Vlaams Fonds

Home > 93 > 93 > Ewald Stals

Ewald Stals


Walhalla in Nigeria

Onlangs nog, in het land van cynische sprookjes, met veel olie en nog meer inwoners, leefde de kleine Eczema. Haar dorpje, niet groter dan een paar schamele hutten, lag op de rand, in de Sahel, ver van het water. Papa was een arme boer, haar moeder een magere marktkraamster, samen bezaten ze twee geiten, Blesje en Blusje, en ook nog een ingedommelde tweedehands kameel, Didilo, die oud was en versleten. De kleine Eczema had vier zusjes en drie broertjes, maar niemand, zoals dat in het land van cynische sprookjes hoort, ging naar school.

Ieder jaar opnieuw leed de kleine Eczema honger. Dit jaar was de honger groter. Terwijl haar vader scharrelde in de schrale grond, haar moeder namaakzeep leurde een halve dag reizen verder, waren uit het oosten de mazelen gekomen, als de giftige wind van een ijskoud beest. De kleine Eczema kon zich niet verdedigen. Ze vatte heel vlug heel veel koorts en kreeg jeukende uitslag. Ze at niks meer en was gaan liggen, om dagen lang stil boven zich uit te staren. Wat zag ze, de kleine Eczema, haar lipjes prevelden het onverstaanbaar. Vier weken later woog ze minder dan een jaar geleden, toen ze net drie geworden was. Nog een week later begon ze groen slijm te braken. Ze teerde reeds op het vlees van haar gal.

Arme kleine Eczema, de vliegen drinken je traantjes, je sabbelt hopeloos op het lege vel van een banaan, maar weet je, lieve kleine Eczema, je bent helemaal niet alleen. Er zijn tienduizenden, misschien wel honderdduizend kinderen zoals jij, die honger hebben en hun longetjes kapot schreeuwen. En wiens schuld is dat? Het is de schuld van Abebe, die boze lelijke heks, die als een kwaadaardige gezwel met veel connecties beveelt en manipuleert vanuit haar berucht hoofdkwartier, het ministerie van gezondheid. Ze telt de bankbiljetten tot haar vingers stompjes zijn en lacht, lacht steeds harder, zoals een boze heks dat hoort te doen, tot het hele land aan het bibberen gaat. Arme kleine Eczema, met het geld dat Abebe kreeg van vele lieve mensen, en dat diende om alle kinderen te vaccineren, kocht ze zich een zoveelste buitenverblijf. Is het niet om te tieren, die ironie? Terwijl jij langzaam wegteert, zie Abebe zitten; dik en riant, met haar hoog opgetooid en in goud geborduurd gewaad, zo gniffelend handen wrijvend achter haar computer. Ze bedenkt zowaar nieuwe plannen, nog snoodaardiger, nog kwaadaardiger, al helemaal ontdaan van ieder medelijden. Ja, ze weet het maar al te goed, Abebe, ze heeft kinderen zoals jij, kleine Eczema, altijd al ettertjes gevonden.

Het was dus op één van die logge zomerdagen dat Lydia, in het dorpje op de rand, de kleine Eczema vond. Lydia was een potige verpleegster, nog maagd en een echte weldoenster, helemaal uit het verre IJsland gekomen om te redden, kost wat kost. Ze had van die grote heldere ogen. Ze was onvermoeibaar in haar streven en altijd opnieuw, elke ochtend vroeg weer enthousiast. Professioneel nam Lydia de krijsende Eczema op de schoot, mat met een bandje de omtrek van haar armpje en besloot : nog eentje zwaar ondervoed. Haar assistent zette zuchtend het zesentachtigste streepje op het telblad en schudde even loom met het hoofd. Dit gaat niet goed, zei Lydia, dit gaat helemaal niet goed.

