Terug naar de coverTerug naar de inhoudstafel

Pas gekend is het ongekende wanneer het als ongekend wordt gekend, enkele kanttekeningen bij een prozagedicht van Dirk van Bastelaere

Patrick Peeters

Whatever People Say I Am, That Is What I Am Not
     Arctic Monkeys

1.

Het prozagedicht is een kameleontisch genre dat zich op zoveel verschillende manieren kan manifesteren dat het zich voortdurend aan elke vorm van genredefiniëring lijkt te onttrekken. De meest gangbare definitie gebruikt formele kenmerken om het prozagedicht af te grenzen. Het onvolprezen Lexicon van literaire termen omschrijft het prozagedicht onomwonden als “een korte prozatekst die zich van het gewone proza onderscheidt doordat hij verscheidene eigenschappen bevat die vaak voorkomen in poëtische taal.” Het gaat dus in eerste instantie om proza dat geen ‘echt’ proza is, maar dat formeel gezien gestructureerd wordt door poëtische kenmerken als “gebalde zeggingskracht, expressieve ritmiek, binnenrijm, alliteratie en assonantie (...), beeldspraak, enz.”
     Deze formele benadering laat echter vele mogelijkheden open omdat zowel het proza als de poëzie enorme formele ontwikkelingen hebben doorgemaakt en elkaar grondig hebben geherstructureerd. Wat te denken bijvoorbeeld van het lange gedicht dat het uiterlijk heeft van poëzie, maar waarin prozaďsche elementen doordringen. Zo ontstaan narratieve structuren in Louis Paul Boons De kleine Eva in de Kromme Bijlstraat door de poëtische herhaling van motieven en thema’s. Of wat te denken van Peter Verhelsts Angel, waar die narratieve structuren precies geperverteerd worden door het poëtische taalgebruik. Of van Toespraak van Paul Bogaert: duidelijk opgetrokken uit verzen, maar met een narratieve structuur.
     Kan men zich in de voorgaande gedichten de vraag stellen of het wel om prozateksten gaat, wat dan te denken van sommige gedichten van Marcel Wauters. Vaak zien ze er uit als verhaaltjes die de pagina helemaal vullen, maar waarin de in de definitie aangehaalde poëtische kenmerken niet meteen zichtbaar zijn. Wat met gedichten die formeel gekenmerkt worden door de opsomming, een bij uitstek prozaďsch genre. De navolging van Baudelaire van Hendrik Carette heeft alle kenmerken van een prozatekst, maar de genummerde opsomming van regels maakt er dan weer poëzie van. En de uitwaaierende regels van Elma van Haren, of de nieuwe gedichten van Henk van der Waal in Vreemdgang: poëzie of proza, prozagedicht of lyrisch proza?
     Misschien moeten we voor de benadering van het prozagedicht een typografische karakterisering hanteren en moeten we spreken van ‘een van wat algemeen als poëzie bekend staat afwijkende bezetting van de witruimte van het gedicht’. Waar ‘gewone’ poëzie gekenmerkt wordt door een grote hoeveelheid wit, wordt dat wit door het prozagedicht ingenomen en verkleind tot een minieme ruimte. Indien poëzie bepaald wordt door wit, dan wordt het prozagedicht bepaald door zwart.

2.

Het verschil wordt treffend geďllustreerd door twee gedichten van Dirk van Bastelaere. Beide gedichten hebben als titel ‘Lynxtijd’, beide zijn opgenomen in Diep in Amerika, maar, en dat is ook weer opmerkelijk, ze worden niet naast elkaar gepresenteerd op tegenover elkaar staande bladzijden. Ik zet ze hier even onder elkaar:

Lynxtijd

Eerst na de droomtijd
breekt over mij een zomerdag
aan uit de vermeende scherpte
waarvan anderen zich een heenkomen wensen dat niet als
     dusdanig bestaat.

Elders zoekt het kristal van een luchter
in het neerstorten te midden
van wat had kunnen zijn
het hart van een feest
een andere bestemming.

Zo ook keert zich het in de nacht wakkerliggen
om en om in het luisteren
naar een auto die niet aan het ruisen gaat
door een natgeregende straat.

Door verblinding
nauwelijks aangeraakt komt dan lynx
blazend door de zomer,
gepuntoord,
op de loop
en tracht zich, met bloedende poten,
te redden op wat genoemd wordt een kandelabercactus

buiten de schaduw.

 

Lynxtijd

Vanuit zijn groot geel kijkt de zonnebloem neer op je zachte voorbijrijden. Wat zich gedacht had af te spelen naast het voorhanden zijnde, komt nu, als was het niets, zomaar te voorschijn. Neuriënd denk je: het is iets wat zich toevoegt, maar daar al was. Voor Wera die heftig de rode haren schudt voor het bedekte gezicht, en die steeds langer over haar zwarte pak stromen, is het zover. Ook voor die te midden van de tuin een zinken emmer rondzwaait en het water behoudt.

Dat zijn momenten van lynxtijd. Zeer ontijdig is lynx, zij het niet buitenissig. Zijn wonderlijke, flitsende oren richten onze aandacht tussen twee keer ademen in. Pas gekend is het ongekende wanneer het als ongekend wordt gekend.

Althans, zo praat het ons aan de orde der woorden, in zo iets als het denkwolkje dat ons verlaat als het spreekt in ons.

 

Het tweede ‘Lynxtijd’ is uitgelijnd en ligt als een zwart blok over de pagina, het eerste ‘Lynxtijd’ heeft een regelval die alle ruimte geeft aan de witruimte. De twee gedichten lijken op het eerste gezicht een zelfde onderwerp te behandelen: de beschrijving van een specifiek moment (van inzicht?).
     De vraag die me al een tijdlang bezighoudt, is waarom Dirk van Bastelaere bij het ene gedicht gekozen heeft voor een ‘poëtische vormgeving’ en bij het andere voor die van het prozagedicht.

