


|  |
Stefaan van den Bremt
Van de tuin uit gezien
1
Laat zomerdaglicht leunt tegen de muur
waar uit zijn loomte het oude huis
ontwaakt – hoor hoe het kraakt, hoe
uit hun naden de stenen zich rekken
en geeuwen. Het ritselt in de muur,
het krabt nu en ik schrik als, boven
de hoge bovendrempel van de deur,
een muis de muur ontglipt op poten
van frommelvlies dat zich ontkreukelt
tot vleugel – en nóg een, en nóg maar
een, en nóg? Nog! Wij tellen er dertig
en nog spuwt de muurspleet vlerken
in schuin licht, verduisterd door al
dat geruisloos gefladder. Het is of
uit zijn voegen het huis erop uit-
zwermt met muur en muizenis.
2
Van de tuin uit gezien lijken de stenen
van het huis gevoegd met veelhoekige
vlerken die in de vroegte verkalken en
die het donker wekt. Valt het huis dan
uiteen of houdt het stand? Blijven die
stenen liggen? Blijven muren duren?
Zoeken ze her en der het voegwerk
dat erop uit is gevlogen?
|