Een kwartier later hadden ze alle kinderen van het dorp gescreend. Lydia verkondigde nog dat ze gauw zouden terugkomen, en sprong toen in een jeep, op weg naar het volgende puntje op de grote map. De stofwolk zakte traag. De mama van de kleine Eczema legde het slappe hete lijfje in de schaduw van een kriele boom. Ze zong terwijl ze Eczema zachtjes door de gebleekte kroeshaartjes streelde. Ooit komt de prins, ooit komt de prins, die zal je kussen en weer tot leven wekken. Maar haar lijfje bewoog nog nauwelijks, met onregelmatige stootjes van het lijdend hartje. Papa boerde verder, al viel er niks meer uit de dorre grond te trekken. Blesje, Blusje, de twee geiten, en Dilido, de ingedommelde tweedehands kameel, die waren reeds lang opgesoupeerd.

Voor Lydia was het duidelijk, er was wel degelijk een hongersnood. Ze had nu drie dagen dorp na dorp afgereisd en overal speelde hetzelfde gezinsdrama. Tijd om in actie te schieten. Ze alarmeerde het hoofdkwartier, bestelde materiaal, medicijnen, tonnen gespecialiseerd voedsel en vond, hoe toepasselijk, een verlaten supermarkt om er haar hospitaal op te bouwen. Naarstig als een bij als ze was, was alles vlug klaar. Het enige wat haar nog ontbrak? Een officiële toestemming. Dus spoedde ze zich met haar jeep naar de hoofdstad en vandaar naar het hoofdkwartier van Abebe, het beruchte ministerie van gezondheid.

Zware donkere wolken schoven in elkaar. Lydia huiverde. Het ministerie, het gebouw, het ademde als een herkauwend beest. Het stonk. Het sabbelde. Het ronkte dronken van het kinderbloed. Lydia sloot even de grote, heldere ogen, ademde diep in en stapte vervolgens kordaat naar binnen. In het zwakke lampenlicht verscheen een labyrint van eindeloze gangen. Water druppelde door de plafonds. Schimmelende dossiers lagen in hoeken en op trappen. De mensen die er werkten stonden oorverdovend tegen elkaar te praten, of, net andersom, lagen languit te snurken in een sofa, met de krant van de dag open geplooid op het aangezicht, alsof er een vreselijke vloek over hen was uitgesproken. Excuseer, sprak Lydia iemand aan. De heer in smetteloos maatpak stopte het kletsen met zijn collega en lachte haar overvriendelijk toe. Hij luisterde en Lydia werd algauw doorverwezen naar de volgende verdieping, afdeling venerische ziekten. Hier moeten we helemaal niet zijn, zei Lydia. Ach, ach, ze glimlachte mysterieus en keerde op haar passen terug. We proberen het langs de zij-ingang, verklapte ze haar assistent. Want Lydia dacht immers dat ze goed was in het oplossen van raadsels. En ontmoedigen liet ze zich nog minder.

Haar brief werd opgenomen in het grote register en voor consultatie geadresseerd aan de vice verantwoordelijke voor chronische ziekten. Deze grijzende heer knikte zijn kop maar al te bevestigend traag op en neer. En of hij op de hoogte was van de vreselijke situatie in het noorden. Kijk, hij toonde Lydia een tienjarenplan, een groots plan, waarmee hij reeds zijn hele carrière aan de slag was. Telkens ik het gevoel heb, bekende hij Lydia, met zo’n samenzweerderige stem, als ik denk dat ik bijna klaar ben, klaar om het plan voor te leggen aan de presidentiele commissie voor openbare werken, begint de twijfel te knagen, sla ik er de laatste cijfers en artikelen op na, en inderdaad, daar heb je het, nieuwe gegevens, nieuwe feiten, dwingen me de hele aanpak te herzien. Desertificatie, religieuze radicalisering, de introductie van mobiele telefoon, de iPod, en u beweert, Mevrouw, dat deze zomer de situatie drastisch dramatischer is dan menig voorgaande? Interessant, heel interessant. Hij ging zitten, vouwde de handen samen en dacht lang heel diep na. De kamer rook naar sigaren, op de muren vergeelden affiches van lang vergeten ambities, een klokje tikte verder. Mag ik u een raad geven? , vroeg hij uiteindelijk. Ja, knikte Lydia, en ze rilde even. Waarom gaf ook hij haar het gevoel dat de waarheid niet zou helpen? Alsof ze daardoor nooit meer de uitgang uit het ministerie zou terugvinden. En Lydia slikte. Ik zie geen enkele redenen, zei hij uiteindelijk, ik zie niks dringends, nog positiefs in uw aandrang te helpen. Dit land wacht niet op de versnelling of de vertraging die u denkt te brengen. Dit land consumeert zich, op eigen ritme, in fase met haar ontwikkeling. Hij leunde achterover en sloot de ogen. Ik vrees dus, zei hij, dat u eerder uzelf wilt helpen. Met wat? Dat is de vraag, dat is de kernvraag, en dat weet u ook, ergens heel diep weg, vermoedt u al dat het antwoord u niet zal bevallen. Hij keek Lydia aan. Haar maag draaide met een kolk door haar navel, helemaal binnenste buiten. Wat kon ze nog zeggen? Ze liep op de grijskop toe, griste de brief uit zijn handen en besloot de brief zelf wel op het bureau van Abebe te deponeren.

