![]()   |
 |
Oude leugens en nieuwe schande
(Leesnotities, 2)
Joris Note
In een maand maart, twee lokale krantjes in de bus. Dat van de buurtwerking begint zo: ‘De koude donkere dagen maken plaats voor de lentekriebels. De winterjas wordt vervangen door de zomerjas. De tuin krijgt weer een flinke beurt. De fiets wordt van stal gehaald. Kortom, de mensen gaan weer meer buiten leven en van ’t zonnetje genieten.’ Het andere krantje komt uit politieke hoek: ‘Iedereen maakt zich klaar. Terwijl de mensen uitkijken naar de zomer en de vogels hun nest bouwen, bereiden de partijen zich voor op de naderende gemeenteraadsverkiezingen.’ Clichés, bijna grotesk overdreven, niet grappig bedoeld.
Een cliché? Maar pas op, hoor ik een tv-figuur beweren: Het is wáár, en dáárom is het een cliché. Zijn studiogast beaamt: Heel juist.
Ze ontkennen niet dat een cliché een cliché is, ze verdedigen het cliché als zodanig, door te beweren dat het een sterk waarheidsgehalte heeft, dat er bij clichés een sterke overeenstemming is tussen woorden en werkelijkheid. Ze vergissen zich: het clichézijn van een cliché berust niet op zijn waarheidsgehalte, het heeft in wezen niets vandoen met waar of onwaar; het gaat erom dat iets op een gefixeerde of versteende manier verwoord wordt.
Ze gebruiken het etiket ‘cliché’ ook vaak onnauwkeurig: ‘In die voetbalwedstrijd is ploeg A duidelijk favoriet, maar natuurlijk, zoals het cliché zegt: de wedstrijd moet wel gespeeld worden.’ Zo kun je elke uitdrukking en elke vaak gebruikte formulering als cliché bestempelen. Ik beperk de term liever tot uitdrukkingen en woorden die verhinderen dat een bepaalde werkelijkheid in haar specificiteit waargenomen en begrepen wordt: formuleringen die de werkelijkheid afschermen.
...
Het fascisme van Ezra Pound. Hij was niet iemand die het fascisme zomaar accepteerde of zich er bij neerlegde, maar iemand die zich er militant voor inzette (zij het als eenling, en alleen verbaal); en hij was ook bijna zijn leven lang een verbeten antisemiet. Natuurlijk vormen die feiten een probleem als je aan Pound groot literair belang wil toekennen. Lezers die zijn kunst gunstig gezind zijn behelpen zich op diverse wijzen:
Ze zeggen dat Pound een groot dichter en innovator was ondanks zijn fascisme en antisemitisme: ze halen dichterschap en politiek dus simpelweg uit elkaar.
Ze voeren verzachtende omstandigheden aan, bijvoorbeeld: dat antiparlementarisme en antisemitisme in het interbellum wijd verspreid waren, en dat sommige van Pounds collega’s ‘op zijn minst even rechtse ideeën hadden’. Aldus Paul Claes en Mon Nys, die ook aanstippen dat (anders dan zijn politieke keuze) zijn ‘economische analyse’ correct was: ‘geld dient de maat en het loon te zijn voor productieve menselijke arbeid en mag geen macht op zichzelf worden in de handen van speculanten en geldschieters.’ Pounds onoorbare politiek wordt ook verklaard vanuit zijn milieu van herkomst – weer verzachtende omstandigheden.
Ze zeggen dat hij niet scherpzinnig genoeg was. Claes en Nys noemen hem ‘een verblind slachtoffer’, iemand die ‘zich door de façade van het fascisme als een kind liet misleiden’.
Dat is allemaal niet onjuist, maar toch onbevredigend. Ik zal niet beweren dat Pound een groot dichter was wegens zijn fascisme, maar we moeten wel de verbanden tussen zijn literatuur en zijn politiek willen zien. En was de fascist Pound eigenlijk wel rechts? Ik denk in elk geval dat sommigen die zich níet verbrandden veel rechtser waren dan hij. En wat die verblinding betreft: dat is uiteraard slechts een constatering, ze verschuift de moeilijkheid; hoe kwam het dat Pound zich liet misleiden?
