Terug naar de coverTerug naar de inhoudstafel

De spelmaker

Robbert Hu

     China, het rijk van keizer Yao, ten tijde van de ertienjarige overstromingen.

    In zijn werkplaats annex speelgoedwinkel, in de beroemde spellenbuurt van Quexi, bracht de oude Yungyang zijn kommetje rijstwijn naar zijn mond en dronk. Het was het begin van de middag. De zon scheen door het raampje op de stoffige poppen, de houtkrullen en het roestige gereedschap. Fijn zaagsel dwarrelde door de lucht en vliegen cirkelden boven de lege vleespot op tafel.
     De wrange smaak van de wijn deed de binnenkant van Yungyangs wangen samentrekken, want het was zijn eerste slok van de dag. Hij sloot even zijn ogen en wachtte tot het gevoel zou verdwijnen. Terwijl hij daar zo zat, een blok hout met een half uitgesneden pop tussen zijn knieën, klonk er rumoer vanuit de smalle steeg waaraan de werkplaats lag en daarna een stem die hij meteen herkende. “Yungyang! Yungyang!,” schreeuwde de stem.
     De oude man opende zijn ogen en bleef een moment zo zitten, kijkend naar de kom in zijn hand. Daarna zette hij hem haastig op de grond achter een paar manden, richtte zich op en wankelde naar de ingang van het werkplaatsje. Toen hij de krakkemikkige deur opende, zag hij zijn kleindochter Liao op hem toe rennen. Haar slippers klepperden op de harde, rode klei.
     “De keizer heeft een prijsvraag uitgeschreven,” hijgde ze, ze pakte de deurpost vast en veegde een klodder slijm van haar kin, “hij wil een spel hebben voor zijn zoon. Degene die het beste spel maakt, krijgt tienduizend Liang.”
     “Een spel?,” zei de oude man.
     “Een spel,” zei ze, “om Danzhu de oorlogvoering te leren.”
     De oude man keek haar een tijdje aan. Hij probeerde zijn hoofd helder te krijgen en te begrijpen wat ze zei.
     “Je weet best wat ik bedoel,” zei ze, “het spel! Jouw spel!”
     Hij smakte met zijn lippen en verlangde naar zijn wijn. Hij wilde opeens heel graag dat het meisje zou verdwijnen en zijn wangen gloeiden van schaamte want hij herinnerde zich zijn gekte van vroeger. “Liao,” zei hij, “er is helemaal geen spel.”
     “Jawel!,” riep ze. “Het spel waar je me over hebt verteld. Het spel dat nog niet bestaat, maar dat in je hoofd zit en waarop je alleen maar hoeft te wachten tot het eruit komt. Het spel dat de hele wereld bevat! Je hebt het me wel honderd keer verteld!”
     Yungyang haalde zijn tong langs zijn kapotte kiezen. Hij wenste dat hij er nooit over gepraat had. Langzaam draaide hij zich af, liep naar binnen en ging weer op het krukje zitten bij de onaffe pop.
     “Tienduizend Liang, Yungyang,” zei het meisje dat achter hem aanliep, “je zal er al je schulden mee kunnen afbetalen. De inschrijving sluit morgen.”
     Yungyang boog zijn hoofd en schraapte met het mes over het blok hout dat een pop moest worden. De zoveelste pop die hij niet zou kunnen verkopen omdat er al jaren geen kind meer in zijn winkel kwam. Hij verlangde naar zijn wijn, zo hevig dat het speeksel in zijn mond droop en met een schuin oog keek hij naar de manden waarachter het kommetje stond. Hij kon het pakken en net doen alsof het heel normaal was dat hij er overdag van dronk.
     “Alsjeblieft, Yungyang,” zei het meisje.
     Hij draaide zich naar haar om. Ze dacht werkelijk dat dat spel kon bestaan terwijl hij besefte dat hijzelf de hoop om het te vinden al jaren geleden had opgegeven. “Liao,” zei hij, “ik denk dat ik het mis had. Ik denk dat het spel niet bestaat. Dat het niet kan bestaan.”
     “Jawel, Yungyang,” zei ze, “ik weet dat het bestaat en dat je het alleen hoeft te vinden. Weet je nog dat je zei dat het al bestond, ergens in het heelal, en dat je het alleen maar tussen de sterren hoefde uit te plukken?”
     Yungyang voelde het bloed naar zijn hoofd stijgen om zoveel hoogmoed. Hij wist nog dat hij het gezegd had, eens in een lyrische staat van dronkenschap. Hij keek naar zijn rimpelige handen die vol eelt zaten. “Ik weet niet of ik gelijk had, toen,” zei hij zacht.
     “Alsjeblieft, Yungyang,” zei het meisje.