3.

Jonathan Monroe schreef een interessante studie over het prozagedicht en de ontwikkeling ervan onder de titel A Poverty of Objects. The Prose Poem and the Politics of Genre. Zijn inleiding opent meteen met de vaststelling: “The prose poem today is a genre that does not want to be itself. In a sense, of course, the prose poem has always been the genre that wants out of genre and still finds itself, for all that, inscribed in genre.” Het prozagedicht is immers gegroeid vanuit een kritiek op de poëtische coderingen van de Literatuur die door onder anderen Baudelaire en Rimbaud als een te knellend keurslijf werden ervaren. Zij ruimden plaats voor onderwerpen die niet in de Literatuur konden en schiepen daar ook een afwijkende vorm voor. In Monroes opvatting is het prozagedicht een bij uitstek dialogisch genre, met alle daaraan onlosmakelijk verbonden antagonistische verhoudingen. Het prozagedicht is er voortdurend op gericht normen te doorbreken. Het staat niet alleen in een dialogische verhouding tot de oppositie poëzie / proza, maar incorporeert ook de antagonistische verhouding die ontstaat tussen de verschillende registers die aanwezig zijn in het gedicht. Op die manier is het een genre dat tot zelfbewustzijn leidt: het maakt de lezer bewust van de tekortkomingen van de specifieke discoursen waardoor we de wereld leren kennen.

4.

Beide gedichten spelen zich af op zomerdagen in een verblindend licht. Het eerste ‘Lynxtijd’ focust voortdurend op de oppositie tussen wat werkelijk is en wat voor werkelijk gehouden wordt of wat werkelijk had kunnen zijn. De zomerdag breekt over de spreker aan na de ‘droomtijd’, de scherpte is ‘vermeend’, het ‘heenkomen’ bestaat niet als dusdanig, het kristal van een luchter zoekt een andere bestemming in wat het hart van een feest ‘had kunnen zijn’, wanneer de spreker wakker ligt luistert hij naar een auto die ‘niet’ aan het ruisen gaat door de natgeregende straat, en de kandelabercactus wordt ontwerkelijkt door het bijvoegsel ‘van wat genoemd wordt’.
     Wat is werkelijk binnen de grenzen van dit gedicht en wat niet? Werkelijk lijken me de spreker op een zomerdag, de luchter die neerstort, de spreker die wakker ligt en de plotse verschijning van lynx. Zijn verschijnen wordt nog extra belicht door het ontbreken van een bepaald of onbepaald lidwoord. En komt lynx werkelijk of gaat het hier om een (droom-)voorstelling van de wakkerliggende spreker?
     De plotse verschijning van lynx in dit gedicht deed me meteen denken aan ‘traditionele’ poëtische evocaties van de epifanie-ervaring. De ikfiguur wordt meestal beschreven in een realistisch kader waarin iets vreemds opduikt dat zorgt voor een plotseling inzicht in hoe het leven in elkaar zit.
     Het tweede ‘Lynxtijd’ lijkt eenzelfde ervaring van plots inzicht te evoceren. Het verschil lijkt me te situeren in de spanning die nu optreedt tussen een filosofisch aandoend discours, een register dat poëtische structuren gebruikt, en het dagelijkse taalgebruik. De anesthesie in de eerste regel hoort duidelijk thuis in het poëtische register en markeert de opening als poëzie. Van daar gaat het meteen over naar het filosofische discours ‘Wat zich gedacht had af te spelen naast het voorhanden zijnde, komt nu, als was het niets, zomaar te voorschijn.’ De poëtische vergelijking die begint met ‘als’ en het filosofische vertoog binnendringt, zet opnieuw de grenzen tussen werkelijk en onwerkelijk onder spanning. Daarna volgt een tegenstelling die in het filosofische discours als een waarheid gepresenteerd wordt: ‘het is iets dat zich toevoegt, maar daar al was.’ Het gewone taalgebruik wordt gebruikt om de twee hoofdfiguren te beschrijven: zowel voor Wera als voor diegene die met een zinken emmer zwaait, is het zover, er breekt voor allebei een moment van inzicht aan dat als moment van lynxtijd wordt geduid.
     Het prozagedicht kantelt echter in de laatste strofe wanneer het opent met ‘althans’. In een voor verschillende interpretaties vatbare regel worden hier in spreektaal zowel de twijfel aan de taal als de gelijkschakeling tussen taal en denken verwoord. Lezen we de regel als: ‘Althans, zo praat het ons aan, de orde der woorden’: de orde der woorden praat ons maar iets aan en slaagt er niet in precies weer te geven wat er aan het verwoorden voorafging. Lezen we het vers als: ‘Althans, zo praat het ons aan de orde der woorden’, dan ligt de nadruk op het vasthangen aan woorden om het gebeurde weer te geven, op het feit dat het denken een aanvang neemt met de verwoording en dat verwoording een vorm van denken is. De vermenging van filosofie en poëzie in dit prozagedicht stelt de functie van taal voor het denken en de functie van het denken voor de taal in vraag.
     Is deze kritische functie nu enkel weggelegd voor het prozagedicht? Keren we terug naar het eerste gedicht, dan merken we dat lynx op de loop is en dat hij zich met bloedende poten probeert te redden op wat genoemd wordt een kandelabercactus. Als moment van inzicht maakt lynx niet bepaald een gezonde indruk. Opnieuw komt daar het noemen als talig moment naar voor waarvan een reddende waarde uitgaat. De kritische functie is een functie van taal, in welk genre die ook wordt ingezet.

De Brakke Hond
Literair cadeau
nodig?
Verras
4x per jaar,
Met een
abonnement!