Ik weet het ook niet, absoluut niet. Maar er zijn wat dingen waarover ik nog verder wil nadenken.
Pound was een boze rebel. In zijn vroege poëzie komt dat het duidelijkst tot uiting in Lustra (1916, zie ook vorige aflevering): ‘Be against all forms of oppression,’ zegt hij tegen zijn ‘liederen’, en: ‘Go out and defy opinion’. Zat er in die poëzie al een antidemocratisch element? Peter Brooker wijst op Whitmaniaanse aspecten, maar voegt eraan toe ‘dat Pounds “boodschap” [niet] Whitmans karakteristieke groet aan “de democratische doorsnee” is. Pounds verachting voor onderdrukking gaat over [...] op de onderdrukten zelf; op de mislukkelingen en de gefrustreerden zowel als op de zelfgenoegzamen en de onwetenden.’ Als Pound zich richt tot ‘the lovers of perfection alone’, dan doet hij iets anders dan Whitman, die niet zo’n onderscheid maakt tussen mensen.
Zelf vind ik die verzen nogal ambigu. Soms lijkt Pound aan onderdrukten juist troost en moed te willen geven, andere keren toont hij inderdaad geen geduld met hen die zich laten onderdrukken (zoals hij kwaad was op zichzelf omdat hij Lustra liet censureren). Zo’n ‘verachting’ voor onderdrukten is niet per se ondemocratisch, en staat in een goede traditie – van Etienne de La Boétie’s verhandeling over de vrijwillige slavernij tot Hans Magnus Enzensbergers verdediging van de wolven tegen de schapen, en verder.
Maar bij de jonge Pound ligt het toch anders. In het essay ‘Patria Mia’ (1912) berispt hij Amerikaanse arbeiders én burgers omdat ze geen artistieke interesses hebben – en betreurt hij ook de toevloed van Slavische en joodse immigranten in New York. Wat later, in Hugh Selwyn Mauberley (1920) noemt hij als tekenen van achteruitgang in de moderne tijd onder meer (eerste deel, III):
De pers is onze hostie;
Stemrecht onze besnijdenis.
Iedereen is gelijk voor de wet.
Van Pisistratus verlost
Verkozen wij een schurk
Of een eunuch tot vorst.
Pers en stemrecht in plaats van het heilige, twijfel aan de égalité, een slechte of zwakke verkozene in plaats van een verlichte tiran: dat laat weinig plaats voor misverstanden, al bestond er nog geen fascisme in 1920.
Maar vlak daarna (eerste deel, IV) wordt die schamperheid aangevuld met een evocatie van de net voorbije oorlog; jonge mensen, als ze al niet doodgingen,
waadden tot hun ogen in de hel,
vol geloof in de leugens van oude lieden, kwamen zonder geloof
weer naar huis, naar een leugen,
naar veelvuldig bedrog,
naar oude leugens en nieuwe schande;
woeker eeuwen oud en eeuwen dik
en leugenaars aan het bewind.
Dit citaat bevalt me beter dan het vorige, geen klein beetje beter, maar ik mag het er niet van losmaken. Dan zie ik dat voor de dichter Pound democratie samengaat met oorlog en leugens. Ai, dat zou niet mogen! Maar dan denk ik aan vandaag, aan Irak en zo, aan de gewelddadige verspreiding van de democratie, en aan de leugens die daarvoor ingezet worden. En dan kan ik me heel goed voorstellen dat iemand zegt: Is dát nu waar democratie toe leidt, als het zo in elkaar zit dan wil ik geen democratie! (Ik zal antwoorden: de democratie in kwestie is geen echte democratie.) Zo krijg ik misschien toch een soort begrip van en voor Pounds politiek.
