


|  |
Stefaan van den Bremt
Oude geesten
1
Ze heetten Holzer, Bergman, Liebman, of nog anders.
Vreemde vogels aan wie hier een verplichte verblijfplaats
was toegewezen tussen inheemsen als Noubel en Dieulafait,
Lacoste, Vernejoul, Delpuech en Bouyssou. Zeker,
ook ongewenste vreemden waren mensen, ook hen
moest men ergens onderbrengen, maar waarom in een dorp
dat geen rioolnet had of stromend water? Waarom niet
in een kamp bij een bron of aan de oever van een beekje
waar ze onder toezicht zouden staan van de gendarmes?
Meneer pastoor richtte een schrijven aan de Maarschalk
en zette alles op een rijtje: de angsten van zijn schapen
als de wolven huilen, tijdens de seizoenstrek naar
grazige weiden aan de overzij.
Maar ze kwamen eraan:
Holzers, Bergmans, Liebmans, met aan hun hals of in
hun voering een zakje diamanten, geslepen in Antwerpen,
waarmee ze de strozak op een gammel stapelbed
in een slaapvertrek vol wandluizen verruilen konden
voor een nette kamer bij de Noubels, de Dieulafaits
of de Lacostes, en oud brood met een bord dunne soep
voor een goede maaltijd bij hun hospita of in de herberg
op de markt. Er was ook een Van Hessen bij die ooit
in boeken deed, een Van Aalten die niet lang bleef
(hij wist de weg naar overzee), en op de koop toe
een Cardozzo, een Miranda, een Rothschild – teneinde
in het belang van de openbare orde, ongewenste vreemdelingen die beschikken over bestaansmiddelen en geen ernstige reden kunnen doen gelden om in stedelijke agglomeraties hun woonplaats te behouden, te spreiden over kleinere gemeenten.
(Aldus, op 9 mei 1941, een vooruitziende prefect, een die spreiden
wou om te verzamelen. Voor het geval dat alsnog verordend
moest worden om hen op transport te stellen.)
Na de razzia
van de Vel d’Hiv in Parijs liep hier door boerenslimheid
de mars naar het pijpen van de Meester uit Duitsland
uit de pas. Madame Dieulafait dekte de jongen
die de naam droeg van een weggevoerde vader
toe in een bedje van eikenbladsla, en haar handkar
ging op weg.
Nog roept elke gevlerkte schim die, als het schemert,
de barsten in de voegen van dit huis ontglipt, oude geesten op
van uitzwermende gasten.
2
Nog blijven de muren waarvan het voegwerk vleugels heeft,
onwrikbaar overeind
tussen schallebijters en cicaden
die de hitte slijpen.
Nog sparen ze de uitgevreten tijd
waarin de wespen gonzen en de hagedissen schuilen,
en spellen de annalen die door een wind van waanzin
in de kalksteen zijn gegrift.
Vragen om een
bovendrempel, weten van geen onderdorpel,
dragen na acht eeuwen ook nog onze dagen
uit boven de glooiing van het heuvelland
met zijn blikveld van Noubel en Dieulafait,
de verte van wie zich welkom weet,
nabijheid van de ongewenste gast.
Een plaats, gelegen in een weinig vruchtbare streek,waar strafbaar samenspannen van daar verzamelde individuen een minimale kans op welslagen zou hebben, kan, door gebruik van leegstaande privépanden, een honderdtal personen herbergen.
Nog blijven de woorden waarvan het voegwerk nog niet bestorven is
ons uitdrijven uit het paradijs –
en geen mantra die het vlammend zwaard
van die hondsdagen kan doven.
|