![]()   |
 |
Alles wat proza is, is eveneens vers en wat verzen zijn, is ook proza
Alain Delmotte
De Franse dichter James Sacré over een verschil dat er eigenlijk niet hoeft te zijn: het verschil tussen proza en vers
Vorig jaar verscheen een opvallende verzameling teksten van de Franse auteur James Sacré. Een dichter die vooral in het Franse taalgebied grote faam geniet. Deze verzameling kreeg een ongewoon lange titel en ondertitel mee. Ongewoon voor ons, maar vrij herkenbaar in de (zowel kwantitatief als kwalitatief gesproken) imposante reeks titels die Sacré tot nu toe uitgaf. ‘Broussaille de prose et de vers (où se trouve pris le mot paysage)’ – ‘Struikgewas van proza en vers (waarin het woord landschap vastzit)’1 (makkelijkheidshalve noem ik verder deze bundel gewoon ‘Broussaille’.) Ik had het over een ‘verzameling teksten’. Een voorzichtige omschrijving voor een bundeling die je eigenlijk in geen enkel genre kunt laten inpassen. Beschouwing, beschrijving, gedicht, egodocument, notitie: het is een ratjetoe van genres. Toch aarzel ik niet om dit exquise boekje vol mengvorm het etiket ‘poëzie’ op te kleven.
Vooreerst omdat deze teksten – zoals het er toch vaak aan toegaat in poëzie - subtiele taalbouwsels zijn, al komen ze op het eerste gezicht over als wat los geklets, als oppervlakkige ‘bavardages’ (zoals meestal het geval bij Sacré). Continu brengt Sacré ook het verslag uit van het creatieve proces. Hij onderbreekt constant het lopende discours, geeft bedenkingen over eigen schrijven en/of over de omstandigheden waarin hij schrijft, en koppelt dan weer terug: de manier waarop het discours wordt verwoord, primeert op wat het verwoordt. Een tweede factor die me bepalend lijkt om deze teksten als poëzie te beschouwen is de vaststelling dat alles ‘geritmeerd’ verloopt. Zeg maar de potentiële muzikaliteit van deze teksten. Het mogelijk lyrische gehalte. Dus ook in de prozagedeelten. De manier waarop dit verloopt (zoals vaak bij prozagedichten) is complex2. Ik beperk me hier tot het aangeven van enkele zaken in verband met de manier waarop Sacré zijn teksten probeert te ritmeren. Een aantal van die elementen vind je bij sommige andere prozadichters overigens ook terug.
Er is wat ik de ademhaling van de tekst zou willen noemen. De prosodie in ruime zin. De intonaties, de accenten, de manier waarop zinnen zijn opgebouwd, de plaatsing van de interpunctie (die onverwachte verschuivingen in het verloop van een zin teweeg kan brengen), de hyperbatons (ongewone woordinversies binnen de syntaxis – Sacré geeft zelf die term aan), de plots opduikende bijzinnen en nevenschikkingen, de herhalingen, de fluctuaties van de in lengte van elkaar verschillende zinnen. Er is ook het ritme dat visueel wordt weergegeven, de typografie: het zetwerk, het al dan niet opdelen van de tekst in paragrafen, de breedte van het blad en dergelijke.
‘Brousailles’ heeft verschillende gelaagdheden. Een ervan is (het was meteen ook de aanleiding voor Sacré om dit boekje bij elkaar te schrijven) de vraag waar de grens ligt tussen vers en proza. En wat maakt beide tot poëzie? Het leek me opportuun in het kader van dit nummer dit aspect van ‘Brousailles’ wat te belichten.
James Sacré (1939) is een van de Franse top-dichters (helaas vooralsnog slechts, zoals gezegd, in eigen taalgebied gerenommeerd). Het huidige Franse poëticale landschap is bijzonder veelzijdig maar verwarrend. Een opdeling tussen periferie en mainstream (of canon) lukt (zoals steeds scherper ook in ons taalgebied het geval wordt) allang niet meer. Critica Christine Van Rogger Andreucci probeert toch te polariseren door Sacré te plaatsen ergens tussen ‘littérarité et lyrisme’.3 Twee problematische termen waarmee ze wil aangeven dat de poëzie van Sacré zich ergens bevindt tussen een strikt formalisme en een wat lossere lyriek. Tussen het cerebrale en het sentimentele, om het extreem te stellen. Sacré is het daar zelf niet mee eens maar ontkent niet expliciet het bestaan van die twee lijnen in zijn werk. Hij vat laconiek samen:‘Mais ça finit par se rejoindre.’ ‘Maar hoe dan ook, ze treffen elkaar.’4
Met die tweeslachtigheid wist Sacré dan ook critici van allerlei poëticale slag aan te trekken. De kracht, de charme van deze poëzie ligt in het feit dat ze via allerlei hoeken kan worden benaderd en dat al die verschillende perspectieven best evenwaardig zijn.
