|
Stefaan van den Bremt
Toewijding
‘Wat heeft hij toch wat wij niet hebben?’ vroeg X aan Y, toen A alweer met een nieuwe schone aan tafel verscheen en haar, tussen twee haastige happen en een gulzige slok door, vurige woordjes toefluisterde die zij beantwoordde met een blik van hier-heb-ik-hem-eindelijk-aan-mijn-zijde.
Met een ‘Hoe krijgt hij het in hemelsnaam telkens weer voor mekaar?’ nam Z even later Y in vertrouwen. Die ermee volstond hem de vraag van X te herhalen.
Wat had A toch wat zij niet hadden?
‘Toewijding!’ was het duidelijke antwoord van Z.
Dat moest het dus wezen: toewijding!
Een zoen die intussen van een wang naar de bovenarm van de schone neerdaalde, bevestigde die conclusie.
De mekaar toegewijden wendden zich zozeer van het gezelschap af dat X de kans schoon zag voor nog een vraag:
‘Anderzijds, wat hebben wij wat hij niét heeft?’
‘Toewijding?’ vroeg Y. ‘Een andere soort toewijding?
|