Op de negende verdieping, niet eens halverwege, werd haar verzoek voor onmiddellijke behandeling andermaal onderschept en na wat gepalaver nog eens voorgelegd, nu aan de permanente secretaris van de directeur algemene gezondheid. Tien dagen, zei Lydia vol afgrijzen toen ze te horen kreeg dat de man in kwestie, jammer genoeg, nog anderhalve week in het buitenland zou verblijven, en dat omwille van urgente persoonlijke beslommeringen. Zolang kunnen de kinderen niet wachten, we hebben geen seconde te verliezen. De secretaris van de permanente secretaris lachte en zei vol wijsheid: Mevrouw, u bezit een polshorloge, maar, dat begrijpt u toch ook, daarom nog niet de tijd zelf. Hij sloot het dossier met een trage streling en stapelde het op een berg paperassen aan de linkerzijde van het bouwvallige bureau.

Geeft u hem nou dat polshorloge, raadde haar assistent aan, zo worden hier nu eenmaal de dingen geregeld. En desondanks, want Lydia had dat kleinood op haar twaalfde van haar moeder gekregen, die het op haar beurt op haar twaalfde van haar grootmoeder had ontvangen, gaf ze uiteindelijk toe. Ze dacht aan kinderen zoals Eczema, die waren meer waard dan wat vijzen in roestig sentiment. Volhouden, moedigde Lydia zich aan, waardigheid, zelfrespect, als mantra’s bleef ze het herhalen. Het horloge verdween in een van de diepe zakken van de secretaris zijn kostuum.

De volgende dag mocht Lydia op audiëntie, nu bij de directeur algemene gezondheid zelf. Ik zou tekenen, zei die met een mond vol parelwitte tanden, meteen, zonder te aarzelen. Maar u begrijpt, mevrouw, dit is geen medisch probleem, nee, dit is een politieke uitdaging, en daar kan ik niet zomaar over heen gaan. U begrijpt, dit moet de minister zelf beslissen, enkel een verzoek aan haar zal uitsluitsel geven. Hij glimlachte vervolgens vals, wreef zich het zweet van de volle vlezige lippen en kwam veel te dicht voor Lydia staan. Daarom deed die man Lydia denken aan een leraar uit haar lang verstreken ongelukkige schooltijd. Hij maakte het haar duidelijk. Misschien kon hij helpen, iets doen, iets bespoedigen. Hij nam haar linkerhand en plaatste die op zijn reeds gespannen gulp. Wat, dat, nooit, Lydia wipte vol afgrijzen van haar stoel en vluchtte naar buiten. Zijn gelach en de echo door de honderden gangen van het labyrint deden haar verschillende malen struikelen over eigen voeten.