Het formalisme van Sacré laat zich onderkennen door retorische waaghalzerij: in de complexe, gedurfde, uitgerekte zinsbouw. Een maniëristische werkwijze (in de traditie van o.m. de Franse Barokke dichters waarin Sacré – die jarenlang Franse literatuur doceerde aan een Amerikaanse universiteit – zich specialiseerde).
De taal in het werk van Sacré doet zich als spreektaal voor. Maar de spreektaal is voor hem enkel maar een inspiratie. Zijn taal is een ontwerp, een doordachte constructie. Het vreemde is nu wel dat je bij lectuur van die teksten van dat ‘geconstrueerde’ quasi niets merkt – of althans dat dit niet meteen tot je doordringt. Doordacht is het, ja, maar niet gezocht: het lyrische element zorgt voor evenwicht. Wie Sacré voor het eerst leest wordt meteen getroffen door de grote hartelijkheid van zijn poëtisch werk. Meestal heeft Sacré het vaak over kleine, zelfs banale dingen en die thematiek werkt een intieme toon in de hand waardoor je je als lezer meteen thuis gaat voelen in zijn teksten. De herkenbaarheid is erg groot. Die (babbel)toon is zo overtuigend en warm (hier en daar zelfs gevaarlijk op het randje van het stroperige) dat je de formele kant van zijn poëzie uit het oog verliest. Een gevoel dat nog wordt verscherpt als je hem met zijn aparte, melancholisch klinkende stem hoort voorlezen. Inderdaad, de poëzie van Sacré verleidt. Deze dichter is listig en het idee van de list maakt inherent deel uit van zijn poëtica. Ik kom er op terug.
Om dan toch een link te leggen met de poëzie uit ons taalgebied, wil ik zijn werk even proberen te vergelijken met dat van Rutger Kopland. Bij een eerste aanblik doen zich inderdaad sterke gelijkenissen voor: de gemoedelijkheid van de toon, de thematiek van het kleine, de wijze waarop beiden zich laten confronteren met landschappen. Maar bij nader inzien vallen de verschillen groot uit.
In een televisie-interview onlangs5 zei Rutger Kopland dat als hij zich in een landschap bevindt, hij dan nauwgezet kijkt. Daarna zoekt hij, voor wat hij ziet of heeft gezien, woorden. Sacré doet precies het tegendeel. Sacré bevindt zich in een landschap en probeert dit landschap vooral in de taal te ervaren. Hij stapt mentaal dat landschap binnen. Hij wacht. Hij wacht op de woorden die dit landschap in hem oproepen: en het is met die woorden dat Sacré verder naar een landschap kijkt. Het kijken van Kopland is statisch, het kijken van Sacré dynamisch. Voor Kopland is wat hij ziet van het landschap, de werkelijkheid. Voor Sacré is wat hij ziet slechts een mogelijkheid, een fragment van een werkelijkheid. Voor Kopland geldt het: ‘voor wat ik zie, daar zoek ik wel de woorden voor’. Voor Sacré geldt: ‘ik kan maar zien wat de woorden, die mij vinden, zullen tonen’. Waarmee hij – en hij is verre van de enige – suggereert dat wat wij werkelijkheid noemen, maar een perceptie is, een subjectieve interpretatie. Het vreemde is nu dat beide dichters zich stilistisch op dezelfde manier profileren: ze hanteren beiden een soort parlando, een op de spreektaal geïnspireerd retorisch palet. Alleen is Sacré (als maniërist) zich van de kunstigheid, tja, de taligheid van die retorische constructie bewust. Met wat Kopland beweert in dit interview – waar zelden het woord ‘taal’ viel – heb ik niet de indruk dat hij zich met ‘een linguïstische probleemstelling’ inlaat en zijn parlando als een soort ‘natuurtaal’ beschouwt, terwijl het eigenlijk conventionele taal betreft. (Maar dat is een conclusie in verband met Koplands gedichten die ik hier zeker niet als eerste maak en het geldt meer zijn vroeger dan zijn later werk).
