Terug naar de coverTerug naar de inhoudstafel

Teennagels

John Toxopeus

Voeten om te zoenen, had hij gezegd toen wij elkaar opnieuw ontmoetten. Daarmee had hij mijn belangstelling gewekt, al zijn het niet de woorden die je gebruikt als je de erotische sensatie kent.

Ik keek naar buiten, naar de grote, grauwe gebouwen die wij passeerden. Het begon te sneeuwen en de paarden minderden vaart.
     De gele lichten, zojuist ontstoken door een van de veertien lantaarnopstekers die de kleine stad telt, gleden over het gezicht van de man tegenover mij, half verscholen onder de brede rand van zijn hoed. Een slappe hoed, strak getrokken over zijn langwerpige hoofd met hoog voorhoofd. Af en toe lichtten zijn blauwe ogen op, keken mij even aan en dwaalden weer naar buiten, waar de sneeuw zich langzaam, als een deken over de straten uitspreidde. De man droeg een lange, zwarte mantel, aan de bovenkant wijd open, evenals het witte overhemd zodat zwart, krullend borsthaar zichtbaar was. Ik huiverde en kroop dieper in mijn zware duffelse jas en snoof aan de bontkraag die ik, zoals altijd voordat ik uitga, met enkele druppels sterk ruikend haarwater had besprenkeld.
     De paarden gingen nu stapvoets. De aansporingen van de koetsier moesten wijken voor de stilte in de straten waar wij reden.
     Op de hoek van de Reinhard Gieffelstrasse en de Reiterstrasse stopte de koets. De man tegenover mij schoof naar de deur, opende die met zijn linkerhand en voordat hij met voorzichtige bewegingen uit de koets stapte, legde hij zijn rechterhand even op mijn bovenbeen. Het leek of hij steun zocht. Terwijl ik zijn lange, rechte gestalte nakeek, stapte aan de andere kant een jonge vrouw in. Ik boog voorover en stak een hand uit om haar behulpzaam te zijn. Ze leek het niet te zien. Onder een gehaakt mutsje van bruin katoen, versierd met kleine gele rozetten, vertoonden zich, als een krans, rode krullen. Een van de gele bloemetjes hing aan een rode draad tegen haar rechteroor en zou later achterblijven in de vuile, smeltende sneeuw. Ik keek in een paar verschrikte bruine ogen, die van links naar rechts schoten. Haar blik bleef hangen in de richting waar de man zojuist was verdwenen.
     Ze droeg een vale, korte jas van schapenbont en een lange donkere rok die aan de onderkant nat was van de sneeuw. Daaronder waren een paar platte schoentjes zichtbaar. Kleine voetjes.
     ‘Ik moet met u praten.’
     Ik trok mijn wenkbrauwen op.
     ‘Over Karl.’ Ze boog zich voorover en ik zag nu hoe nat haar gezicht was.
     ‘Karl? Wie is Karl?,’ vroeg ik.
     ‘Het geeft niks. Het kan me niet schelen dat u zo bent. Ik wil alleen maar zekerheid. De waarheid horen.’ Ze boog zich verder voorover. Er viel smeltende sneeuw van haar schapenvacht waar een lucht vanaf kwam die mij deed denken aan het huis van mijn zuster en haar nog steeds bedwaterende zoontje.
     ‘Ik denk echt dat u zich vergist, lieve dame. Ik ken u niet. Hoe zou u weten wie of wat ik ben?’ Ik legde mijn hand op de bank. ‘Kom naast mij zitten, dat praat makkelijker. Misschien dat ik een misverstand uit de weg kan ruimen.’
     Ze ging, zij het aarzelend, in op mijn voorstel.
     ‘De man die zojuist uitstapte is mijn geliefde, Karl. Hij wil mij verlaten vertelde hij mij gisteren.’ Ze zocht in een linnen schoudertas en diepte een kleine zakdoek op. Ze snoot haar neus, met piepgeluidjes. ‘Ik voel me meer aangetrokken tot de herenliefde, zei hij.’ Ze keek schuin opzij en wachtte even. Toen ik niet reageerde vervolgde ze: ‘Ik zei dat ik dat niet geloofde. Want zo is Karl niet. Zoals Karl heb ik ze nog nooit meegemaakt, mijnheer.’
     ‘Hoezo?,’ vroeg ik. Ik verborg mijn gezicht in mijn bontkraag zodat mijn glimlach niet zichtbaar was.
     ‘Ach, mijnheer, hoe zal ik het zeggen. Tegen mijn zuster zeg ik altijd, het is een beest, een onverzadigbaar beest. Snapt u wat ik bedoel?’
     ‘Zo’n beetje,’ zei ik. ‘Maar wat heeft dat met mij te maken?’ ‘Ik geloofde niet wat hij mij vertelde over zijn liefde voor mannen. En toen vertelde hij mij dat ik u aan zou treffen in de koets waar hij uit zou stappen en dat ik er dan zelf wel achter zou komen.’ Ze verplaatste het verfrommelde zakdoekje van haar ene naar haar andere hand. ‘Ik kan niet zonder hem, mijnheer.’
     Ik keek naar haar schoentjes waarvan de neuzen met wit uitgeslagen kringen net onder haar rokken vandaan kwamen en probeerde me een voorstelling te maken van haar voetjes.
Ik legde mijn hand op haar onderarm. ‘Weet u wat ik denk? Ik denk dat die Karl, die ik helemaal niet ken, op een lafhartige manier van u af probeert te komen.’
     Ze keek me aan met grote verbaasde ogen, maar zei niks.
     Ik ging iets dichter tegen haar aanzitten. ‘Ik had een kort gesprek met hem. Even maar. Een paar beleefdheidszinnen. U kent dat wel. Ik vertelde hem dat ik hier ben voor inspectie van een van mijn handelskantoren. Hij vertelde dat hij ook op inspectie was. Lang en blond, zo’n soort grapje maakte hij. Daar hebben we hartelijk om gelachen. Meer niet.’
     Ze drukte het zakdoekje tegen haar ogen en ik voelde haar schouder schokken tegen mijn arm.
     ‘Kom mee,’ zei ik. ‘U hebt iets versterkends nodig.’ Met mijn wandelstok gaf ik twee flinke tikken tegen de bovenkant van het rijtuig, daar waar zich het zitvlak van de koetsier moest bevinden. De koets stopte onmiddellijk.

