Terug naar de coverTerug naar de inhoudstafel

Onweer

Ezra de Haan

Vanaf het roze huis naast het karrenpad blijkt het niet ver meer naar ‘Le moulin brulé’, het oude pand waar we logeren. Het telt ruim vier etages en is spaarzaam voorzien van ramen met lavendelkleurige luiken die, op die van het zolderraam na, gesloten zijn. Ik hoorde iemand het een week later ‘het huis met de blauwe ogen’ noemen.
     Via de poort onder het bijgebouw, waar de uitbaters wonen, lopen we de trap met de uitgesleten treden op. De gietijzeren leuning is roestbruin van kleur. Duiven koeren op de balken vlak onder het dak.
     Op de hoge stoep naast de keuken zit het donkerharige meisje weer te lezen. De pony verbergt haar oogopslag. Ik weet dat die onzeker is, in tegenstelling tot haar houding. Ze toont te veel van haar dunne dijen doordat haar rokje opgetrokken is.
Drie knullig getatoeëerde hartjes kleuren de bovenarm. ‘Als een stoephoer, zat ze dan…aan de straatkant…de paar jongens die het dorp nog telde op te geilen.’ Haar begeleider was er een week later nog pissig door geweest.
     Ze kijkt op en ik zie haar gezicht. Ze lijkt op een pop waarmee te wild gespeeld is. Of die te wild met zich heeft laten spelen. Huilogen en een zichtbare spanning bij een wenkbrauw. Alsof haar overkomen is waarvoor ze gewaarschuwd was. ‘Die jongens zullen alledrie met plezier over je heen gaan. En denk niet dat hun familie, of ook maar iemand hier in dit dorp zich druk zal gaan maken. Je bent een buitenlandse en dan heb je er vast om gevraagd.’
     Achter haar schemeren de oranje vloertegels in een Frans patroontje door het vliegengordijn. Tegen de muur staat de Chinese gong die klinkt als er gegeten gaat worden. De gang is hoog, net zoals de keuken. Lastig warm te stoken tijdens het altijd lang durende najaar. Ondanks alle nog aanwezige open haarden met marmeren schouw gebruiken ze liever de moderne houtkachel. Zelfs met die kunnen ze maar drie kamers tijdens de koude tijden warm houden. In de keuken staat een lange, houten eettafel, een chaise longue en een ooit witte bank waarop altijd een hond ligt te slapen. Het strijklicht dat door het venster valt, tovert de ruimte om tot een onvergetelijk plaatje van rust en regelmaat.
     Het meisje is inmiddels opgestaan. Blijkbaar is onze komst een onderbreking van de haar opgedrongen rust. Ze kijkt ons met een spotziek lachje rond de lippen aan. Heel haar houding is een pose. De nonchalance die ze probeert uit te stralen met een slap polsje waardoor de hand naar beneden hangt, de haast klassieke balletstand waarin ze haar voeten zet, alles is overdacht. Ik zie dat ze een zwarte slip draagt. De imitatie-diamantjes erop schitteren vlak boven de rand van haar rokje.
     We gaan op het terras zitten. De lucht is donkerpaars en vol wolken. Ik kijk langs haar heen naar de aanbouw die wellicht ooit een verblijf voor het personeel was. De hardstenen hoekstenen zijn geel van kleur. Ramen verbergen zich achter witte blinden die scherp afsteken tegen het grijze pleisterwerk. De zware, schuin in de scharnieren hangende, deur van het gebouw is ultramarijnkleurig. Ervoor zie je twee halfhoge, fraai versierde, deuren. Het leistenen dak wordt bekroond met een loden dakrand en de van hetzelfde materiaal gemaakte spits. Meer oranje dan ooit steekt de hoge, bakstenen schoorsteen af tegen de steeds donker wordende lucht. Mijn huid is nat van het zweet en ik zie hoe ook bij haar alles glanst.
