Terug naar de cover
Terug naar de inhoudstafel

Stefaan van den Bremt

Quasimodo

Quasimodo is terug. Hij luidt niet langer de klokken van de Notre-Dame; hij kweekt tomaten. Twintigmaal daags sloft hij door de Rue des Pénitents, met op zijn blote, bultige rug de zon van de hondsdagen in het Zuiden. Kweekt hij tomaten of kweekt hij bloedblaren? Zijn bochel vervelt terwijl hij, met in elke hand een tot over de rand gevulde emmer, water morsend door het dorp sjokt. Hij verdwijnt achter het hekje van de tuin waar de tomaten wachten. De tuin die niet van hem is maar waar hij zijn gang mag gaan. De tomaten zwellen onder de zon van de hondsdagen. De bult op zijn rug wil vervellen. De moestuin heeft dorst. Quasimodo sleept water aan en morst en zweet als een otter.
    Is hij wel Quasimodo of is hij een steeds krommer groeiende Sisyphus? Een die hondsdagelijks water uit zijn bochel slaat?
    Op weg naar een zonnesteek zeult Quasimodo met water. In het hout van het tuinhek heeft hij met bultige vingers een boodschap gekrast: Je sui en ba. Fred. (Zo heet hij voor wie hem niet kent.) Als hij hierboven niet naar zijn moestuin sloft, ligt hij beneden onder de zoden. Als hij in Parijs de klokken van de Notre-Dame niet klept, kweekt hij hier kleppers van tomaten. Quasimodo heeft geen rust.