![]()   |
 |
Van prozagedicht naar hyper/con/text?
Didi de Paris
In 1869 publiceerde Charles Baudelaire “Le Spleen de Paris; petits poèmes en prose”. De lezer werd geconfronteerd met vijftig gedichten die niet in versvorm geschreven waren en die het uiterlijk hadden van “gewone” teksten. Tussen 1870 en 1914 werd het genre door heel wat Franse auteurs beoefend. Het prozagedicht ging hand in hand met La décadence. Wellicht moeten ook de schandelijke “Les Chants de Maldoror” van de Comte de Lautréamont in deze context geplaatst worden. Een mooie selectie Franse prozagedichten uit het Fin de siècle biedt: “Wees altijd dronken!”. De bloemlezing werd samengesteld, vertaald en ingeleid door Menno Wigman (Uitgeverij Voetnoot, Amsterdam, 1998).
Ook in de Nederlandse literatuur doken dit soort teksten sporadisch op. Aart van der Leeuw, H. Marsman, Paul van Ostaijen, F. Bordewijk schreven prozagedichten. De Vijftiger Bert Schierbeek bestempelde zijn vele prozagedichten als “proëzie”. Gust Gils produceerde “paraproza”. Deze laatste betoonde ook veel interesse voor Japanse dichtvormen als tanka en haiku. En dit op een moment dat men hier nog niet echt met deze dichtvormen vertrouwd was. Het zou ons te ver leiden om na te gaan of de Nederlandstalige poëzie van vandaag al dan niet overwoekerd wordt door het proza. En hoe verhouden de poëzie en proza zich in de bezwerende alles omver toeterende knettergekke freejazz van JMH Berckmans?
De bakens mogen veel verder worden uitgezet. Wellicht komen heel wat popsongs in aanmerking voor het predikaat “prozagedicht”? Kan men niet poëticaal ontroerd worden door een reclame voor Diesel jeans? Hoeveel kunststromingen duiken er vaak op binnen één clip op MTV?
Men kan zich afvragen of het prozagedicht een uit de hand gelopen aforisme is. Bij het lezen van sommige miniatuurtjes van gerenommeerde auteurs zoals Franz Kafka realiseert men zich dat de grens tussen de genres flinterdun kan zijn. Een membraan. Is de symbiose nabij?
Het onderscheid tussen proza en poëzie komt op losse schroeven te staan. Niet in het minst omdat de poëzie zelf fundamenteel veranderde. Waar voorheen rigide keurslijven van versleer of prosodie heersten ligt nu als een gapend gat het hele universum open… Vergelijk het met het Go-spel. In het Japanse bordspel gelden slechts enkele eenvoudige basisregels. Het resultaat is een uiterst complex spel. Hoe simpeler de regels hoe complexer het spel. Het verwerpen van alles beknottende regeltjes moest bevrijding brengen. De vrijheid is complex en chaotisch. En schrikt mogelijk ook velen af.
“Prozagedicht” een samenstelling van “proza” en “gedicht”. Ongetwijfeld kan niemand dit juist definiëren. Laat staan dat we er ooit uitkomen wat de definitie is van taal. Om een antwoord te geven op al deze vragen moet ik u helaas meenemen naar de diepste krochten van mezelf.
Een aantal variabelen binnen een tekst kunnen fluctueren. Een auteur heeft de keuze in welke mate de tekst gedomineerd wordt door melodie, ritme, beeld…
Hoe meer poëzie ik lees, hoe minder zekerheden er zijn over de aard van de poëzie zelf. Poëzie laveert tussen klank en beeld. T.S. Eliot. The Waste Land. Ezra Pound: het uiteenvallen van de klassieke prosodie. Van Ostaijens definitie over poëzie: puur een spel met woorden. Beeld: Paul de Vree. Christian Morgenstern. Of moet poëzie uit elkaar vallen tot puur abstracte klanken zoals in het werk van de Nederlandse verbosonist Jaap Blonk?