Het was niet eenvoudig, de tijd was altijd tegenwoordig. Zeven dagen op zeven, vierentwintig uur op vierentwintig, heeft Lydia zwetend met haar geweten geworsteld. Zolang ze druk in de weer was met het alfabetisch ordenen van de medicijnen in de apotheek of het opleiden van lokaal personeel, zolang ging het wel, maar eens de stilte in de eenzame hotelkamer viel, begon van onder de lakens de duisternis andermaal te hijgen. Waarom was ze hier? Was het ambitie die haar dreef? Of erger? Duisterder? Blindheid? Wou ze in een hel zijn omdat ze in een hel wou zijn? En wat zocht ze er? Hier? Waarheen elke conclusie geleid had, ondanks iedere bocht in de plot van haar bestaan. Geen wil had het gestopt. Nee, alsof haar maagdelijkheid een gewelddadige dood wou sterven, alsof ze hier voor gekozen was. Door wie? Ze woelde verder. Ze wachtte en wachten is de waarheid niet durven bekennen. Ze hoopte en hopen openbaart nooit iets. In afwachting, in een mengsel van twijfel en ongeloof, werd het vlekje op haar liefde voor de mensheid, dat groot woord, werd het allemaal alsmaar groter, groter dan het misschien werkelijk was. Het projecteerde reeds groteske gedaanten op haar ziel, gedrochten met de ware gedaanten van haar strijd. Het zelfmedelijden, de vraat, de zucht, de jaloerse warmte, de kilte erna, de wroeging en walging, de verlamming in hals, borsten en vagina, ’s ochtends bleef Lydia een uur lang liggen, haar bed als een kooi, alsof de tralies haar voorgoed gevangen hadden. Wat moet ik doen, wat moet ik doen, ratelde ze. Veertien dagen na elkaar lang rende ze een marathon achter die o zo belangrijke vraag.

Later, aan de hand van een retrospectieve studie, bleken er, in die periode, in het land van cynische sprookjes, driehonderddertien kinderen te zijn gestorven. Zonder verdere ceremonie, zonder protocol, maar met uitgezuiverde procedure, werd de aarde open geploegd en al even vlug weer met de massa opgevuld. Het was alsof kippen of varkens met pest werden verwerkt.

Het antwoord dat kwam was dan ook verbijsterend. Het ontbrak Abebe aan concrete gegevens, want cijfers over duizenden kinderen, die waren statistisch gesproken niet genoeg om conclusies te trekken. Medianen, gemiddelden, dergelijke overgesimplificeerde conclusies, beweerde de Minister, plaatsten de huidige situatie niet in een historisch kader en waren daardoor a priori overroepen. Biafra, Ethiopië, Soedan, schreef ze, wat U mij hier onder de neus duwt dreigt een progressieve ondergraving van het begrip hongersnood te provoceren. Uw irreële illusie, door enkele details tot vervelens toe op te blazen, schept heel gevaarlijke, en tegelijk perverse verwachtingen. Het vervangt het concept met gegevens, met andere woorden, de werkelijkheid met fantasie. Het is obsceen, mevrouw, het toont gebrek aan elk gevoel van moraal. Waarschijnlijk stelt u de vergassing van 6 miljoen joden ook gelijk aan ieder dagelijks kwaadwillig bagatel.

Op de volgende bladzijde vroeg ze Lydia wat de bedoeling was, wat ze propageerde. Ze beschuldigde haar zich een plaats in de geschiedenis op te eisen. Indien je hier, giste Abebe, en wierp daarmee de vishaak op de juiste plek in de poel van Lydia’s ziel, indien je hier in dit land de heldin dacht te kunnen spelen, dan vergis je je van tijdstip. De romantische dagen zijn al lang voorbij, de wereld is geen verhaal dat eindigt in een climax, waar alles plots stopt en loutering volgt. Er komt altijd iets erna. Zo is dat. Want het heden is verwarrend en bestaat uit contradicties, uit opzettelijke fouten en toevallige treffers, uit weloverwogen misstappen en contraproductieve bedoelingen. Lydia kon daar maar beter akte van nemen. Instelling bepaalt uitkomst, discipline verandert kennis, besloot Abebe, niet emoties, maar intelligentie verzekert dat realiteit realiteit blijft, dat een mens een mens is. Ze wist nog te melden dat hulp sowieso niet vereist was.