Zijn latere geraaskal had veel te maken met het feit dat hij de oorzaken van oorlog meende te kennen en dat hij met die kennis de oorlog wilde voorkomen. In 1939 reisde hij naar zijn vaderland om Roosevelt te overtuigen dat oorlog tegen Amerika’s belang was. Hij deed dat niet alleen wegens fascistische sympathieën, schrijft biograaf Tytell: ‘zijn wereld was gebroken door de Eerste Wereldoorlog en er was niets dat hij meer vreesde dan oorlog’.
Ook te overwegen: het isolement waarin Pound rond 1930 terechtgekomen was met zijn strijd voor literaire vernieuwing. Gevoelens van ontgoocheling, miskenning. Vandaar walg en woede. Leven tussen levende doden. En zoeken naar een uitweg, naar een middel om het leven zijn smaak terug te geven, en om al het verkeerde te vernietigen.
Het verband tussen eenzaamheid en kwaadaardigheid.
Nog eens: hij was een rebel. En, 1928: ‘Quite simply: I want a new civilization.’ In godsnaam, laten we hem lezen en eren, deze dichter deze schrijver deze mens, omdat hij, in tegenstelling tot de meeste politici en intellectuelen van nu, nooit een nihilist is geweest. Laten we hem proberen te begrijpen.
Hardnekkig was hij ook, en niet bijster opportunistisch: toen de nederlaag van het fascisme al overduidelijk in het verschiet lag, liet hij het nog niet los; zelfs niet ná de nederlaag.
Wie een fundamentele verandering van de wereld voorstaat zal het altijd wel moeilijk blijven hebben met het verschil tussen ‘rechtse’ en ‘linkse’ verandering. Misschien kunnen we hulp vinden bij Alain Badious theorie van het kwaad – een theorie waarin het kwaad vanuit het goede wordt gedacht, waarin het kwaad dus gezien wordt als een soort afwijking of vervalsing van het goede, en niet als iets dat op zichzelf bestaat: er is geen ‘absoluut Kwaad’. Een van Badious namen voor het kwaad, simulacre (schijnbeeld), is bij uitstek bruikbaar in verband met fascisme en nazisme. Uiterst simplificerend gezegd: een fascistische/nazistische omwenteling vertoont grote formele overeenkomsten met een revolutie, maar verschilt er tegelijk grondig van, want in tegenstelling tot een echte revolutie (de Franse, de Russische) mist ze universaliteit; wat inhoudt dat ze alleen opkomt voor een bepaalde gemeenschap en dat alle anderen buitengesloten zijn en moeten verdwijnen (bijvoorbeeld de joden, die niet tot het Volk behoren). Vanuit de formele overeenkomsten zou je een ‘verblinding’ als die van Pound kunnen verklaren.
Wat we bij Badiou ook kunnen leren: dat we ons niet van nazisme en fascisme mogen afmaken door ze te veroordelen omdat ze zulke lelijke dingen hebben aangericht en daarmee basta; dat het noodzakelijk is om te denken over wat nazi’s en fascisten dachten, over het denken dat aan hun daden ten grondslag lag. Alleen zo kunnen we ontdekken wat er in ons eigen denken overeenstemt met het hunne, alleen zo kunnen we misschien vormen van ‘herhaling’ proberen te voorkomen.
(Ik lees dat de populaire radiopresentatrice Leen Demaré er prat op gaat niet te willen spreken tegen iemand die voor het Vlaams Belang stemt; en iemand die zich kandidaat stelt voor die partij wil ze zelfs niet groeten: ‘Zoveel domheid kan ik gewoon niet verdragen.’ Gewoon, dat kan zij gewoon niet, zo is zij gewoon, begrijpt u wel, gewoon! Zo slim en zo verdraagzaam dat ze geen onverdraagzame dommeriken kan verdragen! Helaas staat de dame niet alleen. Dat militante vasthouden aan de eigen onwetendheid, en aan het geloof in eigen onschuld en verstand, die gemakzuchtige weigering om aan te nemen dat rechtse radicalen ook gedachten hebben, en dat het beter is die gedachten te leren kennen en te overdenken dan alleen een banvloek uit te spreken. Brr.)
...
