


|  |
Chris Honingh
Mijn moeder is vannacht gestorven
in een droom. Ze klopte aan, ik deed
open. Ik zag haar staan, ze rilde even
of een windvlaag haar beroerde, geen
woord verliet haar lippen, maar in haar
ogen zat nog leven. Het leek wel of ze
was uitgegaan en onderhand vermeed
ze het me aan te zien. Ik zag hoe zwaar
ze zich had opgemaakt, alles scheen
onder vele poederlagen weggewreven,
een gepolijste steen. In haar amorfe
staat verstard bleek het mogelijk me
te verleiden tot een wanhoopsdaad.
Ik greep haar linkerhand, haar kalmte
maakte me nerveus, het koude zweet
liep langs mijn rug. Toen zei ik haar
dat het me speet te willen overleven;
ik had haar heengaan haast bedorven.
|