Subject: Re: themanummer over het prozagedicht FROM: XAVIER ROELENS To: Herlinda Vekemans Subject: Re: themanummer over het prozagedichtDate: 10 Februari, 2007 De misinterpretaties van dichters of gedichten zijn drastischer dan de misinterpretaties of de kritiek van critici. Dit is echter slechts een gradueel, en geen kwalitatief onderscheid. Interpretaties bestaan niet, er bestaan slechts misinterpretaties. Op die manier is elke kritiek een prozagedicht. (Harold Bloom) Dag Herlinda, Eerst een aantal praktische vragen. […] De meer fundamentele vraag waar ik mee zit, is: wat is een prozagedicht? Het standaardantwoord “een gedicht dat eruit ziet als een paragraaf van een roman”, of: “een gedicht waarin niet de dichter, maar de breedte van de zetspiegel de visuele vorm van het gedicht bepaalt”, zijn - we mogen het niet vergeten - historisch bepaald. Het is pas op momenten waarop de visuele aanwezigheid van een gedicht het overwicht neemt op het auditieve dat er ook visueel gespeeld zal worden, zoals de Calligrammes van Apollinaire of Bezette stad van Paul van Ostaijen, of (als rechtstreekse voorlopers hiervan) de prozagedichten van Baudelaire, Rimbaud, enz. De geschiedenis kennen jullie beter dan ik. Ik bedoel maar: het prozagedicht ontstond om een reden en wat kan een verantwoording zijn om die visuele vorm te gaan herhalen? Dat is de belangrijkste vraag die me bij jouw uitnodiging bezighoudt. Wat ik boeiend vind aan een prozagedicht vieux cru is het prozaritme en het verhalende aspect – aspecten waar prozagedichten hun waarde bewezen hebben en dat nog altijd doen. Een prozazin loopt heel anders dan een vers, een paragraaf heel anders dan een strofe. Een goede dichter om dat te beseffen, is Gertrude Stein. Zij heeft, in mijn wereld, als eerste de paragraaf gepoëtiseerd en zo een vruchtbare grond tussen poëzie en proza geopend. Hedendaagse dichters als Nachoem M. Wijnberg en Dirk van Bastelaere (en Eva Cox) zitten ook vaak in dat tussengebied en vanuit prozakant denk ik aan de romans van Wijnberg, maar ook aan een boek als Zwerm van Peter Verhelst, dat voor mij zijn kracht hoofdzakelijk haalt uit zijn dwingende ritme, of aan De verwondering van Hugo Claus. En een gedicht hoeft er voor mij niet als een paragraaf uit te zien om van invloed van het proza te spreken. Er is veel verhakseld proza dat zich als poëzie wil verkopen, maar soms wordt het ook poëzie. Ik herinner mij dat K. Michel verschillende prozaïsche gedichten in zijn bundel Waterstudies heeft, bijvoorbeeld ‘Vers twee’ (je moet deze geannoteerde versie zeker eens bekijken: http://www.dichterinhetweb.nl/michel.swf). Het gedicht leest als een kortverhaal met drie ondoorgrondelijke bijbelse woorden als hoofdpersonage en waarbij de ontknoping geen verhalend element is, maar een flits van inzicht. Er kunnen zoveel invloeden opgesomd worden, zeker als we ook het non-fictieproza erbij betrekken. Om nog één voorbeeld te geven: vooral in Nederland heb je, na een eerste opstoot in de jaren zestig, een heropleving van de (bewerkte) readymade. Mijn favorieten zijn de readymades van Mustafa Stitou, het gedicht “Konvooi op drift” van opnieuw K. Michel (gebaseerd op een krantenartikel over badeendjes in de Barentszee) en de reeks ‘Staat verzekerend’ van Alfred Schaffer (gebaseerd op de brochure Wat wordt er gedaan tegen terrorisme? En wat kunt u doen?). In de readymade ironiseren het poëtische en het prozaïsche elkaar (al kunnen ze elkaar ook intensifiëren, zoals ik al het voorrecht had te mogen ontdekken in de bundel-in-wording van Maurice Buehler – dat wordt een hele goeie bundel). Zo’n gedichten nemen net weer het zicht van een gedicht aan en breken bewust het prozaritme zodat enkel nog de prozaïsche toon overblijft, opgeslorpt door die vuilnisbak aan inspiraties die poëzie heet. Dan is de tweede belangrijke vraag: wat kan men daar tegenover stellen? Hartelijke groet, Xavier
|
|
|||||||||