Het verschil situeert zich hierin: Kopland beweert dat hij kijkt, Sacré bekent dat hij hooguit kan bekijken. Kijken is voor hem nooit af, met kijken ben je nooit klaar. Ja, hoor, Sacré zie ik best wel een gedicht over jonge sla schrijven (het zou me verbazen dat hij daarover niets zou te vertellen hebben), maar ik schat in dat zijn gedicht nooit zou eindigen met dat eclatante ‘nee’ van Kopland, maar eerder met een vraagteken, of zelfs met meerdere vraagtekens. Ik mis in de (overigens mooie – daar gaat het niet over) gedichten van Kopland vaak vraagtekens. Hij mag best beweren dat hij liever vragen dan antwoorden heeft, zoals in een van zijn beroemdste gedichten. Toch mis ik in zijn verzameld werk, in letterlijke en figuurlijke zin, teveel het vraagteken.
Kopland formuleert. Sacré herformuleert. Twee verschillende denk-werelden. Kopland zegt: ‘bij dit raam heb ik verschrikkelijk veel gedichten geschreven’. Sacré zou kunnen zeggen ‘bij veel uitzichten heb ik ‘een beetje’ gedichten geschreven, un peu de poèmes’. Maar het grote verschil tussen beide dichters ligt echter hierin: constant heeft Kopland het over zichzelf, terwijl Sacré het onderhuids constant over de taal heeft, over zijn onmacht tot uitdrukking. Hoezeer de aanleiding tot het ontstaan van een gedicht een persoonlijk gegeven is, telkens benadrukt Sacré dat het ‘wij’, de andere, een fundamenteel gegeven is de taal. In de taal steekt de ander (een aspect dat ik mis in het werk van Kopland). Het ego van Sacré heeft niets egocentrisch. Zijn bescheidenheid (humilitas) is groot en niet geveinsd.
Ik keer terug naar ‘Brousailles’. Van bij de eerste tekst is het duidelijk: het probleem vers/proza voelt Sacré niet als een probleem aan! Hij vindt de vraag overigens een beetje afgezaagd: in een Franse context misschien wel terecht – het debat over het verschil tussen proza en vers wordt daar nu al decennia lang gevoerd. In het werk van Sacré (zoals in deze bundel) wisselen vers en proza soms (en steeds frequenter) binnen éénzelfde gedicht elkaar af. Een tendens in de Franse poëzie die zich duidelijk aftekent.
Eerst had je afzonderlijke bundels met prozagedichten. Later had je bundels met aparte cycli prozagedichten en aparte cycli met alleen verzen erin. In een volgende fase vind je bundels die binnen een zelfde cyclus zowel proza als verzen bevatten. Steeds vaker worden in het werk van heel wat hedendaagse (Franse) dichters de cycli niet meer in losse maar in doorlopende tekst en in een mengvorm van proza en vers opgedeeld. Je krijgt dan dichtbundels te lezen die uit een lange soms monolithisch aandoende tekst bestaat. Tot zover liet Sacré het nog niet komen. ‘Brousailles’ bestaat uit een aantal losse teksten (die niet in cycli zijn opgedeeld). Ze vormen uiteraard een geheel maar elke tekst kan autonoom bestaan. In de ontwikkeling van Sacré wordt het verschil tussen het gebruik van de prozavorm en de versvorm steeds subtieler. Je merkt het nauwelijks waar een lijn wordt afgebroken (en dus een versregel wordt): de enjambementen die dan ontstaan zijn eerder zachtaardig, hebben zelden een bruusk effect. Deze werkwijze (het mengen van vers en proza) heeft Sacré zich zo eigen gemaakt dat voor hem het verschil tussen proza en vers zo goed als onbestaande is geworden. Vandaar zijn grote verbazing bij de vraag van zijn uitgever om een boekje te schrijven over het prozagedicht. Voor de dichter geldt enkel de notie ‘poème’ – ‘gedicht’. Of dat gedicht nu in proza of in versvorm of in een mengvorm is geschreven doet er eigenlijk voor Sacré niet toe. Wat de kern is, wat het centrale probleem is, is het gedicht. ‘Wat is een gedicht?’ en ‘wat is poëzie?’ zijn de vragen die als rode draad in deze bundel fungeren. Voor Sacré is het de tekst, of liever, zijn het de woorden in de tekst die zelf moeten aangeven of ze nu versvorm of in prozavorm moeten worden neergeschreven. ‘Prose ou vers, est-ce que vraiment il y a des raisons pour choisir’ – ‘Proza of vers zijn er echt redenen om te kiezen’.