Geregeld hoor je rechtse lieden die beweren dat ons rechtse, liberale Vlaanderen/België (of een ander Europees land) geregeerd wordt door linksen, dat links ‘het establishment’ uitmaakt, dat rechts gedurig gekneveld wordt - en dat het dus moedig is om rechts te zijn. Luister maar naar de bonzen van het Vlaams Belang; en op de Franse tv zag ik een ‘debat’ over de vraag of rechts-zijn taboe is.
Uitgeverij Atlas heeft een goede serie met grote prozawerken uit de voorbije eeuw; in een brochure uit 2006 prijzen schrijvers en boekhandelaars hun favoriete delen uit de reeks aan. Ik moest hardop lachen om Kristien Hemmerechts’ nietszeggendheid (boek huppeldepup ‘is een feest voor wie houdt van interessante en goedgeschreven romans’) - en Geert van Istendael deed me denken aan de hierboven genoemde rechtse onzin. Hij begint zijn stukje over Joseph Roth als volgt: ‘Grote boeken zijn altijd vernieuwende boeken. Zo wil het de avant-garde. Al honderd jaar. Zo diep buigen we het hoofd voor de oekazes van de avant-garde dat we nauwelijks nog om ons heen kijken, bijvoorbeeld naar grote boeken die helemaal niets vernieuwd hebben. We kennen de namen van de gecanoniseerde vernieuwers, Kafka, Joyce, Svevo, Proust, Broch, Musil. Maar groter dan al die genieën vind ik Joseph Roth. Hij vernieuwde niets, integendeel [...]’. En het slot: ‘Wees gerust, het is geen hard karwei, integendeel. De boeken van Joseph Roth zijn opperst genot.’
Waarom noemt Van Istendael bij de gesmade vernieuwers niet ook Faulkner, Dos Passos, Queneau, Calvino – misschien omdat die (goddank) zelf opgenomen zijn in de serie van Atlas? En waren Rabelais, Cervantes en Flaubert niet evengoed vernieuwers? Waarom maakt Van Istendael zo’n slonzig gebruik van het woord avant-garde? En weet hij niet dat er soorten literair genot zijn, dat niet iedereen dezelfde soort zoekt? En vooral, waarom doet hij alsof in ons oerconservatieve literaire klimaat avant-gardisten en vernieuwers het voor het zeggen hebben?
Joseph Roth wordt door Van Istendael (en Benno Barnard) overschat, maar hij was een fascinerende figuur, en sommige van zijn boeken heb ik graag gelezen. En dat hij geen vernieuwer was, daar ben ik niet zo zeker van.
...
Sinds 1998 zijn bij Menken Kasander & Wigman een aantal vertalingen van Benito Pérez Galdós verschenen, en dat betekent, hoe zal ik het zeggen, eh, een feest voor wie houdt van interessante en goedgeschreven romans. Galdós (1843-1920), de belangrijkste (laat-)19de-eeuwse Spaanse romancier, verwierf waardering en populariteit met zowel historische als ‘contemporaine’ verhalen. Tot die laatste behoort zijn tweedelige hoofdwerk Fortunata en Jacinta (uit 1887, vertaald in 2000). Twee van zijn boeken, Tristana en Nazarín, werden door Luis Bunuel verfilmd.
Jamaar. Waarom zouden we deze Spanjaard lezen, hebben we niet genoeg aan Balzac, Stendhal, Dickens, Eliot, Fontane?
