Terug naar de coverTerug naar de inhoudstafel

De wedergezondmaking

Lieven Deprettere

Mevrouw Eée

Mevrouw Eée vindt dat dat niet ver genoeg gaat, en stelt voor de beperkende maatregelen op te heffen. In de plaats wil zij een algemeen verbod, waarop dan uitzonderingen kunnen worden toegestaan.
“Dat is in de eerste fase een minimum, en minder is voor ons onbespreekbaar”, zegt mevrouw Eée, en ze neemt gelijk een slok van het glas water dat voor haar op het tafeltje staat. Achter haar zie je de enorme kop van een Duitse herder, met z’n oren rechtop en z’n tong uit de bek. Het water is lauw, de prik is eruit, maar dat geeft niets. Een slok nemen is wat je doet na een rake tussenkomst.

Het is Charly niet ontgaan. Charly was net zelf van z’n whisky aan ‘t slurpen, met ijs, en eerlijk gezegd niet zo goed aan het luisteren. Altijd die paneldiscussies, altijd weer die actuele problemen. Vroeger was het aids. Maar toen de vrouw met de bril haar glas pakte en een slok nam, wist Charly dat ze gescoord had. Wat zei ze? Onbespreekbaar, wat ook weer? Hij fronste en beet op z’n onderlip. Zo trof Renate hem toen ze met haar thee uit de keuken kwam.

“Wat is dat?”, vroeg ze, en kwam naast hem op de bank zitten.
“Raakpunt.”
“Wat zeggen ze?”
“Wat zeggen ze? Hygiëne. Veiligheid. Volksgezondheid.”
“Dat weer. Wat willen ze?”
Charly zuchtte, nam nog een slok van z’n whisky, en zette de standpunten uiteen.

Dat was voor de Volksraadpleging. Daarna waren de praatprogramma’s veranderd. De namen bleven: Weerwerk, Rond de Tafel, Raakpunt, dat soort veelzeggende namen, maar de presentators waren nieuw. Mannen en vrouwen met onbekende gezichten, die zich krampachtig voor de camera bewogen, en aan een stuk door glimlachten. De onderwerpen waren er ook nog, maar op de een of andere manier konden de studiogasten het nooit meer met elkaar oneens worden. De eensgezindheid droop uit alle kieren, en wie dat niet goed vond, kon op een harde aanpak rekenen. Zo had het volk het gewild, toen z’n uitgeputte en moegesarde leiders het ten einde raad om z’n mening hadden gevraagd.

Renate

Renate is groot voor een vrouw, jong ook voor een vrouw van bijna vijftig. Toch weet ze het volle gewicht uit haar leeftijd te halen: ze kleedt zich streng en duur. Ze loopt kaarsrecht, kijkt iedereen onvervaard in het gezicht, door haar goudgemontuurde bril, met lichtjes opgetrokken wenkbrauwen. Ze leidt haar zaak met vaste, sommigen zeggen met ijzeren hand. Elke morgen staat ze bij de ingang en laat zij zelf de eerste ploeg binnen: de kok, een paar diensters, de barman. Wie een minuut te laat komt kan gelijk een uitbrander krijgen.

“Goedemorgen, mevrouw”, zegt de kok.
“Georges”, zegt Renate. Ze schudden elkaar de hand. De meisjes krijgen alleen een knikje. Ieder kent zijn plaats.
Als ze de meisjes aan ‘t werk gezet heeft, gaat Renate aan haar vaste tafeltje zitten bij de deur. Zij laat zich een koffie brengen en neemt de bladen door.