Poëzie is eerder een gevoel dan een begrip. Een manier om de dingen voor te stellen. De keuze die men maakt bij de inkleuring. De keuze die men maakt tussen donkere of lichtere tonen. Visueel of auditief. De sfeerschepping in de films van David Lynch ervaar ik als uitermate poëtisch. Ik kan niet zeggen dat het in deze film gaat over logisch opgebouwde eenduidig interpreteerbare coherente beelden. Toch raakt het mij op een irrationeel niveau. Poëzie is als het heelal. Er zijn geen universeel geldende wetten. Dezelfde “poëticale” ervaring vind ik terug in de films van Andrei Tarkovski of bij Ingmar Bergman. Twee cineasten die vormelijk de opponenten zijn van alles waar Mr. Strangeness Lynch voor staat. Elk denken over “poëzie” komt op lossen schroeven te staan. Poëzie kan zowel een verbintenis aangaan met de nieuwste wijsgerige of andere wetenschappelijke inzichten als met elementen uit het irrationele.
Poëzie is de intellectuele vorm van dromen. Het koesteren van idealen, het verlangen, het bezweren van angsten, het vinden van troost in moeilijke momenten. Verlies, verliefdheid, als de grond onder je voeten wegzakt… Dan is er poëzie. Het is sjamanistische bijstand voor atheïsten. Het intellect dat geprikkeld wordt. Het onrustige dier diep in uzelf dat getemd wordt. De angst die wegebt. Hetzelfde esthetisch genot vinden in The Sex Pistols als in Henry Purcell als in Johnny Cash, dat is voor ondergetekende “poëzie”. Schoonheid & troost. Een ontsnappingsroute. Waarde en betekenis geven aan ijk-momenten: geboorte, erotiek, dood. Een vrijplaats. Ontsnappen aan het uniforme en het gecontroleerde. Dromen met je ogen open.
Guy Debord en het stelletje dronkelappen en het zootje ongeregeld dat later zou omschreven worden als de Situationisten hadden het ook al over het leven injecteren met poëzie. Poëzie is eerder een gevoel dan een begrip. De vage schemerzone die ik als “poëzie” beschouw, probeer ik te verpakken in mijn prozateksten. Het betreft een soort mentale origami. Voor de ontwikkeling van mijn oeuvre acht ik de scheidingslijn, de demarcatielijn tussen poëzie niet nodig. Elke prozatekst moet poëzie bevatten. De vraag waar ik in mijn werk de laatste jaren mee bezig ben is: kan men vandaag nog van iets houden? In de context waarin de markt alles aantast, de eenvoudigste handelingen problematiseert, neemt de vervreemding nooit eerder geziene proporties aan. De soort “poëzie” die ik najaag is een poging de menselijke waardigheid te herwinnen.
Ook het lezen zelf is blijkbaar in een nieuw stadium, of crisis beland. De ondertiteling op TV wordt doorgaans beter gelezen dan een tekst op het Internet. Philips ontwikkelde software die bij een lezer de indruk moet wekken dat de letters op het beeldscherm ogen zoals ouderwetse inktlettertjes op krantenpapier...
Dertig jaar geleden was ik, onder invloed (van o.a. punk), één van de eerste sujetten die het waagden hun schrijfsels en diepste zielenroerselen op diverse podia te brengen. Zoals de futuristen liet ik mij inspireren door destructieve voorbeelden als John Lydon en James Chance. De reacties op mijn werk waren altijd fel. Niet zelden werd ik afgeschilderd als een zenuwzieke gek. Dat Paul van Ostaijen ook wel eens omschreven werd als “Zot Polleke” was voor mij een troost. In dichterlijke kringen vond ik slechts hier en daar een enkele medestander, zoals Gust Gils, die als eerste met gedichten opgetreden had op een rockconcert, en wel op Jazz Bilzen ‘73.
Mogelijk hebben in de voorbije honderd jaar jazz en rock meer invloed uitgeoefend op de samenleving, dan alle oorlogen samen. Toch hadden allerlei intellectuelen lange tijd geen goed woord over voor rock and roll. Niet zelden ging het om mensen die zichzelf omschreven als links en progressief. Wellicht liet zich hier de invloed gelden van Walter Benjamin en de Frankfurter Schule. Interpreteer het aub niet als cynisme van mijnentwege maar met zijn afwijzende houding tegenover jazz zat Benjamin betreffende de muziekstijl op dezelfde lijn als het moorddadige systeem dat de denker uiteindelijk tot de ultieme wanhoop heeft gedreven.