Lydia vloekte, wat een kreng, wat een monster. O, wat verafschuwde ze die vrouw reeds. Ze zouden ze moeten veroordelen, siste Lydia, voor misdaden tegen de mensheid. Opsluiten en laten creperen, tot ze meemaakt wat die kinderen voelen. En terwijl Lydia de brief nogmaals herlas, liep er een lange harde rilling over haar wervels. IJskoud had de IJslandse het gekregen, alsof ze plots een andere vrouw was geworden, waarvan de ogen niet meer zo helder groot waren, waarvan het innerlijke reeds tot rafels verscheurd werd, het zieltje al zielig was.

De vlag van de laatste kilometer wierp een grote schaduw op het gezichtje van de kleine Eczema. Ze prevelde nog nauwelijks, ze ijlde haast onhoorbaar. Als bengelde ze aan die monotone vibratie. Haar mama probeerde haar een kruidensopje te voederen, een mengsel dat ze met haar laatste bezit van de traditionele heler had gekocht. Het smaakte bitter, naar vers uitgeperste steen. Eczema braakte het meteen weer uit. Tot driemaal toe probeerde mama het, toe driemaal toe weigerde Eczema. Ze deed haar oogjes toe en probeerde doorheen de zwarte kringen naar de maan te reizen.

Lydia belde het hoofdkwartier in Europa. We mogen dit niet aanvaarden, zei de ene verantwoordelijke, heb je reeds met de gouverneur generaal gepraat, raadde een andere aan, of met de president, suggereerde een derde, er moet toch iemand zijn die toestemming kan geven. Tussen de lijnen door is het mijn schuld, dacht Lydia, ze verwijten me de hele kwestie. Wat verwachten ze? Moord? Nog meer destructie? Of had ik met de benen open aan de goede zaak moeten denken? Moet ik dan schuld met onschuld betalen? Woest smeet ze de hoorn op de haak.

Het gebaar ontluchtte de situatie maar even. Weldra trok de zwaarte haar mondhoeken opnieuw naar beneden, tot er niet meer dan een schril glimlachje van af kon. Lydia klauterde moeizaam overeind, zette koffie, at wat brood met boter en dacht. Toch moet het mogelijk zijn, want onmogelijk kan het niet zijn. Ze zette zich achter haar bureau, rechtte haar rug en nam een blad papier. Waarde gouverneur generaal, waarde westerse ambassadeur, waarde landverantwoordelijke van de verenigde naties, waarde vertegenwoordiger van de wereldgezondheidsorganisatie, hierbij richt ik me tot U. Ze stopte. Hoe schrijf je zoiets? Zonder dat het hol klinkt? Woorden hebben geen ziel, zei Lydia, ze creëren donkere gordijnen, ze liegen en weigeren die leugens toe te geven, dronken van hun eigen levenssap, verbaasd over hun eigen draagkracht. Het ergste is dat ze nooit sterven, dat ze alles overleven. Virussen zijn het, ze verkankeren tot ze rot naar buiten spatten. Ze nam een slok van haar kop koffie en keek er vervolgens in. En wat als dit brood zich bewust is dat het reeds in dikke plakken gesneden op mijn bord ligt? Ze nam een nieuw vel papier. Aan de president, excellentie, het is niet mijn gewoonte presidenten tijdens het regeren te onderbreken. Nee, ze stopte andermaal. Zo lukt het niet, wie zou daarop antwoorden? Niemand. Een psychotische biografie was het, een klaagzang over haar vervreemding, een getuigenverslag van haar minderwaardige pijn. Verbeten perste Lydia haar lippen op elkaar. Weerloos was ze, inferieur, krachteloos, bedrogen voelde ze zich, bedolven onder haar eigen twijfels. Woorden, woorden, actie hadden die kinderen nodig.

Ze ging wandelen door de lege ruimtes van haar omgetoverde supermarkt. Treurig was het, die eenzaamheid, die lege bedjes, het steriele materiaal en de blinkende inox. Door het raam scheen de zon. Ambigu en onwerkelijk schitterde het felle licht, er naar kijken maakte Lydia bewust dat niks met elkaar verbonden was. Het raam op de wereld, zei ze, wat je ziet is het glas, en daarachter een nostalgische versie van een niet zo vreselijke wereld. Maar misschien is het raam in de muur enkel een gat. Dat is het nou precies, zei ze, een gat, een dom donker gat, de paradox van een leegte. Wat hier gebeurt, predikte Lydia luid tegen zichzelf, is de manifestatie van de absurditeit. De telefoon rinkelde.