Het is typisch voor de zachte ironie van Sacré dat hij dan toch op het verzoek van zijn uitgever wil ingaan en bereid is zich zeventig bladzijden lang te bezinnen over een probleem die hij au fond als een vals probleem beschouwt. (Tussen neus en lippen relativeert Sacré de literair-historische perceptie op het prozagedicht – die men meestal op het eind van de achttiende eeuw laat beginnen – door te wijzen op een tekst uit de dertiende eeuw (Aucassin et Nicolette), met, volgens hem, prozagedichtpotenties! Literatuurgeschiedenis lijkt voor hem wel vaker een misverstand. In deze bundel meer dan ooit.)
Paysage: prose ou vers? Landschap: proza of vers? In de loop van de bundel zal Sacré verbanden leggen tussen het landschap en wat hij schrijft. Begrippen/woordspelingen als paysage-passage, topographie-typographie worden fijntjes uitgespeeld en altijd in vragende vorm. Sacré is niet de man van harde statements (weinig oneliners in zijn werk). Hij is eerder de man van de nuance. Eerder een man om letterlijk dingen tussen haakjes te zeggen. En inderdaad in de zich slingerende voordoende structuur van zijn syntaxis worden bijzinnen hier en daar wel eens tussen haakjes geplaatst.
Het gedicht is voor Sacré een typografisch landschap: je gaat er doorheen, schrijvend of lezend. Je gaat doorheen de woorden zoals je doorheen een landschap gaat. Horizontaal, vertikaal. Een boomgaard kan een versregel zijn, een landweg een blakende volzin. De dichter beweegt een beetje: het is zijn hand die schrijft, die zich het landschap laat schrijven. Een dichter is niet meer dan een schrijvend lichaam dat de woorden in golven over en door zich heen laat gaan. ‘Ménager le passage d’un fragment de phrase à un suivant’ ‘De overgang van het ene zinsfragment naar het andere mogelijk maken’. Laswerk van vers en proza. Je gaat van proza naar vers over (en vice versa), zoals je van het ene landschap naar het andere gaat: de contouren veranderen, naarmate er andere woorden komen. Een kwestie van juxtapositie. Wat maakt iets tot poëzie? Waarin verschilt poëzie van een roman of een essay of toneelstuk? Waar zijn de marges en wie bepaalt die? Vragen die het lezen van ‘Brousaille’ bij mij hebben uitgelokt.
In een grappige passus – waarin hij het woord ‘merde’ laat vallen, een woord dat in alle talen hetzelfde betekent – snijdt Sacré (die van enige scatalogie niet altijd is vrij te spreken) het probleem van het rijm aan. En tussen de regels geeft hij daarmee ook het probleem van het zgn. métier van de dichter aan. Het prozagedicht breekt met de traditionele opvatting over dat métier. Iets wat sommige lezers doet afhaken omdat de breuk met de traditie te heftig zou zijn. Andere lezers trekt het dan weer aan omdat het prozagedicht onvoorwaardelijk avant-gardistisch zou zijn. De breuk met de traditie is echter minder groot dan het lijkt en niet alle prozagedichten plaatsen zich daarom binnen een zogenaamd avantgardistisch kader. (Wordt het trouwens niet hoog tijd dat we het woord avant-garde nu eens laten voor wat het ooit waard is geweest?)6 Alles valt of staat met wat je het métier van een dichter noemt. Inderdaad: metrum en rijm vind je niet meteen in het prozagedicht terug. Maar alle andere elementen – op het enjambement na misschien – vind je in een prozagedicht terug. Net als bij het zogenaamde vrije vers! Natuurlijk heeft het métier zijn