Wie is die vrouw op die foto? Dat gezicht - Renate denkt na. Ze wil niet naar het onderschrift kijken. Natuurlijk, de televisie. Een tijd geleden, de vrouw in dat panel. Die die altijd het woord had, en de mannen voor aap zette. Renate had ervan genoten, en Charly had zich danig op zitten winden. Wat had ze ook weer gezegd? Hoe heet ze ook weer? Hier: “Mevrouw Eée, de nieuwe Commissaris voor Volksgezondheid”. Renate glimlacht. Zo’n vrouw, daar heeft ze respect voor. Commissaris voor Volksgezondheid. De ‘eerste fase’ waar ze het toen in Raakpunt over had, is inmiddels geschiedenis. De Raad houdt niet van fases. Geen half werk, vinden de Commissarissen. Verbod is verbod. Zo wil het het volk.

De eerste klant komt binnen, een vreemde snuiter, kalend, slecht geschoren, in een afgedragen regenjas. Hij gaat meteen aan de bar zitten, en vraagt een pilsje. Kwart over negen, een pilsje! Renate verdiept zich in de krant.

“De Commissaris wil niet zo ver gaan om de overgang van beperkende maatregelen naar een algemeen verbod met uitzonderingen een halve maatregel te noemen. Het was een eerste, dringende stap. Maar wat in kringen van de Eenheidspartij werd gevreesd, is ook gebeurd. De democratische regering had het gezag en ook de wil verloren om aan een streng verbod de hand te houden. Uitzonderingen werden kwistig toegestaan. De verkozenen wisten zich door hun achterban gedesavoueerd, en zij hoopten door het uitdelen van gunsten weer bij het volk in de gratie te komen. Het Commissariaat bewaart dossiers over toenmalige volksvertegenwoordigers die tegen betaling bij de administratie uitzonderingen bedongen. Zij zullen daarvoor ter verantwoording worden geroepen. Inmiddels is het de taak van de Raad om zijn bijzondere machten ook in deze aangelegenheid ten volle te laten gelden. Daarom heeft de Commissaris besloten alle uitzonderingen met ingang van 1 november in te trekken. Op onze vraag of het hier alleen uitzonderingen betreft die op onrechtmatige wijze werden bedongen, antwoordt de Commissaris: ‘Alle uitzonderingen. Daarmee bedoel ik: alle’.”

Bij een kop sterke koffie, door een keurig witgeschort meisje voor je neergezet, een krant lezen waar nog woorden als desavoueren in staan: Renate knikt voldaan, kijkt even op en ziet dat de sjofele klant bij haar tafeltje staat.

“Mevrouw Durez?”
Zij zwijgt drie volle seconden, straalt al die tijd haar ijzige afkeuring op de man af. Er steken haartjes uit zijn neus.
“Daar spreekt u mee. Wat kan ik voor u doen?”
Hij gaat in z’n binnenzak en haalt er een plastic pasje uit. Even denkt ze dat hij z’n betaalpas wil laten zien, maar dan zegt hij:
“Rijksrecherche.”
Nu is het zijn beurt om veelzeggend te zwijgen. Renate is onverstoord.
“Wat kan ik voor u doen?”
“Ik heb een bevel tot huiszoeking.”
Renate vouwt haar krant toe en staat van haar stoel op. Ze heeft gezien dat de man klein van stuk is.
“Ik neem aan dat u mij eerst wilt vertellen wat u komt zoeken.”
“Ik ben u geen uitleg verschuldigd”, zegt de man kort. “Ik moet u verzoeken mij alle vertrekken van dit pand te laten zien.”
Pand! Vertrekken! Renate is nu woedend.
“U bedoelt de Taverne en het Restaurant?”
“Ook uw privé-vertrekken. Ik heb begrepen dat u boven het restaurant woont?”
“U zult mij eerst uw documenten moeten laten zien. Iedereen kan hier met een papiertje zwaaiend naar binnen lopen. En ik wil de Stadscommissaris bellen. Dit moet een vergissing zijn.”
“Mijn papieren kunt u zien”, zegt de man. “Ze zijn door de Stadscommissaris zelf ondertekend. Wat de telefoon betreft, ik kan u voor de duur van deze huiszoeking niet toestaan wie dan ook op te bellen.”