     Die nacht lag Liao in haar bed en ze dacht eraan hoe haar grootvader in de deuropening had gestaan, krom en oud, aan hoe zijn tanden geel waren en hoe hij uit zijn mond naar alcohol had geroken. Ze had hem ooit dronken op straat gevonden, liggend in een plas. Onder het laken kruiste ze haar vingers en wenste dat hij de uitdaging van keizer Yao zou aannemen.
     Ongeveer op datzelfde tijdstip werd Yungyang wakker op een matje in de hoek van zijn werkplaats. De maan scheen scherp door het raampje. Hij probeerde zich te herinneren hoe hij in slaap was gevallen. Maar hij wist het niet. Hij wist alleen nog dat hij in het donker zijn mond aan de wijnkruik had gezet en had geprobeerd de laatste druppels uit de hals te likken. De wijn tolde nu door zijn hoofd. Hij kwam overeind. “Stoppen met dat gif,” mompelde hij.
     Met onhandige bewegingen trok hij een paardendeken over zich heen, legde zijn wang weer tegen het matje en staarde naar de muur. Hij dacht aan Liao. Hoe ze hem gesmeekt had mee te doen. En toen. Hoe hij haar had weggejaagd. Hij schaamde zich en sloot zijn ogen.
     Tienduizend Liang, dacht hij, daarmee kan ik Hinan afbetalen en de wijn van Yu. Hij klemde zijn kiezen op elkaar.
     Na een tijdje kwam hij kreunend overeind en liep naar een stapel houtblokken aan de andere kant van de winkel. Hij knielde neer, legde de blokken een voor een opzij tot hij bij een krat kwam. In het maanlicht trok hij planken en pionnen uit het krat en bekeek ze. Hij draaide de borden rond in zijn handen. Het waren zijn oude probeersels van toen hij nog in het spel geloofd had. Borden met vakken en territoria en houtblokjes die soldaten, officieren, muren en kastelen voorstelden. Het was het werk van tientallen jaren en geen van de spelen die hij had ontworpen bleek achteraf te werken. Yungyang dacht aan de verhitte en verwarde dromen die hij over het spel had gehad, dromen over het veroveren van gebied, over verdediging en aanval, over legers die over een bord marcheerden en heuse veldslagen die werden uitgevochten. Hij balde zijn vuist. “Ze heeft gelijk,” fluisterde hij, “het moet ergens bestaan,” en hij wist opeens zo zeker dat het spel al ergens in het heelal bestond dat hij het bijna kon aanraken. Hij drukte de borden terug in het krat. Daarna keek hij lang uit het raam naar de steeg voor de winkel. Een kat sloop in het blauwe licht langs een van de muren, klom in een boompje en verdween achter een schutting. Yungyang dacht aan zijn spel der spelen, zijn spel dat zo simpel was en tegelijkertijd zo complex dat het de hele wereld bevatte, zijn spel dat door de natuur uitgevonden leek te zijn. Zijn hart klopte snel en de oude dromen, die niet dood in hem waren geweest, maar slechts in hem sluimerden, kwamen weer tot bloei.

     De volgende ochtend, toen Liao met een emmer naar de rivier buiten de stad liep, zag ze haar grootvader op de grote steen aan de oever zitten. Hij hield zijn hoofd recht, leunde met twee handen op zijn stok en zwaaide al naar haar toen ze nog ver weg was.
     Bij hem gekomen, zette ze haar emmer neer. Ze zag hoe zijn oude ogen glinsterden. “Ga je het doen?,” zei ze.
     “Ik ga het mooiste spel van de wereld maken,” zei hij zacht, “het mooiste spel van de wereld voor de zoon van de keizer.”
     “Echt waar?,” zei ze.
     Haar opa knikte. “Ik weet het zeker,” zei hij, “vannacht heb ik het weer gezien. Ik zag de soldaten lopen en de kastelen zich opbouwen. Ga snel je moeder om de tien Liang vragen voor het inschrijfgeld. Denk je dat ze je het zal geven?”
     “Ik denk het wel,” zei ze.
     “Dank haar maar, en zeg haar dat we een spel voor de zoon van de keizer gaan maken.”
     Het meisje knikte, vulde haar emmer in de rivier en liep zo snel ze kon terug naar huis.