belang, maar vooraan staat de ‘idiosyncrasie’. Je hebt verzenmakers en je hebt dichters. Het métier van de dichter mag nooit ten koste gaan van zijn eigenzinnigheid, stel ik. Binnen het prozagedicht of voor het genre waarvoor nog geen naam bestaat – als er al een naam zou moeten voor bestaan! – namelijk die mengvorm tussen vers- en prozavorm) ontstaat een ruimte waarbinnen je allerlei stilistische, retorische middelen kunt gaan combineren en waarmee de dichter zijn eigen krijtlijnen kan gaan bepalen. Waarmee ik wil zeggen: het is aan de dichter zelf om binnen zijn grenzen en mogelijkheden zijn métier aan te geven en zich daarin te gaan verdiepen en te vervolmaken. Metrum, rijm en enjambement zijn maar mogelijkheden en geen essenties. Heel de zaak relativeert Sacré met volgende ironische uitspraak:
‘La poésie,
je vais pas m’en faire tout un roman, allez’
In zijn dubbende zoektocht naar een mogelijk antwoord op die hem steeds meer kregelig makende vraag van zijn uitgever, werpt Sacré ook de problematiek tussen lezen en schrijven op: het is niet zo een nieuwe gedachte dat hij schrijven een vorm van lezen noemt. Een dichter is iemand die ‘vertaalt’. Het gedicht als onderschrift. Een onderschrift bij wat is, bij wat gaande is: de taal is maar een allure, een allegorie van het zijn. Een gedicht scheert langs het zijn. Volledig passend in zijn humilitas-schema: je ne fais qu’effleurer. ‘Ik kan alleen maar over iets strijken.’
Deze constante terughoudendheid van de dichter zorgt ook voor een zekere afstand ten aanzien van de lyriek zelf. Staat er meer in een gedicht dan dat wat er staat? Is er sprake van een raadsel? Ook hier weer belet de scepsis van Sacré een sluitend antwoord. Schrijven wijst iets aan, geeft iets aan, maar de dichter weet zelf niet goed wat. Van het schrijfproces blijven de slechts woorden over. Een overtuiging en een feit.
Tout ça mal pensé sans doute, on se dit
Qu’écrire ne pourra montrer.
Sans qu’on sache trop quoi. On continue de croire
C’est bien le mot qui convient:
De croire en rien.
‘Waarschijnlijk allemaal wat slecht bedacht, zegt men in zichzelf
Dat schrijven iets zou kunnen tonen
Zonder dat men helemaal weet wat. Men blijft geloven
Dat het het woord is dat het hem doet:
Geloven in niets’
Het ‘niets’ in deze context moet je dan de betekenis geven van ‘iets’, van het kleine, het weinige, het restje. Begrippen die helemaal centraal staan in het œuvre van Sacré. Hierover uitweiden is nu niet de plaats.
Halfweg de bundel steekt dan heel direct de vraag op: wat maakt een gedicht tot een gedicht, tot ware poëzie? Want dit geeft Sacré toe, zij het alweer in vraagvorm: iets in het gedicht, iets in de opbouw van een gedicht wekt de indruk van een ‘intenser leven’:
‘cette impression de vivre
Plus intensément?’.
Poëzie is voor Sacré een chimère, of op zijn minst de schaduw van een chimère. (Chimère - het woord bestaat in het Nederlands!). Een chimère zal allicht een soort amalgaam zijn, een allegaartje van mysterieuze dieptepsychologische elementen, een cocktail van persoonlijke traumaatjes en collectieve archetypen. Sacré gaat er niet dieper op in. Hij laat ons in het ongewisse – precies zoals chimères doen. Chimères bestaan in feite niet. (Wat niet belet dat ze erg veel plaats in ons bestaan innemen: bibliotheken vol. Zou de poëzie een soort spook zijn? Laat poëzie ons spoken zien?)