Omwille van mijn flamboyante podiumverschijningen twijfelden velen aan mijn geestesgesteldheid. Telkens ik er in mijn schuchterheid, die mijn jongelingschap typeerde, mijn erudiet gezelschap fijntjes probeerde erop te wijzen dat lieden als Herman de Coninck en Hugo Claus, gezegend door een omfloerst viriel stemtimbre, ook performden, was het hek helemaal van de dam. Van kwaad naar erger ging het als ik hen erop attendeerde dat Claus van in het begin gedweept had met de Franse dichter Antonin Artaud. Een zenuwzieke zot. Het Vichy-regime hield hem onder erbarmelijke omstandigheden opgesloten in een psychiatrische instelling.
Toen de naoorlogse jeugd over een eigen budget ging beschikken speelde de markt hierop handig in, en bood de jongeren, inmiddels ook al meer dan vijftig jaar geleden, een eigen cultuur: rock-’n’-roll. Een kleine twintig jaar later vond dit zijn weerslag op de literatuur. Er ontstond een literatuur die verbonden was met de jongerencultuur. Als exponenten hiervan kan men Herman de Coninck en midden jaren zeventig Jotie ´t Hooft zien. De eerste is een exponent van de aarzelend ontluikende zelfbewuste jeugd, de tweede is een poldercloon van Jim Morrisson.
De Nederlandse filosoof Siebe Thissen constateert een onderscheid tussen enerzijds door ritme gedomineerde muziek voor de lagere sociale klassen, en anderzijds voor de hogere maatschappelijke klassen een door de melodie gedomineerde muziek. Het duurde een tijd voor poëzie in spreektaalritmes algemeen aanvaard was. Iets waar vandaag geen mens nog van opkijkt. De ‘prose tradition’ van Flaubert en Ezra Pound. Afstappen van het overgestilleerde dichterlijke jargon. Academisch taalgebruik. Democratisering van de kennis.
Iemand die zeer goed de symbiose tussen literatuur en de populaire cultuur wist aan te gaan was Tom Lanoye. Met zijn compagnon Brusselmans wisten zij het satirische tijdschrift “De Zwijger” in te palmen, en daarna lag de weg open naar “Humo”. Waar trouwens ook ene Herman de Coninck al een tijd actief was. De massamedia.
De relevantie van een fenomeen wordt gemeten aan de toegang die het krijgt tot de media. Vandaag is het ondenkbaar dat iemand een professionele carrière in de Schone Letteren uitbouwt, zonder dat die persoon zou optreden.
De Franse filosoof Jacques Derrida plaatste “de tekst” in een veel ruimere context. Hiervoor bepleitte hij een bereidheid de manier en het ritme van het lezen aan te passen. Opdat de literatuur zou kunnen overleven in de gemediatiseerde wereld zijn er sterkere impulsen nodig dan ooit.
Het verhaal van de literatuur is dat van de cultuur tout court. Dat wordt even mooi als pijnlijk geïllustreerd door het recente “Music for Life”- evenement. In een poging het gebruik van landmijnen de wereld uit te bannen, nam eind 2006 Studio Brussel het voortouw in een groots opgezet media-evenement dat als doel had het gebruik van landmijnen uit de wereld te helpen. Terwijl aan het Leuvense station gedurende dagen enkele bekende radiofiguren in een glazen Big Brother kooi verbleven, werd in de stadsbibliotheek een literair programma aangeboden. Het was een affiche die men nog maar zelden samen gezien had. Studio Brussel werd continu gevolgd door tienduizenden luisteraars, in de fraaie bibliotheek kon men in het beste geval slechts op enkele tientallen bezoekers bogen.
