|
Philip Hoorne
Ik zeg haar
dat ik schrijf
dat ik schrijf en kijk hoe ze reageert
op dit niet alledaagse tijdverdrijf
het duurt even alsof wat ik zei nog moet insijpelen
het klinkt ook zo raar ik schrijf
vies onkies zoals ik drink ga vreemd of sla mijn vrouw
dan vraagt ze wat ik schrijf
waar hoe waarom wanneer
en als ik zeg ik schrijf ooit misschien bij voor of over jou
slaat ze haar ogen neer
ik laat haar lezen
mijn allermooiste gedicht en kijk naar haar gezicht
ze geeft geen kik bijna krijg ik spijt
dat ik haar gaf mijn mooiste gedicht
zij en ik
zij aan zij badend in het licht
ik knip het uit en ga naar huis zij naar het hare
ik kijk haar na de wind speelt in haar haren
in haar hand houdt ze mijn gedicht
het is een fraai gezicht
ik vind het mooi zegt ze
maar dat is niet genoeg
mooi is veel te weinig
het is too little maar niet too late
ik heb geen spijt ze moet nog zoeken
naar de juiste superlatief dat ze zei
ik vind het mooi is zo onvolmaakt
maar o zo lief
gaat het over mij ik had de vraag verwacht
ik wachtte nacht na nacht op deze vraag
tot ze me zou bellen
en vragen gaat het over mij
mijn eer van dichter staat op het spel
poëzie gaat nooit over niets of niemand niet
lieg ik ja dat heb je goed gezien het gaat over jou
wie weet word je ooit mijn vrouw
ze lacht en noemt me zot
ik jouw vrouw en jij mijn man
dat het niet kan omwille van een gedicht
ik beheers me sla haar niet in het gezicht
om wat ze zei want ze heeft gelijk
nooit wordt ze van mij
ik vraag het terug
zeg dat ik zal scheuren
dat dit niet had mogen gebeuren
dat ze niet waard is dat ze leest
heel even is er toch een illusie van iets
dat liefde kon zijn geweest
|