


|  |
Hans Groenewegen
Zeedrift, vlonders
1.
woorddier in oorschelp. zesmaal heeft het nauwelijks tijd lucht te zeven. deint een dag vergeefs heen en weer. berustend ademt het een nacht uit. windgolf. geschonken bedenken. gestreken vleugels. dient de bezinking. hij zei niets. zij zei alsdat zijzee en hijzee een stroming gemeen hebben. kon toch op geen enkele schaal een zuivere toon vinden. zeetje, zee of meer, het zij verbitterd gezegd, overal waaieren haarscheuren door het water. windhaan onderwijl, doof voor het kokkelen, zoekt de ziel van glas in een zandstorm, de siliciumcode. tegen uitdroging snoeit de valse tong de wondroos. een handvol ingevallen vruchtbeginselen, voor de waterhoenders, schuimend in de rietkraag. een scheermes strijkstok voor de onnozele hals. geen wanklank te horen. op de lippen van het parelmoer een snoer van onbedorven speekselbellen. die ‘s nachts opblazen tot ze wegdrijven en verwaaien met het melkwegschuim. ruisen vergelijken. van wijn het ruisen in het glas met het ruisen van witte wijn in de fluit. als dat de gelijkenis kon zijn van het onvergelijkbare ruisen van een mui en het ruisen van een draaikolk in een breedste riviermonding. vliegt de zevende dag over de wijde wateren radeloos tussen de zeilen door.
2.
zie de man zijn eerste oester eten die tevens zijn laatste is.
wie ghl hebben hebben de letter niet nodig.
zie de man zoekt in de schappen naar sabeltandtijgernagelpoeder voor de nacht.
wie ghl hebben hebben de letter niet nodig.
zie de man eet de laatste vis van zijn soort. zie de man die de laatste dodo doodde, hij is dood. zie de man die een parasolmier vertrapt.
wie ghl hebben hebben de letter niet nodig.
zie de man die kan kiezen tussen een vrije wil en een lotsbestemming. zie de man, hij kan niet kiezen. de man kan niet lezen, het lust hem niet.
wie ghl hebben hebben de letter niet nodig.
zie de man, hij kiest voor de maan. hij zal in de springvloed blijven staan zolang hij kan blijven staan als ze over hem spoelt.
3.
trekt het mes uit het lichaam aan de voeten op de planken. veegt het lemmet niet af. draait het mes gedurig in de hand rond, tastend, tot de snede dwars staat op het koord boven het hoofd. kerft. kerft. hoofd knikt, kin schuin naar rechts op de borst. snijdt de knieën los, de linkerhand, reikt naar achter tussen de schouderbladen. het gelede lichaam richt zich niet op, zijgt met kleine schokken over de gewrichten ineen, hangt aan die ene arm nog. hij. aan het laatste koordje. als wuivend, van het eertijds tussen speler en publiek overeengekomen vlot, naar de lege zee, de volle zaal. dat nooit. mes moet van vuist naar tussen duim en vingers. en dan de pols buigen, het lemmet haaks wrikken op het koord waarmee zijn hand bestuurd werd en dat uit de aard der zwaartekracht strak staat. dit is geen greep. dit is gegrepen zijn. heroïsche figuur, in handen van zijn willen. wat beschikt hij over een polsgewricht waarover hij beschikt. zijn polsgewricht dat kerft. dat kerft. dat kerft met kleine kerfjes aan het koord van zijn ketening. zijn arm zal vallen, het mes als steun steken in het hout. hij zal opstaan, de losse koordeinden van zijn lichaam snijden. hij zal rusteloos op de planken rondgaan, mosselen losscheuren en openwrikken met het mes, tot zich een kust aandient. hij zal zijn mes de lege zaal, de hoge zee in werpen. wie het plonzen hoort.
|