In 1888, een jaar na Fortunata en Jacinta, verscheen Miauw (vertaald in 2003, en al eens eerder in 1979), een roman die zich afspeelt in het Madrid van 1878, kort na het einde van de eerste Spaanse republiek en de restauratie van de Bourbons. De centrale figuur is Ramón Villaamil, een afgevloeide ambtenaar van Financiën die een fraai pensioen zou kunnen genieten als zijn carrière twee maanden langer geduurd had; hij brengt zijn tijd dus door met solliciteren naar een nieuwe betrekking bij het ministerie, met zoeken naar kruiwagens, met bedelen om geld bij kennissen. Het gebrek aan inkomen drukt zwaar op het huishouden, dat behalve Villaamil zelf bestaat uit drie vrouwen – zijn echtgenote Pura, haar zus Milagros, en zijn dochter Abelarda – en zijn kleinkind Luis, het zoontje van een andere (gestorven) dochter. Pura kan niet met geld omgaan en is net als Milagros en Abelarda verzot op de opera, waarvoor ze vaak gratis kaartjes krijgen via Abelarda’s banale verloofde Ponce; de kleine Luis heeft soms escapistische visioenen waarin hij met God de Vader spreekt. Het toch al rare gezin raakt helemaal ondersteboven wanneer Luis’ vader Víctor komt logeren, een sjoemelaar en vrouwenloper, die zelf ook een nieuwe baan zoekt en die om zich te vermaken Abelarda het hoofd op hol brengt.
Waar loopt het allemaal op uit? Ondanks hoopvolle momenten krijgt Villaamil geen betrekking, maar wel Víctor, die waarschijnlijk zijn schoonvader heeft zwartgemaakt; intussen heeft hij ook zijn pseudo-verleiderij nog opgedreven en vervolgens afgebroken: Abelarda stort ineen, maar zal weldra met de door een erfenis rijk geworden Ponce trouwen; Luis wordt weggehaald bij zijn grootouders, hij moet voortaan bij een zus van zijn vader wonen. Villaamil wordt bijna zot van ellende, maar berust uiteindelijk en pleegt zelfmoord. In dit hele verhaal is Víctor een sluwe indringer en intrigant die de zaken naar hun climax drijft, een duivelse buitenstaander die chaos sticht. Hij zal het ongetwijfeld ver schoppen.
Bij het lezen van Miauw springen twee aspecten direct in het oog. Ten eerste, het boek houdt zich bezig met schijn in alle mogelijke vormen: opera en toneel, verhullen van armoe, vertoon van ijver, illusies, hypocrisie, grof bedrog, het belang van goede kleren en optutterij... De voorbeelden liggen voor het oprapen op elke bladzijde en bij bijna elk personage. Ten tweede, we krijgen een satire op die schijn, op ambtenarij en bureaucratie, op kleinburgerlijk leven; buitengewoon aangename lectuur dus, want Galdós is een van de geestigste 19de-eeuwse schrijvers. Maar op zich lijkt dat alles niet zo bijzonder; het ontmantelen van de schijn behoort immers tot de vaste ingrediënten van talloze klassieke romans, tot de corebusiness van de burgerlijke realist: hij gedraagt zich bijna per definitie als ontmaskeraar, klokkenluider, verrader. Ja, waarom zou je Miauw lezen? Eigenlijk confronteert elke roman en elk niet-meteen-nuttig boek je met die vraag.
In de laatste honderd bladzijden - zowat het laatste derde van de roman – wordt de satire overstegen. Er klinken grimmiger tonen, veel grappigs verkeert in bittere ernst (al verdwijnt het komische nooit), en geleidelijk aan bereikt Galdós een enorme diepte en intensiteit.
Er zijn in Miauw drie soorten hoofdpersonages. De meeste worden negatief getekend, ze zijn dwaas (echtgenote en schoonzus) of slecht (schoonzoon Víctor); positief is alleen de kleine Luis, een vrij gewoon kind dat contact heeft met het goddelijke. Tegenover Villaamil zelf, en in mindere mate tegenover zijn dochter Abelarda, staat de verteller uiterst ambivalent, en daarom zijn zij veruit het boeiendst. Pas gaandeweg wordt die dubbelheid goed duidelijk. Villaamil komt minstens even bespottelijk over als de anderen, en zielig, klagerig, paranoïde; maar we leren andere kanten van hem kennen: hij is een ambtenaar in hart en nieren, maar geen wereldvreemde bureaucraat; hij heeft nog verdriet over zijn gestorven dochter, houdt zielsveel van haar zoontje; hij koestert onbekrompen politieke opvattingen; hij denkt niet alleen aan zichzelf maar ook aan het algemeen belang, heeft zinnige plannen voor een hervorming van Financiën. Maar hij wordt tegengewerkt en uitgelachen, en juist daardoor verergert zijn doordrammerij tot in het onverdraaglijke, en raakt hij over zijn toeren: ‘Laten we bidden voor onze arme vriend,’ zegt een ex-collega, ‘Hij heeft zijn verstand verloren.’ Zo lijkt het wel, maar is dat niet weer een soort schijn? Al in het begin van de roman werd Villaamil voorgesteld als een martelaar - of een gekruisigde, en die associatie neemt nu in kracht toe; Galdós bedoelde dat zeker niet alleen om te lachen.