Waarom gebeurt er niks?, beval een verantwoordelijke vanuit het hoofdkwartier in Europa. Doe nou iets, zei een tweede, ga nou gewoon kinderen uit de huizen halen en begin. Ik kan me niet voorstellen dat moeders weigeren hun kinderen te laten behandelen, verkondigde een derde. Het bleef stil aan de andere kant van de lijn. Lydia zat voor de spiegel en keek naar zichzelf. Ze zag narcisme. Ze vroeg zich af of dat glinsterend oppervlak tussen haar en haar verschijning niet eerder het membraam van haar maagdelijkheid was. Ze opende de mond en bekeek haar gebit. Mijn vagina heeft scherpe hoektandjes, fezelde ze. Vreselijk, zo moet een idiote naar de werkelijkheid kijken, met het geloof dat haar voortdurend door de vingers glipt.

Dat heb ik toch al gedaan, zei ze uiteindelijk, de mensen zijn bang, bang voor Abebe, ze doen niet open, zonder die toestemming beginnen we niks. Dat weten die dorpelingen toch niet, lachte de ene, dat kan zelf niet, wist een andere, hoe zou het, besloot een derde. Lydia kreeg het op de zenuwen. Ze heeft het bevolen, schreeuwde ze, snappen jullie dat nou niet, dat er dan niks gebeurt. Grrr, ze stampte met de voeten, haar ogen verwaterden, alles werd diffuus, ook de stemmen uit Europa drongen niet meer door. Doe het nou maar, klonk het, stap in die jeep en trek er op uit, als je het wilt, zal het gebeuren. Ok, ok, ik doe het al, zei Lydia en haakte in.

Ze bleef zitten. De spiegel vibreerde. Herken je je nog?, vroeg het glinsterend oppervlak. Herken je de lagen? Hoe de grenzen verglijden, hoe het gehalte aan waarheid verder uitdeint, tot iedere grond voor oordeel is verdwenen? Wie is die Abebe eigenlijk?, vroeg het glinsterend oppervlak. Ze voedt zich met jouw verlamming en ondertussen doet ze verder. Lydia lachte beduusd. Haar gedachten, de manier waarop ze praatte, al haar gewoontes, al haar gevoelens en hoe ze de dingen zag, Abebe leek ze reeds te beheersen, te muteren, te degeneren. Misschien heeft ze gelijk, zei Lydia, misschien moet er niks gedaan worden, is helpen gewoon onmogelijk. Ze stond recht, automatisch, ze riep haar assistent en wandelde naar de jeep.

Dorp na dorp, de hele dag door, en opnieuw, Lydia klopte, maar de gesloten deuren bleven gesloten. Doe nou open, doe nou open, smeekte ze uiteindelijk. Niks, nou, dan blijf ik hier voor de drempel zitten, ooit moet je naar buiten komen. En Lydia voerde de daad bij het woord. Ze plofte neer op een steen, dronk drie slokken van haar veldfles en zette haar zonnebril op. De zon bakte. Haar assistent zat naast haar, op de remsporen van de jeep. Het is hun schuld niet, zei hij zo zacht mogelijk, hoor je dat?, vroeg hij nog voorzichtiger, dat geluid, het is Abebe die lacht. Welk geluid?, zei Lydia, waar heb je het over?

Lydia zou hiermee akkoord gaan: wanneer iets gevaarlijks en dreigends wordt gevoeld, wordt dat iets naar buiten toe verdrukt. Het wordt er geobjectiveerd, om zo de eigen stabiliteit te bewaren. Ja, Lydia zou met deze uitleg zelf tevreden zijn, want het mechanisme van de projectie is namelijk een verdediging. De persoon in kwestie verlaat de waarheid voor verbeelding, tot de verbeelding de waarheid is, tot de dingen, eerst bedacht, uiteindelijk ook waarheid worden. Verzadigd met die volheid, lijkt het achter zich gelaten leven schraal en voor immer onbevredigend.

