Terug naar de cover
Terug naar de inhoudstafel

Chris Honingh


In de sluimering van haar bestaan
stond mijn moeder al te wachten
onder het tuimelraam. Vol afgunst
keek ze naar de vogels buiten en
keerde haar rug naar de ruiten om
een slok koud geworden koffie

te nemen. In de kamer kon men
een speld horen vallen, voor wie
niets anders dan eigen gedachten
nog telde, een haperende optelsom
mistige gasten nergens vandaan,
daar was het leven tot de kleinst

mogelijke omvang beperkt. Aan
ieder gezicht hing vaag een stem
die temend beaamde onder mom
van begrijpen. Maar alles is kunst
waar niets rest, weinig bij machte
dan zich te verlaten op een illusie.