Vlaams Fonds

w> Jan Posma

Jan Posma


Bereid je maar voor op het ergste

Rond mijn vijftiende verjaardag vond ik het met de westerse wereld opeens welletjes en na een middagmaal van entrecôte met friet en in de oven gewarmde tomaten koos ik, languit op mijn bed gelegen, voor de leer van het boeddhisme. Geloven was weliswaar nooit een van mijn sterke kanten geweest, in vriendschap misschien, maar niet in goden. Ik hoorde mijn zus de trap naar mijn zolderkamer opkomen en voorspelde dat ze niet zou kloppen. Ze bracht altijd eerst haar hoofd naar binnen, de oplossing voor wie nieuwsgierig was en niet lomp genoeg. Ze vroeg wat ik in haar plaats met haar haar zou doen. Ik bleef er rustig bij, hoewel we vaak schreeuwden en mijn zus het laatste was wat ik bij mijn oefeningen transcendente meditatie kon gebruiken. Haar kapsel liet me koud. Ik liet haar een platenhoes met een foto van Siouxie, de zangeres van de Banshees, zien en stelde voor dat ze me met rust liet. Ik wist dat er twee soorten jongens waren. De ene soort lette op de billen, de andere op de tieten. Kapsels waren frivole details.
Meer basiskennis over de boeddhistische leer vond ik in de bibliotheek. Naar gewoonte ging ik eerst naar de fototijdschriften waarin altijd wel een paar naakte vrouwspersonen afgedrukt stonden. Ergens voelde ik aan dat die foto’s me geheel van de transcendentie wegleidden, niettemin luidde een beroemde richtlijn die ik tien minuten later in een boek in de theologische afdeling vond als volgt:

