


|  |
Stefaan van den Bremt
Aurore
‘Oh! Wat zou ik nu zielsgraag op het land willen verblijven!’ riep Aurore wie het mocht horen uit volle borst toe. De naaste buren hielden hun hart vast: een ’s ochtends vroeg al zo uitbundige Aurore voorspelde narigheid.
De zon liet er weinig twijfel over bestaan dat dit dorp nog maar eens een loden augustusdag wachtte. Ook vandaag was er geen wolkje aan de lucht.
‘Nu op een hoeve de kippen voeren!’ riep Aurore al even extatisch, intussen voorzichtig voortschuifelend in haar looprek. Sinds ze zich vorige zomer op een nacht, toen op haar angstkreten niemand toe kwam snellen, uit haar bed had laten vallen met een bekkenbreuk als gevolg, kon ze zich alleen op deze manier nog verplaatsen.
Met haar uitwaaierende blonde haren en haar massieve gestalte, haar beide handen op de leuning die om haar middel meeliep, leek ze een Keltische sibille, wier woorden men niet lichtzinnig weg moest wuiven.
‘Oh!’ riep ze nog een keer en stond erbij stil, alsof ze het asfalt over de straatkeien onder haar blik wilde doen wegsmelten. ‘Nu in de volle natuur mogen vertoeven! Het groene gras, de gezonde lucht!’
Quasimodo liep voorbij en morste uit een van zijn emmers een kwak water. De zon scheen nog meedogenlozer.
Iemand klapte de vensterluiken dicht.
|