     Niet veel later stonden Liao en Yungyang met een streng van tien muntjes in de rij op het plein van het keizerlijk paleis. Voor hen stonden de andere spelmakers uit de buurt waar Yungyang woonde. Het waren rijzige mannen met baarden en ze hadden hun mooiste gewaden aan. De mannen stootten elkaar aan toen ze hem zagen. “Kijk daar heb je de oude Yungyang,” zeiden ze. “Ga je ook meedoen, Yungyang?” En ze lachten vanachter hun baarden.
     “Laat ze maar, opa,” zei Liao, ze kneep in zijn hand.
     Hij was even stil. “Het is groot hier, vind je ook niet?,” zei hij daarna. “Zie je die dennenbomen daar bij die hoge muur? Daar kan je mooi in de schaduw zitten in de zomer.”
     Liao antwoordde niet.
     “Een spel te spelen in de schaduw,” zei Yungyang zacht, “ik hou van dennenbomen.”
     “Wat voor spel ga je maken, Yungyang?,” vroeg een van de spelmakers. “Denk je dat je een kans maakt? Misschien kan je je muntjes beter aan een karaf wijn besteden.” En ze lachten weer en hun sandalen schoven vooruit over de aangestampte klei van het plein.
     “Gaat het wel?,” zei Liao toen ze zag dat haar grootvader al een tijdje naar de grond staarde.
     “Ze weten niet wat ze zeggen,” fluisterde hij en ze voelde hoe hard hij nu in haar hand kneep, “ze weten niet wat een spel is, dat het een kunstwerk is, een manier om de wereld te begrijpen. Hun spelen zijn... pervers.”
     “Weet je zeker dat je door wilt gaan?,” zei ze.
     “Ik zal ze laten zien wat een spel is,” zei hij.

     In de weken die volgden was er veel activiteit in de spellenwijk van Quexi. Ossenkarren met vrachten hout werden uitgeladen. Uit de werkplaatsen klonk gehamer en geschaaf en gezaag. Overal hing de geur van lijnolie en op straat stonden de pasgeverfde spelborden te drogen in de zon. Je had er die beslagen waren met goud of zilver, borden met de diepste kleuren paars en rood en borden met franje van echt zijde.
     Overal was activiteit, behalve in het steegje van Yungyang. De deur van zijn werkplaats was gesloten en de rietluiken waren dicht. Soms zagen de werklui hem door de straat schuifelen, leunend op zijn stok. Dan bleef hij wat bij de drogende borden staan kijken en wreef door zijn baardje. “Hoe gaat het met jouw spel, Yungyang?” vroegen de spelmakers eens. “Je weet welke straf er staat op belediging van de keizer, hé?” En een van hen haalde lachend zijn vinger langs zijn hals.
     Yungyang schudde zijn hoofd en schuifelde weg, langs de stoffige straat, de stadspoort uit, de bergen in. Ergens, niet ver van de stad, ging hij zitten op een rotsblok tussen het gras en ademde langzaam in en uit tot hij rustig werd. Hij was hier al vaak geweest. Hij legde zijn stok opzij en keek naar de korstmossen die over het gesteente groeiden. Het waren oranjegele, grillige mossen. Met zijn vinger volgde hij de contouren. “Verover jullie terrein,” zei hij zacht, “groei, breid uit.”
     Hij dacht aan de duizend maal dat hij op de steen had gezeten en aan het spel had gedacht. Het spel dat zo universeel was, dat het al in de natuur bestond, het spel dat de grondslag was van alles.
     Hij haalde een aantal houtblokjes uit zijn zak en een speelbord en legde het op de steen. Hij zette de blokjes neer: een kasteel, een kasteelmuur, soldaten, een poort, een rivier en een brug. Hij verschoof de houtblokjes over het terrein, breidde de kasteelmuur uit, liet soldaten de vijandelijke muur aanvallen.
     Maar het spel was niet leuk, besefte hij na een uur proberen en hij stopte de houtblokjes weer in zijn zak en keek naar de korstmossen.
     “Het moet bestaan,” fluisterde hij, “ergens moet het zijn en jullie weten het, maar waar is het?”