Villaamils ogen gaan wagenwijd open – ‘En wat een verschieten zie ik voor me!’
Hij beseft dat hij een stommeling is geweest door ondanks zijn gezeur levenslang te blijven geloven ‘in moraal, in rechtvaardigheid en in de noodzaak van sluitende begrotingen’, door te blijven vertrouwen op de onderdrukkende Staat, én door zijn onnozele en ijdele familieleden te ontzien. Hij geeft het op. In de weergaloze laatste hoofdstukken zien we hem als ‘de gelukkigste mens op aarde’ (hoe twijfelachtig is die superlatief) ronddolen aan de rand van Madrid, kennelijk op zoek naar een geschikte plaats voor zijn dood. Hij geniet eindelijk eens van de natuur, hij eet op zijn gemak in een taveerne, hij predikt anarchie en adviseert de jonge kerels die hij ontmoet om in opstand te komen tegen hun bazen en van het leven te profiteren, hij drinkt een paar glaasjes, hij voelt zich aangetrokken door lichte meisjes, hij verkneukelt zich in de ongerustheid die zijn mallotige huisgenoten moeten voelen omdat hij niet thuiskomt. Hij spuit zijn afkeer van al wie hem het leven zuur heeft gemaakt, en neemt in gedachten afscheid van zijn geliefde Luis, die ‘kleine heilige’. Hij voelt zich vrij; hij schiet zich dood.
Er gebeurt, op een ander niveau, iets soortgelijks met de dommige Abelarda, die door de verteller steevast ‘de onbeduidende’ genoemd wordt. Ook zij staat op uit de diepste vernedering. Hou je nog van me? vraagt haar verloofde. ‘”Nou en of!” antwoordde Abelarda, vastbesloten van het viaduct af te springen, dat wil zeggen, te trouwen met Ponce.’
Voortdurend accentueert Miauw de dierlijke trekken van mensen (te beginnen bij de katachtige dames Villaamil, ‘de Miauws’): de realistische schrijver als zoöloog, gids in de mensentuin. Is dat méér dan alleen amusant? Neem Víctor, niet zo leuk: Villaamil doorziet hem als ‘de slechtste en verraderlijkste mens’, en: ‘Om hem nog gevaarlijker te maken gaf God, net zoals hij ervoor heeft gezorgd dat sommige roofdieren er prachtig uitzien, die man een tedere oogopslag, een innemende glimlach en praatjes waarmee hij zand strooit in de ogen van mensen die hem niet kennen’. De ‘geboren toneelspeler’ Víctor is een superdier, een monster, een menseneter, en uiteindelijk, in de woorden van Ponce, ‘een apocalyptisch beest’. Hij is het Beest dat al die andere beesten, die onschuldige dieren, komt opvreten.