Ik hoor haar, zei ze, ik hoor haar lachen, wat een vreselijke krijsende stem. Lydia stond op. De metastase was nu onherroepelijk. Ze was wel degelijk deel geworden van het cynische sprookje. Wat moeten we doen?, vroeg ze angstig. Haar assistent glimlachte. Dit is wat we in dit land Walhalla noemen, zei hij, en verduidelijkte, het zijn problemen, onoverkomelijke problemen, die klauw in het nekvel, spartelend boven een afgrond van vloeibaar vuur. Het maakt alles onmogelijk. Je moet niks, Lydia, je kan niks doen. Zo voelt iedereen zich hier. Walhalla is het woord voor de toverspreuk. Walhalla is er; plots, en dan voor altijd. Het is zakdoekje leggen, niemand zeggen, je rent in cirkels tot je er bij neervalt.

Een uur later reeds liet een magere marktkraamster haar stervend kind achter op de drempel van de getransformeerde supermarkt. Lydia vond opnieuw de kleine Eczema. Van heel diep in het onderbewuste herkenden ze elkaar, als een metafoor voor het leven op zichzelf. Het moet, ik moet, zei Lydia, want een sprookje blijft. Cynisch ja, maar toch, een sprookje. Ze nam het gloeiend lijfje in de armen, droeg het naar binnen en legde het voorzichtig op de witte lakens van een kinderbedje. Ze stak een naald in een adertje, klikte er een buisje aan vast en verbond het met een infuus. Lydia luisterde angstig naar de ademhaling van Eczema. Volhouden, volhouden, fluisterde ze, je mag niet sterven, jij bent mijn redding, als ik jou kan redden, dan is alles goed. Langzaam druppelde het infuus verder. Ze hield de frêle vingertjes in haar hand en streelde ze zachtjes. Lydia voelde aan haar onderbuik, ze wist dat ze de juiste beslissing had genomen. Vrijheid. Ze straalde, tot het hospitaal met poëtisch licht gevuld was.

Maar zoals het geweten is, zo was het nu ook. Het overtreden van conventies geeft immers sterke reacties, met ernstige gevolgen. Kort daarna stond de politie op de drempel van het hospitaal. Ze waren gekomen om Lydia te arresteren, wegens illegale medische activiteiten, op bevel van Abebe. In paniek sloeg ze de zwaaideuren van het hospitaal dicht, barricadeerde ze met kasten, tafels en banken, en begroef zich verder, tot ze helemaal opgesloten lag in haar innerlijk interieur. Ze belde andermaal het hoofdkwartier. Wat heb je gedaan? , vroeg de ene, alles is verloren. Nee, zei een andere, het is een mediamogelijkheid, laat je arresteren, het best nog met dat kind, stervend in de armen. De stemmen klonken enthousiast. We bellen iedere journalist, verkondigde een derde, dit wordt frontpaginanieuws, een schandaal, dit gaat koppen doen rollen. Lydia haakte in en staarde voor zich uit. De kleine Eczema ademende onregelmatig. Haar lipjes waren droog, korstig en gebarsten.

Wat, wat als het leven eindigt met het gevoel dat het anders had gekund? Dat het door die gedachte voorgoed verloren is? Het ontglipt, zei Lydia vertwijfeld, alle gevoelens die het belooft, gegeven aan, gegeven door, vrienden, familie, minnaars, eindigden in één enkel gevoel, dat alles onderdrukt en transformeert. Haat. Dat is haat, herhaalde Lydia, dat is haat en door die haat wordt Abebe mijn gelijke. Ik herken haar en ik erken, ik bevestig dat moordenaars niet echt moordenaars zijn. Maar mensen, iedereen, ik, een welopgevoed meisje die haar liefde voor de ware bewaart, een mistroostige zelfzuchtige entiteit, een karakterloos karakter zonder persoonlijkheid, te pathetisch om medelijden mee te hebben, waarvoor je eerder walging vertoont. Pervers en grotesk, ja, maar nog altijd menselijk. Zo onomatopeïsch. In staat om te kermen. Vervuld van het rococo.