     De dagen gingen langzaam voorbij. ’s Avonds liep Yungyang in de botanische tuin van de stad tussen de bougainvillea en langs de waterlelies en hij keek hoe de bladeren en stengels groeiden. Ze breidden zich uit en verdrukten elkaar en vochten om een plaats in het zonlicht en hij voelde er de kracht van het spel dat hij zocht. Hij probeerde de plantengroei na te bootsen op het speelbord, maar een spel kon hij er niet in ontdekken.
     En ook als hij mieren voedsel zag verzamelen en hun nest verdedigen, dacht hij aan het spel. En als hij langs de verdedigingswerken van de stad liep, dacht hij aan het spel en hij bedacht bij het zien van de soldaten dat je stenen een rang moest geven en dat een hogere rang een lagere rang versloeg, maar toen hij dat uitprobeerde, kwam hij alleen maar op de vulgaire spelletjes die de andere spelmakers ook al maakten en kwaad wierp hij de blokjes in de rivier.

     Yungyang begreep dat de natuur simpel was en dat er één spelregel moest zijn die alles bepaalde. Misschien, dacht hij, kan ik een fractie van het spel maken, een scherf, waarin je het hele spel al kunt zien. Misschien zal dat genoeg zijn voor de keizer.
     Hij mediteerde urenlang, brandde wierook in de alkoof in zijn werkplaats en slachtte een rat op de groene offersteen in de tempel van Hinshan waarna hij bad tot zijn god om hem het spel te sturen. Maar niets hielp.
     Tijden zat hij op de steen op de berg en keek uit over de rijstvelden en de waterbuffels in de modderplassen. In de verte zag hij de arbeiders bij de dammen, die de overstromingen moesten beteugelen die het rijk van keizer Yao nu al zoveel jaren teisterden. Yungyang dacht aan zijn kindertijd, aan de tijd dat hij dammetjes had gebouwd in de kreek achter zijn huis en het water had geleid en belet had te ontsnappen. En hij wist dat ook dat het spel was. Dat het spel overal was. Het spel was overal en hij kon het niet vinden.