Neem Villaamil zelf. Vanaf het begin wordt hij, spottend, vergeleken met een ‘een oude, afgeteerde tijger’, wiens werkkamer een donker hol is, en die, hoewel hij geen vlieg kwaad kan doen, soms ‘tussen zijn tanden rauw mensenvlees [lijkt] te vermalen’. Wanneer zijn woede en frustratie ten top stijgen wint dat beeld aan juistheid, inhoud: ‘Ik denk dat ik [Víctor] ga bijten als ik hem weer tegenkom... Ik voel een soort fysieke drang om mijn tanden in iemand te zetten.’ En tijdens zijn laatste tocht bevangt hem vernietigingsdrang, de wil ‘om een einde te maken aan alles wat leeft, als straf voor de mensheid, de natuur en God [...] omdat ik zo slecht behandeld ben’; als hij bij zijn familie bleef, denkt hij, zou hij ze op een dag allemaal overhoop schieten. Ook deze gewelddadigheid heeft een parallel bij zijn dochter, die uit wanhopige haat tegen Víctor bijna het jongetje Luis vermoordt, ze stort zich op hem als een vrijgelaten beest. Maar Villaamil schiet alleen zichzelf overhoop, Abelarda kalmeert en trouwt.
Zelfmoord en een liefdeloos huwelijk – geen aanbevelenswaardige oplossingen? Maar daar gaat het niet om, dat zijn maar de eindpunten. Het gaat om het pathos van de wanhoop. Het gaat om de reacties van mensen die door maatschappelijke druk aan het eind van hun Latijn geraakt zijn, aan het eind van hun redelijkheid en hun uitdrukkingsmogelijkheden; agressiviteit maakt onvermijdelijk deel uit van die reacties. De diepste ervaring van de definitief ontnuchterde en naar zijn dood stappende ambtenaar is die van verspilling: het leven in de schijn was en is verspild leven, vergooid leven. Een hevig inzicht, ook voor de lezer. En dan zal de samenleving wel Foei! en Abnormaal! zeggen, de burgerlijke samenleving van toen en de liberale samenleving van nu, want die samenleving vindt onderdrukking en hypocrisie altijd het mindere kwaad.
Nog iets over Villaamil en de dieren, iets anders, dat naast het tijgerachtige bestaat. Tijdens zijn laatste middag raakt hij verrukt door de mussen en hij voert ze, hij voelt zich vrij en blij zoals zij, hij gaat bijna tjilpen. ‘Moet je die grappige vogeltjes nu eens zien die daar lopen te pikken, maken die zich zorgen over de vraag wat ze morgen moeten eten? [...] ze pikken op wat ze tegenkomen en peuzelen dat lekker op...’ De associaties met de Bergrede zijn onmiskenbaar, ‘Kijk naar de vogels in de lucht: ze zaaien niet en oogsten niet en vullen geen voorraadschuren, het is jullie hemelse Vader die ze voedt’ (Mat. 6: 26). Hier krijgt het zijn-zoals-de-dieren weer een extra betekenis.
(Al gedraagt de zelfmoordenaar Villaamil zich nog zo goddeloos, godsdienst blijft volop meezingen.)
En dan, zoals altijd bij dit soort aantekeningen, heb ik weer de neiging om verontschuldigende zinnen toe te voegen, bescheidenheidsverklaringen. Dat er zoveel méér te zeggen is over die Rijke en Complexe roman. Dat je heel verschillend kunt interpreteren. Dat dit maar naïeve opmerkingen zijn, want er is over Miauw veel geschreven en ik heb het niet gelezen. Ik zou meer over de kleinzoon moeten zeggen. Ik zou het over de toespelingen op Don Quichot moeten hebben, en over de soms (nogal lichtvaardig) gemaakte vergelijking met Kafka. Over de politiek-historische achtergronden. Over de technische eigenaardigheden die het boek, o Van Istendael, vernieuwender maken dan het op ’t eerste gezicht oogt. Een realistische roman? Niet op een conventionele manier.
(En de vertaling? Ik ken niet genoeg Spaans om er echt over te oordelen, maar ik denk wel dat Adri Boon subtiliteiten laat verloren gaan. De vertaler werkt ook vaak namen en allusies weg, om ze te vervangen door vagere aanduidingen. Abelarda zegt tegen de plotseling opgedoken Víctor: ‘Je komt als een duiveltje uit een doosje’, maar in het Spaans staat er dat hij plotseling is binnengekomen als Mefistofeles – wat veel nadrukkelijker de diabolische kant aangeeft. Ander geval: de afdelingschef kwam binnen en ‘eenieder nam een gepast stilzwijgen in acht’, maar Galdós schreef bondig ‘conspicuere omnes’, een bekend citaat uit de Aeneis, dat nota bene zelfs in Van Dale staat. En nog deze: Luis bidt bij het slapengaan het weesgegroet, terwijl hij in het origineel een ander, onbekend gebed opzegt. Is dat vertalen of gladstrijken? In plaats van zulke vervangingen zou het boek wat verklarende toelichtingen moeten bevatten, maar Nederlandse uitgevers houden daar niet van, geloof ik. En dan zwijg ik nog over de vele hemeltergende slordigheden – op pagina 115 ontbreken er twee ontkenningen.)