In het café was het warm. Het rook er naar natte kleren en dorstige mensen. Ik zocht een tafeltje in een hoek met weinig licht. Ik bestelde Glühwein, bier, Saumagen die hier van uitzonderlijke kwaliteit is en bloedworst. Ze nam gretig van de bloedworst en de wijn die ik haar regelmatig bijschonk. Ze vertelde over haar zuster die bij een tandarts werkte. Een eigenaardige kerel die steeds moest kotsen als hij weer een tijdje boven zo’n stinkend gat met rotte kiezen had gehangen en het baantje dat ze daar had als schoonmaakster. En hoe ze Karl daar had ontmoet, en hoe ze meteen verliefd waren geworden. Misschien ook wel omdat Doktor Gregor, zo heette de tandarts, bij hem totaal niet misselijk was geworden.
     ‘Je moet blij zijn dat je van hem af bent,’ zei ik. ‘Het is eigenlijk een lafaard, die je niet in je gezicht durft te zeggen dat hij een ander heeft en je opscheept met een toevallige voorbijganger.’
     Ze knikte, probeerde rechtop te gaan zitten, maar gleed weer zwaar tegen mij aan.
     ‘Je bent moe,’ zei ik en pakte haar hand die ze niet terugtrok. ‘Van alle emoties.’
     Ze zocht mijn ogen. ‘U bent zo goed voor me. Wilt u mij naar huis brengen?’
     ‘Ik weet wat beters,’ zei ik en had slechts een handbeweging nodig om de eigenaar van de zaak mijn wensen kenbaar te maken.
     Ik hielp haar naar boven, langs de houten wenteltrap en moest haar met een arm ondersteunen toen ik de deur opende van de kamer waarvan ik wist dat het bed niet kraakte. Ze rook naar wijn en zuur, warm zweet.

Ze verzette zich niet toen ik haar op bed legde en ook niet toen ik haar schoentjes uittrok en haar kousen die met elastische bandjes aan haar broekje waren vastgeknoopt.
     Het leek alsof ze al sliep toen ik uit mijn valies mijn toiletetui pakte en een scherpe nagelschaar onder het elastiek vandaan wipte. Ik bekeek haar voetjes nu en nam ze in mijn handen. Terwijl ik de nagels van haar tenen knipte werd mijn opwinding steeds groter. Ze liet toe dat ik haar bitterzoete tenen kuste, er op zoog, dat ik haar benen streelde en haar met mijn tong verwende. Toen ik haar nam, maakte ze keelgeluiden als een big die merkt dat de trog gevuld wordt, eindigend in ingehouden kreten die horen bij gehorige slaapkamers. De volgende ochtend, toen ik wakker werd nam ik haar voor de derde maal. Ik stapte uit bed, stopte de negen teennagels - aan de kleine teen van haar linker voet ontbrak er een - in een speciaal daarvoor bestemd foedraaltje en streelde haar voetjes, nog plakkerig van mijn lust van de vorige avond. Ze glimlachte voordat ze zich omdraaide en weer in slaap viel.

Na een bezoek aan de bank ging ik naar het hotel waar ik logeerde en pakte mijn koffer. Op weg naar de koets die buiten te wachten stond, kwam ik door de hal waar ik de man weer aantrof. De rand van de slappe hoed hing half voor zijn hoge voorhoofd. Hij rookte een lange, dunne sigaar en voor hem op tafel stond een glas whisky. Ik overhandigde hem in het voorbijgaan een envelop die hij in zijn binnenzak stak.
     ‘Wilt u het niet natellen?,’ vroeg ik, maar ook deze keer schudde hij zijn hoofd.

De Brakke Hond
Literair cadeau
nodig?
Verras
4x per jaar,
Met een
abonnement!