     De laatste dag voor het einde van de wedstrijd liep Liao door de straten van de spellenbuurt van Quexi. Het was rond het middaguur en de zon brandde hoog aan de hemel. Zij had haar grootvader al dagen niet gezien. Overal bij de spellenwinkels hingen nieuwe lampionnen van geverfd rijstpapier en aan de deurposten wuifden feestelijke rode linten. Er reden handkarren met lekkernijen en met kwakende eenden in kooien. De arbeiders, die klaar waren met hun werk, zaten bij elkaar gehurkt op straat rond potten thee, rookten hun pijpjes en bespraken wie de wedstrijd zou winnen. Als zij Liao zagen, dan knikten zij wel, maar zij lachten tegelijk hun vuile tanden bloot.
     In het steegje van Yungyang was het stil. Er hingen geen lampionnen of linten, er hing alleen wat was te drogen aan een lijn tussen de huizen. Yungyangs deur was gesloten en toen ze erop klopte, kwam er geen antwoord. Een tijdje bleef ze staan kijken naar het ruwe hout en beet op haar lip. “Yungyang?,” zei ze.
     Vanachter de deur klonk gekreun.
     “Yungyang, mag ik binnenkomen?,” zei ze en ze luisterde maar ze hoorde niets meer. Ze duwde de deur open en moest kracht zetten, want hij schaafde over de grond.
     In het schemerduister van de werkplaats lag haar grootvader op de grond tussen de houtkrullen, zijn gezicht in een plas wittig overgeefsel. Liao gilde en wurmde zich door de deur naar binnen. De oude man was naakt op een lendendoek na, ze zag zijn ingedeukte, grijzige borstkas en zijn magere armen. Bij zijn hoofd stond een kommetje wijn en iets verder lag een omgevallen wijnkruik van minstens drie liter.
     Ze liet zich op haar knieën vallen, sloeg een doek voor haar gezicht tegen de stank en riep: “Yungyang! Yungyang!” Ze duwde tegen zijn schouder.
     Langzaam opende de oude man één oog. Het oogwit was geel en bloeddoorlopen. Hij mompelde iets.
     “Yungyang, waar is het spel?,” zei ze. “Alle spelmakers hebben hun spel al af.”
     Zijn lippen bewogen, maar er kwam niets verstaanbaars uit en hij sloot zijn oog en legde een arm over zijn gezicht.
     “Yungyang!,” zei ze en duwde weer tegen zijn schouder. Maar er kwam geen reactie. Ze stond snel op. Met een beker schepte ze water uit de emmer naast de deur en goot dat over zijn voorhoofd en wangen. Proestend kwam de oude man overeind, keek om zich heen en keek haar toen verwilderd aan. “Laat me met rust,” zei hij en wreef over zijn gezicht.
     “Je bent in slaap gevallen,” zei ze, “kom.” en ze hielp hem naar het rieten matje in de hoek van de werkplaats, waste zijn gezicht en trok de paardendeken over hem heen.
     Nadat ze het overgeefsel opgeruimd had, hurkte ze neer naast het rieten matje, haar rug tegen de muur. Ze keek opzij. Van onder de deken keek haar grootvader haar aan. “Je hebt geen spel hé?,” zei ze.
     Zacht schudde hij zijn hoofd.
     Ze drukte zich tegen de muur en keek voor zich uit naar de oude deur van de werkplaats en naar het rek met de gereedschappen. Ze schaamde zich en wenste dat ze hem nooit van de wedstrijd had verteld, dat ze hem niet ten schande had gezet, dat ze hem in zijn waarde had gelaten, het kleine beetje waarde dat hij nog bezat.
     “Ik ben een oude zot, Liao,” zei hij, “een oude, dromende zot die zichzelf voor gek zet en die door iedereen wordt uitgelachen.”
     “Dat moet je niet zeggen,” zei ze, “ik weet zeker dat je gelijk hebt, je hebt het spel alleen nog niet gevonden. Je hebt meer tijd nodig.”
     “Pfff,” zei hij, “hoeveel tijd heeft een mens?”
     “Ik geloof in je, opa,” zei ze en ze legde haar hand op zijn hand.
     Hij schudde opnieuw zijn hoofd en sloot zijn ogen. Tussen zijn wenkbrauwen zat een diepe, kaarsrechte rimpel.

     Die avond droomde Yungyang dat hij met een bos hout op zijn rug tussen de rijstvelden liep naar de dam bij de rivier. Overal langs de rivier liepen duizenden arbeiders, je kon de kracht van het water voelen in de grond en je kon de rivier zien stijgen. Als je even niet keek, was het al weer hoger.
     “We moeten ons niet laten omsingelen,” riep een van de opzichters, “verhoog de dam daar bij de weg.” en hij wees met een bamboetwijg.
     “Niet omsingelen,” riepen anderen. “Niet omsingelen,” klonk het door de vallei.
     Yungyang werd wakker. Het was al donker en hij staarde naar de balken van het plafond. “Niet omsingelen,” fluisterde hij, “omsingelen.” Zijn hart ging zo snel dat het pijn deed en zijn hoofd was koortsig warm van de alcohol en zijn keel was droog. Zijn hersens tolden rond en schoten van korstmos naar waterlelies, naar dambouwers en kasteelmuren. Het spel groeide in hem en hij zag het gebeuren. Hij zag het voor zijn ogen gebeuren. “Liao! Liao!” zei hij en hij voelde naast zich waar het meisje in slaap was gevallen tegen de muur.
     “Wat is er?,” zei ze langzaam.
     “Ik weet het!,” zei hij zonder zijn blik van de balken te halen. “Vlug, ga naar de rivier en verzamel stenen, zoveel als je kunt. Platte, ronde stenen, zwarte en witte, vlug, vlug, haast je! Zoek er zoveel je kunt!”

     Een uur later kwam Liao terug in de werkplaats met zoveel stenen in haar jurk gevouwen als ze had kunnen vinden. Ze zag haar grootvader op de grond geknield zitten. Met een mes had hij een bord van vierkantjes in de klei van de vloer gekerfd.
     “Ik heb je stenen,” zei ze.
     “Leg ze hier neer,” zei hij zonder opkijken en wees naast zich op de vloer, “en laat me dan alleen.”
     “Wat heb je gevonden?,” zei ze.
     “Ssst,” zei hij, “laat me alleen.”
     Liao deed wat haar gezegd werd, verliet de werkplaats en hurkte buiten de deur neer. Ze sloeg met een takje tegen de grond en probeerde te begrijpen wat er gebeurde.