Wat poëzie is, volgens Sacré kan je eigenlijk maar afmeten op basis van al bestaande gedichten. En, merkt hij op, die notie over poëzie verandert, verschuift al naargelang het tijdsgewricht. Alleen de woorden waarmee die gedichten zijn geschreven, veranderen niet. Poëzie schrijven is dus, hoe schroomvol en oprecht ook, een vorm van liegen en beliegen. En – hier komt de ironicus weer boven – het komt er volgens hem op aan dat de dichter het gedicht ‘la fraicheur du mensonge’- ‘de frisheid van de leugen’ weet te bewaren. Retoriek liegt. Maar kan je buiten retoriek en leugen om? Sommige dichters zeggen van wel en verleiden ons. Maar verleiden is altijd wel een beetje beliegen. De poëzie is ons te slim en te vlug af voor een gedicht. De poëzie is listig: het motief van le poème-renard (het vossengedicht) vind je in ander werk van Sacré terug. Proza en vers zijn daarom maar strategieën van de dichter in de vossenjacht die het schrijven van een gedicht is. Maar wat in deze paragraaf staat is meer een persoonlijke interpretatie en bedenking.
Maar is die chimère nu iets exclusief voor de poëzie, is het het voorrecht van het gedicht? Weer eens typisch voor de terughoudendheid van Sacré is dat hij verzucht dat het schrijven van een roman precies eenzelfde chimère als oorsprong kan hebben. En hiermee laat hij de vraag wat poëzie is, weer onbeantwoord. Tenzij met een kwinkslag: dat opdelingen tussen poëzie, roman, theatertekst en essay wellicht kunstmatig zijn. Literaire genres zijn conditioneringen. Zijn eindconclusie (en eindconclusie van deze beschouwing) klinkt dus als volgt (en je vraagt je hierbij af of dit nu een ironiserend sofisme, een diepe wijsheid of een anti-institutioneel, lichtjes rebels standpunt is van Sacré):
‘En fait il n’y a sans doute pas de différence fondamentale entre prose et vers. Et c’est pourquoi le paysage ne me donne que de l’écriture (vocabulaire et prosodie), ça n’est que moi, qui, par une sorte de paresse ou d’incapacité, persiste à dire que j’écris en prose ou en vers, alors
Que tout simplement j’écris
Et c’est peut-être dire
Que tout ce est prose est également vers et que les vers sont aussi de la prose
Mais il y a l’histoire de la littérature, les façons de comprendre les choses, de les construire pour les besoins de l’époque, de choisir , de gérer, de s’en foutre ou de bien calculer ce qu’on dit ou fait pour de vaines prétentions et des intérêts immédiats, et donc on parle de prose et de vers.’
‘Eigenlijk is er ongetwijfeld geen fundamenteel verschil tussen proza en vers. En daarom is het dat het landschap me enkel wat schriftuur aanreikt (woordenschat en prosodie), dat ik het slechts ben die, uit luiheid of onvermogen, blijf beweren dat ik in prozavorm of in versvorm schrijf, terwijl
Ik gewoonweg schrijf
En daarmee misschien wil zeggen dat
Alles wat proza is eveneens vers is en wat verzen zijn ook proza is
Maar er is de literatuurgeschiedenis, de talrijke manieren om de dingen te begrijpen, om ze op te bouwen naargelang de noden van de tijd, om te kiezen, om te beheren, om er zich niets van aan trekken of om op een berekende manier ijdele pretenties en onmiddellijke belangen te volgen, en dus heeft men het over proza en vers.’
Poëzie is dus wat we zelf zo noemen, geïnspireerd door allerlei beweegredenen en (tijds)omstandigheden. ‘Tous les poèmes ne sont que des écritures déclarées poèmes’.
1 Broussaille de prose et de vers (où se trouve pris le mot paysage)- James Sacré, Edititons Obsidiane, 2006, Collection Vif d’enclume. ISNB: 2-911914-90-2
2 Dat het ritme van bij het ontstaan van het prozagedicht een van de betrachtingen was leest zich wellicht uit volgende citaat van Baudelaire: ‘rythme primitief, sans rime, sans vers et sans prose poétique’
3 Christine Van Rogger Andreucci, Supplément Triages, actes de colloque James Sacré (Tarabuste, 2002)
4 Le matricule des Anges – n° 75, juillet-Août 2005 : James Sacré, la poésie au coeur. Interview afgenomen door Thierry Guichard
5 Het uur van de wolf, uitzending 18/03, Rutger Kopland – de taal van het verlangen.
6 In dit verband wijs ik op : Thomas Vaessens. Ongerijmd Succes. Poëzie in een onpoëtische tijd. Vantilt, 2006.
|
De Brakke Hond
Literair cadeau
nodig?
Verras
4x per jaar,
Met een
abonnement!
|
|