Op dat moment komen nog twee mannen de gelagzaal binnen. De man van de recherche legt zijn papieren en zijn pasje op het tafeltje neer en loopt naar ze toe. Renate kan niet horen wat hij tegen ze zegt, maar uit zijn gebaren maakt ze op dat hij instructies geeft. Een van de twee loopt achter de bar en trekt het snoer van de telefoon uit het contact. De ander verdwijnt in de keuken.

“Is uw man thuis?”
Hij staat weer bij het tafeltje, waar Renate doet alsof ze de papieren aandachtig doorneemt. Ze probeert te denken. Wat komen die klunzen hier doen?
“Mijn man? Maar wat komt u hier zoeken? Beseft u dat deze vertoning schadelijk is voor mijn zaak?”
“Ik doe mijn werk. Als iedereen zijn werk weer doet, zullen we in dit land een eind verder staan. Is uw man thuis?”
“Mijn man is op de brouwerij. Hij doet zijn werk. Als u nu weggaat, kan ik mijn werk ook doen. Ik heb u al gezegd, dat u zich vergist.”

De man van de recherche antwoordt niet meer. Hij gaat midden in de gelagzaal staan, met z’n rug naar Renate toe, de benen lichtjes gespreid, de handen in z’n zakken. De wachthouding. Maar ook: de baashouding. Renate ziet hoe de barman onverstoord met glazen en flessen in de weer is, alsof hij niets ongewoons heeft gemerkt. De dienstertjes hebben het moeilijker. Zij lopen af en aan, en telkens als ze de man in de regenjas passeren, kijken ze hem schichtig aan. Renates blik ontwijken ze.

Charly

Charly zit achter z’n bureau op de hoogste verdieping van het administratiegebouw. Een brede, dikke man met een glimmend gezicht en rode oren zonder lelletjes. Hij leest het ochtendblad. Het is een oud ritueel, maar de pret is er wat af. Sinds de Volksraadpleging staat in de kranten alleen nog propaganda van de Eenheidspartij. Hier: De hergezondmaking van het onderwijs. Wiedergesundmachung, zullen ze bedoelen.

“De Commissaris van Onderwijs zal eerstdaags zijn plannen ontvouwen voor de hergezondmaking van het onderwijs. Onze redactie is nu al in het bezit van de grote krachtlijnen die aan het nieuwe beleid ten grondslag liggen. De verdere zuivering van het lerarencorps, waaruit alle zogenaamde ‘progressieve’ elementen voor goed verwijderd moeten worden. De invoering of wederinvoering van een aantal disciplinebevorderende maatregelen. Een grondige revaluatie van de aangeboden leerinhouden...”

De Hunnen zijn aan de macht, denkt Charly. Hij staat uit z’n draaistoel op en loopt naar het raam. Beneden ziet hij de daken van de stad. Verderop zijn weiden, hoogspanningspylonen, nog verder staat de hoge schoorsteen van de verbrandingsoven.

“Wij weten dat uw echtgenoot in overtreding is”, zegt de man van de recherche. “Hij heeft zich voor de Volksraadpleging op ongeoorloofde wijze een Vrijstelling van Afstand weten te verwerven, en sindsdien heeft hij nog altijd geen aangifte gedaan, hoewel het Decreet van 10 september hem daartoe verplicht.”
“De uitzonderingen worden toch pas op 1 november ingetrokken?”, zegt Renate en ze legt haar hand op de krant.
“Dat is zo. Maar de verplichting om aangifte te doen dateert van 10 september. Bovendien heeft uw man zich schuldig gemaakt aan omkoperij.” Hij draait zich plots naar haar toe. “U ontkent dus niet dat uw man in overtreding is?”
“Natuurlijk ontken ik dat.”
Ze meent wat ze zegt.
“Het heeft niet veel zin uw man te beschermen. Hij wordt op dit moment op de brouwerij ondervraagd.”
Hij staat op, loopt achter de bar, steekt het snoer van de telefoon weer in het wandcontact en toetst een nummer in.