     De volgende ochtend, toen het licht werd, werd ze wakker van haar grootvader die haar aanstootte. Zijn ogen leken te branden. “Liao,” zei hij, “ga naar de keizer en vraag om uitstel. Ik heb nog een dag nodig.”
     “Wat?,” zei ze.
     “Een dag uitstel, hij móet de wedstrijd een dag uitstellen.”
     “Weet je het zeker?,” zei ze en ze wreef haar ogen uit.
     “Zeg de keizer dat ik het mooiste spel van de wereld voor hem heb, een spel waardoor zijn zoon de werking van macht zal begrijpen. Zeg hem dat het hem strategie zal leren en inzicht in de oorlogvoering en de verovering van terrein. Dat het hem zal leren wat balans is en discipline en concentratie. Zeg het hem, vlug!”

     Dit alles bracht Liao over aan de keizer.
     “Onmogelijk,” zeiden de spelmakers die zich al in hun mooiste gewaden op het plein verzameld hadden en die hun hoeden versierd hadden met pauwenveren, “terwijl wij zo hard werkten aan onze spelen, zat die oude dronkelap in de bergen te mijmeren. Hij heeft helemaal niets. Hoe kan hij in één dag een spel maken dat mooier is dan enig spel van ons?” En zij wezen op de gouden en zilveren en karmozijnrode spellen die zij hadden meegebracht. Zij stootten elkaar aan en zij lachten luid.
     “Alstublieft,” zei Liao tegen de wacht van de keizer, “zeg tegen de keizer dat hij het mooiste spel van de wereld krijgt als hij nog één dag geduld heeft.”
     “Je weet wat er op belediging van de keizer staat, hé?,” zei de wacht.
     Liao knikte. “Ga het alstublieft vragen.”

     Even later kwam er een regiment soldaten de steeg van Yungyang ingelopen. Met hun lansen sloegen zij de was opzij voor de mandarijn die in een draagstoel met hen meekwam. Zij bonsden op de krakkemikkige deur van de werkplaats. Yungyang deed open.
     “Is het waar dat u het mooiste spel van de wereld maakt?,” zei de mandarijn.
     “Ik zweer het,” zei Yungyang, “ik heb nog een dag nodig. Zeg de keizer de wedstrijd uit te stellen en laat mij werken. Hij zal er geen spijt van krijgen.”
     “De keizer is verbolgen,” zei de mandarijn, “waag het niet de keizer te beledigen.”
     “Ik zweer het, alstublieft,” zei Yungyang en dun zweet liep over zijn voorhoofd, “ik heb er mijn leven voor over. Geef mij nog een dag. Eén dag.”
     “Kunnen we het zien?,” zei de mandarijn.
     “Nee,” zei Yungyang, “nee, alstublieft, u moet mij op mijn woord geloven.”

