Terug naar de cover
Terug naar de inhoudstafel

Johan de Boose

Diep in een oud oud jaar

proloog

het aarzelende begin van het voorjaar dat de winter doorprikt met die al zo vaak ervaren hoop. het moment om af te reizen. de schuine aarde verwijdert zich. je bevindt je niet langer in de ruimte maar in de tijd. slapen, in de ban van de beelden. het moment om weg te gaan. reizen zorgt voor gewaarwordingen die maken dat je jezelf ontstijgt. je zit op het dak van de wereld. alles lijkt erop te wijzen dat de wereld zojuist geboren is. de aardkorst lijkt te schommelen. ochtendlijke uren waarin het bewustzijn broos is. nooit word je wakker zonder je bewust te zijn van het contrast tussen de manier waarop je je nachten in angst en je dagen in euforie doorbrengt. als je wakker wordt is het of er een hardnekkige illusie aan diggelen gaat, of er een vreselijke waarheid wordt onthuld. terug naar de rommelige, wispelturige, zorgeloze bedrijvigheid. zin om te reizen is hevig als lust of verliefde nostalgie. je kunt je het leven niet voorstellen zonder reizen. wat zou je anders doen? op reis sluit je vrede met de wereld.

i.
duizend mijlen reizen met voeten van glas en zwijgend als een monnik tot diep in de oude oude eeuw. de grenzen van een onecht rijk afpassen, hier en daar een paal slaan, talen horen sterven. slapen in de erker van een stolp, weten dat de akkers branden, dat het bloed kniediep staat in het slachthuis. ontwaken in de zuiverende kou. het glas breken. je voeten wassen in de Zwarte Zee.

ii.
waar je ook komt, altijd kijk je in de richting van het bos en ruik je alle seizoenen, sappige, stoffige, wulpse, stille. hoor je de heremietlijster met zijn waterdruplied, herinner je je huizen en graven waar nu weiden zijn, voel je onder je blote voeten de wakke bosgrond vermengd met naalden, proef je de paddestoelen, zwavelkop vooral, eind april na de eerste warmtegolf en voor de laatste vorst. waar je aankomt, in de late middag, hoop je op een tafel met reuzel en jagersharing, een honingraat in een mok van klei, broodwodka uit een blikken pot, geserveerd in een wolk van vrouwelijke geuren.

iii.
je levert je over aan het geluk brengende hoefijzer, de wijsheid en de koppigheid van het muildier, de losse draf over het gespleten beton van grenswegen, de reukzin die giffen kan onderscheiden. je leert nieuwe talen, de taal van leiendaken, spiegelmeren, leem en schapenkaas, de taal van de kerfstok, de wodkaglazen, de zigeunerhutten, de dode taal van voorgangers die bij stormweer aan je mouw trekken, en de regelloze taal om in te zwijgen.

iv.
je hebt rib gegeten van het varken dat vanmiddag aan je voeten snoof, eikeljenever en honingthee gedronken met de maaiers, naar de sterren gekeken in het land van de alsem. de klokken zijn jaren geleden stilgevallen. in de resten van gouden kastelen wonen vleermuizen, en kinderen met halve longen baden in het meer. je komt hier nooit vandaan. waar je ook kijkt, overal zie je de zwarte bosschages, de ranken vol giftige druiven, de wervels van dood vee.
                                              het is waar dat je houdt van de armoede, het is waar dat je niet gelooft dat het beter wordt, het is waar dat het puin van het paradijs je meer aantrekt dan het paradijs, het is waar dat de godenzoon je allang niet meer aankijkt vanaf de ikoon die schuin in de hoek van de boerenkeuken hangt. overal waar je kijkt, zie je brokstukken. overal raap je brokken op, schoor je de bouwval met brokken en slaag je er niet in, in geen honderd jaar, glorie te verwerven, de ruïne te herbouwen.

v.
misschien ben je de laatste ooggetuige van een rafelend tijdvak, de laatste bezoeker van het paradijs dat de mens werd afgestaan in vruchtgebruik, de enige die weet waar Europa eindigt of begint en of het wel bestaat, of het klopt wat je ziet, op de stoep van een strandtrap, bij een manshoog colablik, waar schele Ada warme zakoeski verkoopt en roma-kinderen haring schooien, of het klopt dat het hier is, onder deze zon, in dit treurig strijklicht.
                                    het is diep in een oud oud jaar en je beweegt je schrijvende voort. er moet tenminste iemand wakker blijven, iemand moet een schets maken van de opeenvolgende fasen van ontbinding, de stemmen horen uit de openstaande ramen van de keukens, wachten op de binnenplaats, de mest van de schoenen schrapen, pantoffels aanschuiven en een dronk uitbrengen op de schimmen van het Onland.
                                                                            hier is het land waar je komt op weg naar de ziel en je weet dat het land zal verdwijnen, dat alles, als je ook maar even wegkijkt, zonder enig spoor vervliedt. blijf staan, loop niet weg, ga de bierschenkerij aan de oever van de Zwarte Zee binnen, drink het warme bier en draai je alsjeblieft niet om, want als Europa ergens eindigt, dan is het hier, in de haastig neergeslagen blik van een kind aan de rand van een ravijn.
                                                 en als Europa ergens begint, dan is het evenzeer hier, in de houten dorpen bij het hek van het oerbos dat in de prehistorie het hele continent besloeg, in de begrafenisstoet, tussen de monstransen, op de veemarkt onder glazen luifels, in de kaashoeven en de ovens, in het badhuis langs de dorpsweg, in de herdershutten, in het steengruis van een synagoge, in de slaapkamer van de mooie Adriana.