


|  |
Roland Jooris
De haan aan zee
voor Raoul De Keyzer
Alleen aan zee. Alleen tegenover de zee.
Kraait een haan zich rood als een vlek op een duintop,
in de zanderige kilte van de zon, in de zure scherpte
van de wind,
of is het wat de taal hoort in een naam, wat het oog
ziet in een metafoor,
of is het louter zilte helderheid
die ons doorklieft, een werveling die zuivert
in de lucht,
of is dit in repen neergelaten licht in de kamer
op het blad: het uitzicht op het werk in de afzondering
van een winters verlaten plek aan zee, met het door de
omstandigheden gedicteerde materiaal: papier, een paar
penselen en het besmeurde afgedankte sigarenkistje waarin
de losse blokjes reeds vaak gebruikte aquarelverf;
dit vloeien en tegenstromen, dit aanspoelen en overschrijden
binnen de bakens van het mateloze: het onhoorbaar geluid
van water in kleur, van kleur in water, over de zichtbaar
gebleven belijning, een niet te stremmen kabbeling waarin
de sporen van bewegen, van af en aan, van eb en vloed, een
niet te dichten openheid waartegen hier en daar de uit het
penseel gelekte vlekken, punten en toetsen: tactiel subtiel
in de ingedijkte diepte van het transparante
|