     ‘Dit zijn niet mijn ouders hoor,’ was het eerste dat ze de avond van aankomst tegen mij zei.
     ‘Hoe kwam je hier dan?’
     ‘Met de bus…’
     ‘Nee, echt?’
     ‘Niet dus. Ik zou naar een boerderij gaan. Kwam ik hier…’
     Ze had het gezegd alsof het een tegenvaller was.
     ‘Had ik dus helemaal de kleren niet voor meegenomen.’
     ‘Maar hoe kwam je hier. Waarom?’
     ‘Ach…ik ben gaan lopen. Zwerven. Dan weer een jeugdinrichting, dan een instituut.’ Ze zwijgt en kijkt voor zich uit. De mond tot streep getrokken. Ik zie hoe ze op haar onderlip bijt. Voor het eerst oogt ze veertien jaar.
     Wind steekt op en het gerommel van onweer komt snel dichterbij. Verrassend koude regendruppels exploderen op het terras. Vrijwel iedereen is het woonhuis al in gevlucht. De twee afdakjes blijken bij lange na niet bestand tegen de bui die boven ons hoofd hangt. Het vliegengordijn klappert tegen de deur aan. Op de pui prijkt een thermometer. Zelfs nu doet de temperatuur meer aan een zomerse middag denken. De loden regenpijpen gorgelen door het water dat zich een weg naar de bodem baant. Zware donderklappen; een door de hemel scheurende schicht verlicht haar gezicht. Ik zie twee ontevreden kijkende blauwe ogen. Ze gaat op de bank zitten en trekt haar hielen weer tegen haar dijen aan. De gespannen stof van haar rok krijgt steeds meer donkere vlekjes. Haar voeten voorkomen dat ik recht in haar kruis kan kijken.
     ‘Kutweertje,’ zegt ze. Vooral rond de ogen hangt verdriet. Ze dragen de waas van klappen en verwarring. Pas na twee dagen had ze er iets meer over willen zeggen.
     ‘En meppen thuis.’
     ‘Zij of jij?’
     ‘Ik houd niet van geweld.’
     Morgen mag ze naar huis, na vier maanden verplicht verblijf in Frankrijk.
     ‘Ben je blij dat je naar huis gaat?’
     Ze zegt niets. Kijkt voor zich uit naar de kerk in de verte. Haar ogen lijken met inkt gevuld.
     ‘Ik ben blij als ik mama straks weer zie. Dat ik mijn armen om haar heen kan slaan. Wilde ik altijd al eens doen. Als in een film. Met wijd gespreide armen naar iemand toelopen.’
     ‘Dat heb ik al zo vaak gedaan…’
     ‘Ja, jij…’
     ‘En dan. Wat ga je daarna doen? Heb je iets geleerd?’
     Haar gezicht spreekt boekdelen.
     ‘Wat viel je dan tegen…los van dat je geen keus had?’
     Als ze kon zou ze haar ogen tot dezelfde streep trekken als haar mond. Een boskat klaar voor actie. Slechts de eeuwig wiebelende voeten verraden haar gevoelens.
     ‘Let it go,’ zegt ze dan.
     En ik laat haar even. De hemel is paars tegen het zwarte aan. Wolken draaien rondjes boven het heuvellandschap van de Allier. Krakend schiet de ene bliksem na de andere door ons uitzicht. Het onweer is echter al ver van ons. Maar de regen die valt is er niet minder om. Mijn shirt is doorweekt. Traag staat ze op, als in een droom. De geur van rioolwater en natte steen stijgt op. De geraniums in de grote potten buigen door onder het gewicht van het water. Ik houd het natte vliegengordijn voor haar open en we gaan in de gang staan. De regen komt met bakken tegelijk naar beneden. Vreemd genoeg heb ik het binnen kouder dan buiten. We zwijgen beiden al een tijd zonder dat het vervelend wordt. Mijn vragen aan haar zijn op. Dan hoor ik dat ze een van haar slippertjes uitschopt. Ze plaatst haar natte, blote voet zo dicht naast de mijne dat ik hem voel. Dan antwoordt ze op alle niet gestelde vragen en zegt: ‘Zo klein nog…’

De Brakke Hond
Literair cadeau
nodig?
Verras
4x per jaar,
Met een
abonnement!