Alles wat je tegenkomt, kan een mogelijkheid zijn om de goede weg te vinden.
Woorden van een boeddhistische wijze. Ik schreef ze met een paarse stift op de witte achterkant van een Woodstockposter en hing ze boven mijn bed. Het boeddhisme was helemaal niet zo moeilijk. Je kon ook naakte vrouwen tegenkomen en de weg van de waarheid vinden.
‘Ik kap met al die transcendentie,’ zei ik amper een week later tegen Seakatz die zich meer en meer in voodoo ging verdiepen en me het woord parafernalia bijbracht.
‘Je hebt ook geen geduld. Het boeddhisme lijkt me niet verkeerd.’
‘Ik haat de maatschappij, maar de transcendentie kan de maatschappij niet veranderen. Marx had gelijk, godsdienst is opium voor het volk, godsdienst is dope. Je zit jezelf gewoon wat te sussen en die multinationals kunnen hun lol niet op.’
De bedoeling van ons verblijf op de aarde bleef de hamvraag en de jongens van het christelijk college hadden zelfs bezinningsweken in afgelegen kloosters waar een wereldvreemd iemand met roze handen over de zin van het leven kwam praten. Volgens Vandecasteele situeerde de zin van het leven zich in het midden van ons lichaam.
‘Seksualiteit,’ zei hij verduidelijkend, met gesloten ogen, elke lettergreep beklemtonend.
‘Alleen al als je het woord uitspreekt, voel je aan dat het de essentie is,’ vervolgde hij.
‘Niet overdrijven,’ zei Bakhuizen, ‘natuurlijk, als je het zo doet.’
‘Wacht even,’ zei Seakatz en ging in een speciale houding staan.
‘Supermarkt,’ sprak hij, op dezelfde manier elke lettergreep proevend, plechtig, de ogen gesloten.
Vandecasteele had gelijk. Supermarkt deed het niet, ook als het plechtig werd gebracht. Ook de vrienden van het christelijk college gingen hierin mee. De transcendentie was een krachtig gegeven, maar elke keer dat we via meditatie het bovenaardse en het bovenzintuiglijke probeerden te ervaren, kregen we uiteindelijk toch een stijve. Het was niet anders. Op ons twaalfde of dertiende hadden we kennisgemaakt met de sensatie die onze trofee teweeg kon brengen. Daarna hadden we ons een ongeluk gerukt. Hoe meer en hoe langer we daarvan genoten, hoe meer het inzicht vorm kreeg dat we daarvoor leefden, dat dat de zin van ons bestaan moest uitmaken. Vandecasteeles vader, die zich in zijn vrije tijd aan een moestuin ter grootte van een half voetbalveld wijdde, zei dat een mens harder moest werken dan hem lief was, voor een gerieflijk huis, zodanig dat zijn gezin kon uitgroeien tot stichters van weer nieuwe gezinnen. Daar namen we geen genoegen mee. Een schakeltje zijn in zo’n belachelijk en inspiratieloos kweekprogramma, het was niet genoeg, daarvoor deden we het niet. De menselijke soort kon zich daartoe toch niet verlagen?
We bezonnen ons over de grote vragen in een geïmproviseerd café dat deel uitmaakte van een complex dat door de gemeente aan jongeren werd toevertrouwd. Niemand hield ons tegen, we bezorgden geen last. Punk was al een paar jaar dood. We kregen natuurlijk ruzie met vaderfiguren omdat we alleen nog naar huis gingen als we uitgehongerd waren. In dat lokaal waar wel eens iemand een boek van Schopenhauer op tafel smeet, kregen we geregeld Josse over de vloer, een veertiger met een kleine, roestige pick-uptruck die kaartjes ronddeelde waarop in een ongebruikelijk lettertype ‘sloopwerken’ stond. Josse dronk zwaar abdijbier en deed op zijn tijd een merkwaardige uitspraak. Als hij in de gaten kreeg dat er twee een partijtje schaak speelden, zei hij:
‘De schaakspelers hebben de remise uitgevonden, maar zo werkt het niet, het is een wedstrijd en iemand zal hem moeten winnen.’
Hij stak daarbij een vinger in de lucht en wij bootsten de man na. Hij had heel eigen ideeën en preoccupaties, bijvoorbeeld over de stoffelijke resten van Adolf Hitler. Al dertig jaar hielden die stoffelijke resten hem in de ban. Volgens de man hadden de mensen hem uiteraard geen begrafenis gegund en het lijk op een afgelegen plek gesmeten om het daar te laten rotten. Niets meer en niets minder. Geen aandacht, activiteit of energie meer aan schenken.
‘Ik kom geen mensen tegen,’ zei Josse, ‘ik doe hard mijn best en niemand kan zeggen dat ik niet zoek maar ik weet dat ze ergens zijn omdat die onmens heeft liggen wegrotten.’
Tegen ons viel te praten. Wij waren mogelijke mensen in wording. Daarom zocht hij ons gezelschap op. Wij waren anders omdat we jong waren. Een keer ging het zo ver dat hij ons weer na zo’n gesprek over zijn favoriete onderwerp in zijn pick-up meenam.
‘Bereid je maar voor op het ergste,’ antwoordde hij met benijdenswaardige onbewogenheid toen we naar de bestemming vroegen.
Toen we uitstapten, werden we meteen een doodzieke kotsgeur gewaar, een ongeëvenaarde stank.
‘Lang hou je het hier niet uit,’ zei Josse, ‘tenzij je een paar zintuigen mist of al hersendood bent.’
Er was alleen zand. Met allerhande troep in. Geroest metaal. Verweerde plastic zakken. En die stank.
‘Hier heeft hij liggen rotten,’ zei hij, strak voor zich uit kijkend.
Op dat moment beseften we dat Josse krankzinnig was. Hij was niet de puber met het verleden of de volwassene met verbeelding die we er lang in hadden gezien, hij was gestoord.
‘Als Dolf ergens had liggen rotten, was het wel in de Heimat geweest en niet in het Meetjesland, laten we wel wezen,’ zei Vandecasteele die zijn pols in een vies verband had. Maar we speelden het spel mee en wilden nog weten waarom Josse zo dicht bij die stank woonde, hij had ons immers nog maar net zijn huis aangewezen. We konden het sinister bouwwerk met te weinig ramen van hieraf zien. Hij kuchte en lachte tegelijk en dat moest een antwoord voorstellen.
