


|  |
Charles Simic
Bij het lezen van historische werken
voor Hans Magnus
Soms, terwijl ik hier zit te lezen
In de bibliotheek,
Krijg ik een vluchtige blik
Op hen die eeuwen geleden
Werden ter dood veroordeeld,
En op hun beulen.
Ik zie elk lijkbleek gezicht voor me,
De manier waarop een rechter
Een vonnis uitspreekt,
Terwijl ik me verwonder over de gedachte
Dat ik dan nog niet besta.
Met de ogen dicht kan ik
De vogels in de avond horen.
Ze zullen zo weer stil zijn
En de laatste nacht op aarde
Zal aanvangen
In de volheid van haar smart.
Hoe uitgestrekt, donker en ondoordringbaar
Is de vroege ochtendlucht
Voor hen die naar hun dood worden geleid
In een wereld waar ik totaal geen deel van uitmaak,
Waar ik nog altijd kan kijken naar
Iemands in elkaar gezakte rug,
Iemand die van me weg wandelt
Met zijn handen vastgebonden,
Zijn grijzende hoofd nog op zijn schouders,
Iemand die
In het weinige dat hem nog rest van zijn leven
Op een onduidelijke manier weet heeft van me
En aan me denkt als aan een God,
Als aan een duivel.
|