestorven kind zonder ogen zonder armpjes.
Een kind is een gebalsemde wonde, zei ze
Ze stak haar armen in de lucht, alsof ze haar pijn weggooide - hup, alles weg. Al het geluk van de voorbije jaren viel uit elkaar als een verteerde mummie.
Ze zei: ik is een ander.