Zo eenzaam was Lydia nog nooit. Vervreemd van zichzelf, van het eigen bewustzijn, met een hart dat nog enkel automatisch klopte. Lydia ging op de knieën voor de kleine Eczema zitten. Emotieloos, in trance, zoals een duivels contract wordt getekend, nam ze het kind in de armen, prikte met een speld het infuus op haar borst en wandelde naar buiten, de middaghitte tegemoet. Kijk, zeiden de toeschouwers, ze bloedt in de schaamstreek, ze houdt dat kind als offer voor zich uit. Journalisten flitsten er op los. Agenten dreven hen uiteen, sloegen met de matrak op de starende menigte in, rukten Lydia Eczema uit de armen, draaiden haar de boeien om de polsen en duwden de IJslandse gebukt achteraan een dienstwagen in.

De spanning was nu te snijden en in de chaos werd de kleine Eczema helemaal vergeten. Ze lag in een hoekje, in de schaduw van een vuilbak, en langzaam maar zeker druppelde het infuus. Niemand zou de fles vervangen. De autoriteiten hadden het druk, de journalisten renden naar de redacties, de menigte slenterde huiswaarts. Nog even trilde er een vingertje, dan een geluidloze reutel en de kleine Eczema stierf in het stof.

Maar het schandaal kwam er. Op ieder beeldscherm overal ter wereld openbaarde Lydia met de kleine Eczema in de armen de waarheid. De directeuren op het hoofdkwartier in Europa beschuldigden en analyseerden, Abebe werd aan de tand gevoeld, vluchtte en kreeg asiel in een niet onthuld gastland, ondertussen kwam de noodhulp op gang. Het cynische sprookje eindigt dan ook in drama en moraal: de magistrale inspanning van Lydia, een Ijslandse verpleegster, redde het leven van naar schatting 350.000 kinderen. Dankzij haar werd een hongersnood voorkomen van de allure Biafra, Ethiopië of Soedan.

Velen zullen zich afvragen, wat er daarna met haar gebeurde, de muze van dit cynisch sprookje. Kort en bondig, Lydia beklaagde zich de rest van haar weinige dagen over wat ze uiteindelijk als een transparante vergissing definieerde. Iets wat Abebe ook zo zou verwoorden. Dit was Lydia’s manier om de kleine Eczema vergeving te vragen, sorry te zeggen. Maar het baatte niet. In het spectrum van alle mogelijke gruwelijkheden, ligt haat immers op de rand van het menselijk verstand. Hoe meer Lydia poogde het te relativeren, hoe erger het werd. Het vergelijken, het gelijk stellen, het degraderen en zelfs ridiculiseren, werd gevoelsmatig ondraaglijk. De toekomst bleef even ongeloofwaardig als het verleden, moord bleef moord, en zo stierf ze dan ook, walhalla, walhalla, het gelaat geaderd met wroeging en rouw.

Tijdens de autopsie vonden ze haar ziel terug, verzonken in vlees van beton, en zoals dat met een zwarte doos kan, kon er ook daar naar haar laatste antwoord worden geluisterd. En ja, hoe hartverscheurend het ook mocht zijn, Abebe had gelijk, het leven ging verder. De kinderen stopten met sterven, de regen bracht regen, de zon, planten weerden zich doorheen de natte grond en alles bleef alles. Cynisch sprookjes zijn immers waar, in metaforische zin, maar, dat weet iedereen, zijn niet echt echt waar. Of bestaat er dan toch vreugde uit peperkoek en verdriet in suikerspin?

inhoudsopgave nr. 93


abonneren

Een abonnement op de papieren versie van De Brakke hond kost slechts 32 euro. Klik hier voor een abonnement.

Nummer nabestellen? klik hier.

boekenlinks

Proxis
boekenbank
DBNL

Over De Brakke Hond

De Brakke Hond is geen tijdschrift voor hondenliefhebbers die zich interesseren voor hondenvoeding, hondenverzorging, puppies en hondenvakanties, het bevat 100% literatuur.


nieuwsbrief

Schrijf u in op onze nieuwsbrief "Letters". Vul hier uw e-mailadres in:


AanmeldenAfmelden


Powered by YourMailinglistProvider.com





design: wwww.mixette.com