     Het regiment verliet de steeg en de wedstrijd werd een dag uitgesteld. De hele dag liep Liao op en neer door de bloedhete steeg. Ze keek naar de straat waar de arbeiders zich op de hoek verzameld hadden en met elkaar praatten en op de deur wezen en ze keek naar de ossenkarren waarin de prachtigste spellen terug werden vervoerd van het paleis naar de winkels. “Opa, opa, weet je wel wat je doet?,” fluisterde ze.
     Soms stak Yungyang zijn hoofd om de deur en vroeg haar om nog meer stenen die ze dan ging halen bij de rivier. De volgende ochtend vroeg kwam Yungyang naar buiten. Hij leunde in de deur, hij had donkerpaarse wallen onder zijn ogen. Onder zijn arm had hij een ongeschuurde, smoezelige houten plank met vierkante vlakjes erop. “Het is klaar,” zei hij met gebroken stem en hij gaf Liao twee zakken met stenen, “laten we naar de keizer gaan.”
     Op het plein van het paleis wapperden de keizerlijke banieren al en de werklui waren voor de tweede dag bezig de spelen uit de karren te laden. Toen Yungyang en Liao onder de poort doorliepen, het plein op, kwam er een stilte over de mensen en iedereen keek hun kant op, naar de smoezelige plank en de zakken met steentjes.
     Pas na een paar seconden riep een van de spelmakers: “Kijk, daar is Yungyang met het mooiste spel van de wereld!” en er begonnen er een paar te lachen. “Het mooiste spel van de wereld, het mooiste spel van de wereld,” klonk het. Er lachten er steeds meer totdat het hele plein lachte. Zij veegden hun tranen af en gingen door met het afladen van de gouden pionnen en zilveren soldaten.
     “Laat ze maar kletsen,” zei Yungyang, “je zult zien wie er gelijk heeft.”
     Toen de cimbalen klonken en de keizer in zijn troon het paleis uitgedragen werd, stond iedereen op en maakte een diepe buiging. De troon werd midden op het plein gezet, een jury van in het zwart geklede mandarijnen nam plaats achter een tafel naast de troon en soldaten stelden zich op. Een voor een werden de namen van de deelnemers afgeroepen.
     De meest prachtige spelen werden voor de keizer neergezet. Er waren spelen met ellenlange lijsten spelregels en andere spelen hadden krijgers van wel honderd verschillende rangen en landkaarten met echte bergen en rivieren die echt stroomden. Bij nog een ander spel hadden de soldaten gouden helmen die konden worden afgeschoten met minikatapulten. Dit spel kreeg veel applaus en een hoofdknik van de keizer.
     Uiteindelijk was het Yungyangs beurt. De menigte werd stil. Geflankeerd door Liao schuifelde hij over de gele kleigrond naar de troon, legde de smoezelige plank met de vierkantjes voor hem neer en opende de zakken met steentjes. De keizer fronste zijn wenkbrauwen en leunde voorover in zijn troon.
     “Een plank en riviersteentjes!,” lachte een van de omstanders. “Hij brengt de keizer riviersteentjes!” Maar de keizer stak zijn vinger op en de man zweeg.
     “Mijn keizer,” zei Yungyang, “ik breng u een spel dat tegelijkertijd het meest simpele en het meest complexe ter wereld is. Het kent maar één regel en één rang, het is het meest universele spel dat er bestaat. Mijn keizer, ik presenteer u een spel waarnaar ik twintig jaar gezocht heb, het spel dat ik uit de natuur heb geplukt, het spel waarvan uw zoon kan leren hoe de wereld in elkaar steekt.” Hij stopte even om op adem te komen. “De enige regel die het spel kent,” zei hij, “is omsingeling. Wie omsingeld is, is dood.” En daarna begon Yungyang stenen op het bord te leggen en liet zien hoe je er territorium mee kon afbakenen, hoe je muren kon bouwen en spionnen in vijandelijk gebied kon sturen, hoe elke steen een bepaalde kracht leek te hebben, hoe de legers van de vijand veroverd konden worden.
     Toen hij even stopte, merkte hij dat de keizer uit zijn troon was gekomen en naast het bord stond. Met een beringde vinger wees hij op het bord. “Ik denk dat die steen een gevaar vormt voor de witte partij, denkt u niet? Of heb ik het nog niet goed begrepen?”
     Yungyang keek de keizer een ogenblik aan. “Ik,” zei hij, “ik weet het niet. Zover ben ik nog niet gekomen, heer.”
     “We zullen zien,” zei de keizer en hij pakte een steen uit een van de zakken en legde hem op de smoezelige plank.
     “Maar keizer,” riepen de spelmakers, “u heeft nog niet alle spelen gezien.”
     “Stil,” zei een van de mandarijnen, “de keizer speelt.”

     Nu, vierduizend jaar later, wordt Yungyangs spel GO genoemd, naar het Japanse woord igo voor omsingelen. De spelregels zijn in al die jaren nauwelijks veranderd. Het is het meest gespeelde en oudste spel ter wereld, populairder dan schaak, maar hier in het westen nauwelijks bekend. Het heeft vele malen meer mogelijkheden dan er moleculen in het zichtbare heelal zijn en er wordt gezegd dat het spel zo universeel is, dat het, als er een andere planeet is waar spelen gespeeld worden, ook daar bestaat.

De Brakke Hond
Literair cadeau
nodig?
Verras
4x per jaar,
Met een
abonnement!