...
In het zogenaamde Verzameld werk van Richard Minne (een gezamenlijke uitgave van de firma’s Broddelwerk en Boerenbedrog) zijn de brieffragmenten uit Wolfijzers en schietgeweren weggelaten, en dus herlees ik die in een oude uitgave. Veel gefnuiktheid en neerslachtigheid. Erg ongelijk van kwaliteit, toch de moeite waard, en onmisbaar als je iets van Minne wil begrijpen. Omdat het boek niet in de handel is, een lekker lang citaat uit 1929: ‘Zie, als ik goed kijk, dan meen ik als oorzaak te vinden van al die platte broodjes die men in de literatuur bakt, de obsessie van de lezer. In naam van de lezer is men opgeblazen, idioot, onoprecht tegenover hem. In naam van de lezer schrijven de broekkakkers revolutionaire verzen. In naam van de lezer doen de pedagogen aan poepkeswasserij in de literatuur. In naam van de lezer krijgen we offervaardigheid, broederliefde, kosmiek, kosmetiek, en andere sociale ondeugden te slikken. Er is een “Onbekende Lezer” zoals er een “Onbekende Soldaat” is. En hij die er pipi op doet vliegt in de muit en wordt uit de toonaangevende gezelschappen geweerd. De lezer regeert ons, weg met de lezer.
Zolang we er niet toe gekomen zijn heel en al ons zelf te durven zijn, moeten we misschien maar zwijgen, naar het spektakel kijken rondom ons en lachen. Wellicht zitten we zelf met nog meer conventie en valsheid behebt [sic] dan we vermoeden. Eerst als we die volledig afgeworpen hebben kunnen we tot de lezer gaan zonder zijn knecht te worden en hem bevelen: Hier, dat ik u de ruggegraat breek. De grote schrijver is een wildstroper.’
Bibliografie
- De twintigste eeuw. Vijftig klassiekers, Atlas, Amsterdam/Antwerpen, 2006
- Alain Badiou, De ethiek. Essay over het besef van het kwaad, vert. Rokus Hofstede, IJzer, Utrecht, 2005; Le siècle, Seuil, Paris, 2005
- Peter Brooker, A Student’s Guide to the Selected Poems of Ezra Pound, Faber and Faber, London, 1979
- Richard Minne, Wolfijzers en schietgeweren (1942), derde druk, Manteau, Antwerpen/Amsterdam, 1988
- Benito Pérez Galdós, Miauw, vert. A. Boon, Menken Kasander & Wigman, Leiden, 2002; Miau, ed. F.J. Diéz de Revenga, Cátedra, Madrid, 2004 (2000); Miau, vert. R.G. Groeneboer, Het Spectrum (Prisma Klassieken), Utrecht/Antwerpen, 1979
- Ezra Pound, Mauberley en andere gedichten, ed. en vert. Paul Claes
& Mon Nys, In de Knipscheer, Haarlem en Zuid, Gent, 1985; Personae. Collected Shorter Poems, Faber and Faber, London, 2001; De Pisaanse Canto’s, ed. en vert. Claes & Nys, Athenaeum – Polak & Van Gennep, Amsterdam 1985
- John Tytell, Ezra Pound. The Solitary Volcano, Ivan R. Dee, Chicago, 2004 (1987)
|
De Brakke Hond
Literair cadeau
nodig?
Verras
4x per jaar,
Met een
abonnement!
|
|