“Uit protest. Schrijft u dat maar in uw boekje.”
“Ik weet niet of dat verstandig is.”
“Precies. Wat lieden zoals u verstandig vinden, daar doe ik niet aan mee.”
“Dat kunt u nu wel zeggen. Ik ben de enige die het hoort, en ik ben bereid het te negeren. U bent gespannen. Dat is de gewone reactie van iemand die op heterdaad wordt betrapt. Ik ken dat. Maar als ik uw woorden hier in dit boekje opschrijf, mijnheer Durez, dan is dat een verklaring. Uw woorden worden op het bureau uitgetikt. En u tekent. Het wordt een stuk in uw dossier. Een belastend stuk, behoorlijk belastend.”
“Vertel me geen dingen die ik al weet. U hebt me een vraag gesteld en ik heb u een antwoord gegeven. Wat u in uw boekje schrijft is mijn zaak niet.”
“Nog niet, mijnheer Durez. Nu nog niet. Maar waarom zou u hier een princiepkwestie van maken?”
De inspecteur schuift een stoel voor het raam en gaat er breeduit in zitten. Hij is een bleke, nog vrij jonge man, in een keurig donker maatpak.
“Kijk, ik zie het zo: u bent een zakenman. U verkoopt bier. U hebt klanten. Sommige klanten vindt u best aardig, maar andere kunt u niet luchten. Zegt u ze dat? Schrijft u in uw brief: Geachte klant, ik verkoop u tien paletten pils, maar ik doe het alleen voor het geld, want ik vind u een sukkel?”
Charly haalt heel diep adem. Dat doet hij altijd als hij zich te hard begint op te winden. Het geeft hem even z’n kalmte terug, en in die paar seconden tracht hij de woorden eruit te krijgen.
“U wilt me tegen mezelf in bescherming nemen. Misschien moet ik u daar dankbaar voor zijn. Maar ik kan niet vergeten wat u hier komt doen. En voor wie u werkt. Als u mij echt wilt helpen, ga dan weg en laat mij met rust. In het andere geval moet ik u verzoeken uw werk te doen. U bent geen predikant. U bent een opvolger van instructies, een uitvoerder van bevelen.” Charly barst uit. “Doe in godsnaam wat ze je geleerd hebben te doen, en bespaar me je uitleg.”

De inspecteur glimlacht. Hij heeft het allemaal al vele keren gehoord.
“Zoals uw wilt”, zegt hij, en hij krabbelt wat in zijn boekje. “Ik zal uw kostbare tijd niet langer in beslag nemen.” Hij steekt het boekje in z’n jaszak en loopt naar de deur.
“Wat gebeurt er nu verder?”, vraagt Charly, terwijl hij met een ruk uit z’n stoel overeind komt.
Het werkt altijd: je doet of je weggaat, of je de zaal uit gaat lopen, de held zonder publiek wilt achterlaten.
“Dat kan ik u niet zeggen. Ik ben maar een uitvoerder van bevelen.” De inspecteur trekt de deur open, gaat opzij voor twee geüniformeerde agenten die als bij toeval net nu naar binnen willen, en loopt de gang op.
Charly is van woede verlamd. Hij kan alleen maar toekijken hoe een van de agenten naar de hoek van de kamer loopt, bij de radiator. De agent aarzelt even en besluit dan de jonge hondjes maar met mand en al op te pakken. Pas als de twee agenten weg zijn, is Charly weer in staat te bewegen. Hij gaat voor het raam staan.

In de verte ziet hij de bruingrijze rookpluim uit de schoorsteen onhoogkringelen.

De Brakke Hond
Literair cadeau
nodig?
Verras
4x per jaar,
Met een
abonnement!