Binnen het neoliberale dada-media-circus lijkt poëzie zich langzaam maar zeker los te koppelen van de markt. Misschien ligt het epicentrum van de poëzie niet langer bij de uitgeverijen, maar op de internetsite? Toch wordt nog al te vaak met dédain naar deze sites gekeken.
Literatuur moet de kruisbestuiving aangaan met andere artistieke disciplines en met andere fenomenen zoals pop en sport. De letteren moeten zich ook laten beïnvloeden door de technologie. Dit kan alles zijn. Televisie, de verhaalstructuren van videogames. Literaire teksten kunnen functioneren met verschillende levels zoals bij een videogame. Woord dat de symbiose aangaat met tekening. Van William Blake over Kenneth Patchen tot de huidige boom van graphic novels. De literatuur kan veel opsteken van de narratieve experimenten die nog steeds plaatsvinden in de film. Enkele voorbeelden. Met films als “Amores Perros”, “21 grams” en het recente “Babel” toont de Mexicaanse regisseur Alejandro González Iñárritu dat er nog heel wat experiment mogelijk is met verhaalstructuren. Dat is ook het minste wat je kunt zeggen van het eigenzinnige universum van grootmeesters als Fellini en David Lynch. Of kijk even naar het tijdverloop bij Quentin Tarantino. Wellicht kunnen ook puur visuele effecten uit de cinematografie zoals het jump-cut procédé bij Wong-Kar-Wei. De tijd zal uitmaken hoe groot het talent is van dé multimediale grootmeester Peter Greenaway.
Zo een interdisciplinaire multimediale aanpak ziet men vandaag vooral in het theater. In Vlaanderen zijn er bij voorbeeld de interessante experimenten van het hoogtechnologische theater van Crew, het gezelschap van de striptekenaar Eric Joris.
Het multimediale is altijd aanwezig geweest in de literatuur. Ook al werd dat zo niet ervaren. Romans werden verfilmd of kenden televisiebewerkingen. L.P. Boon verscheen in –o.a.- een kookprogramma op TV. Voortdurend zochten auteurs toenadering tot populaire cultuur. Door de wereldliteratuur loopt een lijn van James Joyce naar Thomas Pynchon. Van in het prille begin van de twintigste eeuw streefden auteurs het multimediale na. Is het toeval dat de mediafilosoof Marshall McLuhan beïnvloed werd door Pounds “Cantos”? Misschien zijn die “Cantos” vandaag leesbaar geworden voor een breder publiek door hypertext – mogelijkheden die het net biedt?
Ook moet men zich afvragen waarom literatuur zich niet kan losmaken van het vormelijke. Waarom neemt men niet een voorbeeld aan andere disciplines? De muziek kent en apprecieert outsiders zoals Captain Beefheart. Waarom kan een verhaallijn niet laveren tussen de rechte lijn van Hergé en de drip paintings van Jackson Pollock?
Ondertussen evolueert de taal in beeld, in klank, razendsnel en grondig. De emoticons en de cyberafkortingen die men hanteert op mobieltjes, in sms-jes en in chats. De recente introductie van een ironieteken in het Nederlands. De taal is fluïde. Vol verwondering staar ik naar de haast fonetisch neergeschreven coole mix van standaard Nederlands met dialecten die jongeren vandaag bezigen in een hoogtechnologische context. Welke taal hanteren wij vandaag? Het Cyber-land?
Ik ben al blij als de lezer van deze tekst net zoals de auteur ervan zich er rekenschap van geeft dat de situatie waarin de literatuur zich vandaag bevindt even penibel is als die van de snel wegsmeltende poolkappen. In de verbeten strijd die er gevoerd moet worden om de literatuur in de samenleving haar plaats te laten behouden, zijn alle middelen verdienstelijk. Het opheffen van de mijns inziens onhoudbaar geworden grens zou een begin kunnen zijn. Het prozagedicht is daartoe een aanhef. Als de literatuur haar plaats wil behouden dan moet zij deemoedig elk middel daartoe benutten. Alles in het teken van de liefde voor de taal.
|
 |
 | |
De Brakke Hond
Literair cadeau
nodig?
Verras
4x per jaar,
Met een
abonnement!
|
|