In de vooravond zaten we ons in de Maserati af te vragen waar het die avond heenging.
‘In Genk in Limburg stikt het van de kleindochters van Calabrische en Siciliaanse mijnwerkers,’ zei Seakatz, ‘het wemelt daar van de Italiaanse wijven, ik zweer het je.’
‘Niet overdrijven,’ zei Bakhuizen.
‘Je hebt die Maserati toch ergens voor?’
Die Maserati was eigenlijk een aftandse DS en Seakatz heette gewoon Bracke maar we gingen wel richting Genk. We luisterden naar The Sound en zongen mee met Winning. Bakhuizen van den Brink, die eigenlijk Desmet heette en de DS bestuurde, had het de hele tijd over mijnwerkers. Een van zijn grootvaders had een tijd in een mijn gewerkt. We leerden het begrip stoflong. Bakhuizen was een keer blijven zitten, misschien wel twee keer, vandaar het rijbewijs en de auto. Die had hij van de andere grootvader, een oude huisdokter die weer in Congo was gaan wonen waar het voor hem allemaal begonnen was. Als favoriete kleinzoon mocht hij de auto gebruiken tot hij terugkwam.
‘Maar dat zal wel niet,’ zei hij met zo’n overdreven knipoog die zijn gezicht helemaal uit balans bracht.
We begrepen dat die terugkeer naar Congo seksueel gemotiveerd was. Een keer dat je wist dat het daar allemaal om draaide, begreep je de wereld een stuk beter, ook het gedrag van niet al te oude grootvaders. Bakhuizen had ook een vriendinnetje, Winnie, maar ze had bronchitis en moest van haar moeder thee met tijm drinken en binnenblijven. In juni van het vorige jaar hadden ze een hele maand op zijn kamer in een wolk van marihuana en dromerige vrijpartijen doorgebracht. Zijn ouders waren gescheiden. Hij woonde bij zijn moeder maar die was er nooit omdat ze in shifts in een ziekenhuis werkte en ergens een vriend had die zijn appartement letterlijk nooit uitkwam. Bak had toen geleefd zoals het volgens hem hoorde, waarmee hij aan wilde geven dat hij dat extra jaar er voor over had gehad. Op het mondeling examen Nederlands had hij een vraag moeten plukken uit een kartonnen doos vol samengevouwen briefjes en daarop had de naam Bakhuizen van den Brink gestaan. De naam zei hem volstrekt niets en het examen was verder compleet de mist in gegaan. Black-out, had hij steeds maar geantwoord, black-out. Het stond ook op zijn rapport geschreven: black-out. Tijdens de rapportuitreiking hadden Winnie en hij liggen zonnen op Omaha Beach. Dat was ook zo’n Winnie-ideetje, even gaan zonnen op Omaha Beach.
Na twintig kilometer zakte de Maserati als een pudding in elkaar.
‘Niet overdrijven,’ zei Bakhuizen tegen zijn stuur en gaf er een paar meppen op.
Het kwam door de gesofisticeerde vering en de LHM-olie. Als de LHM-olie van je Citroën lekte, kon zowel de stuurfunctie als het rem- en veringsysteem uitvallen. Dat gebeurde tegelijkertijd. Het was levensgevaarlijk als je op een drukke weg zat maar we reden op de oude weg tussen Gent en Aalst en er was blijkbaar een belangrijke voetbalwedstrijd op de televisie want de weg was echt doods. In dit land wezen verlaten wegen altijd op een voetbalwedstrijd op de televisie.
‘Genk en zijn Italiaanse wijven kunnen we wel vergeten,’ mopperde Seakatz. Hij had een jasje met veel ritsen en ritste ze allemaal dicht omdat hij het verder ook niet wist.
‘Ik blijf hier zitten,’ zei Vandecasteele die een verhaal in een oude Penthouse las, ‘ik zit hier goed.’ Hij had geluk dat zijn pols in een verband zat. Met zijn drieën stapten we café De Ossewei binnen. Op een televisiescherm was een voetbalwedstrijd aan de gang.
‘Het is Anderlecht, ze spelen Europees,’ zei Seakatz.
We vroegen cola met bier. Dat dronken we toen, de helft cola, de helft pils. Als je er tien van dronk was je niet dronken maar ook niet nuchter, het voelde aan alsof je een bloedtransfusie of misschien ook gewoon een pak slaag had gekregen. Je sliep er ook niet van maar slapen was voor bejaarden, laten we wel wezen. In de Citroëngarage in de omgeving maakten we weinig kans op dit uur. Om niet te zeggen geen, zei de cafébaas die op de lelijke broer van Jean-Paul Belmondo leek en een zwarte matrak in zijn geldla had. We konden het beter in het benzinestation proberen, gewoon olie bijvullen, terugkeren en hopen dat we het haalden. In de hemel is geen bier, daarom drinken we het hier, las ik op een bordje boven een poster van Laura Gemser. De baas ging met ons tot bij het raam en wees de plek aan, het was vlakbij de auto. Benfica, de tegenstander van Anderlecht, maakte een doelpunt. We kregen niet de indruk dat ze dat hier erg vonden. Anderlecht was niet de club van het volk. Het volk vond Anderlecht een stelletje verwijfden uit het wufte Brussel. Wat was het volk eigenlijk? Wie waren dat? Hoorden wij daarbij?
‘Nog een in zijn doos,’ hoorden we iemand zeggen, op een neutrale, louter registrerende toon. De cafébaas wenste ons succes met een duim en liep naar zijn telefoon die een vermoeid, wanhopig gerinkel uitbracht. Het tankstation was open maar er was niemand.
‘Het zijn groene flessen,’ zei Bakhuizen.
‘Ik krijg zomaar een idee,’ zei Seakatz.
‘Niet overdrijven.’
Niet overdrijven was een relativerende formule die Bakhuizen te pas en te onpas gebruikte, meestal als iemand van een idee gewaagde of iets uitbracht dat van hersens getuigde.
‘Je weet toch wie de grote specialist is?’
Hij doelde op Josse. Josse had hem drie weken geleden al eens uit de brand geholpen met dat olieprobleem. Josse wist alles van auto’s. Hij had een reputatie. Soms kwamen monteurs van gerenommeerde garages naar hem toe als ze er niet uitkwamen. Hij deed sloopwerk omdat auto’s repareren volgens hem slecht betaalde en ook omdat hij niet in een wereld kon leven waar het beste van Duitse makelij was. Frans en Italiaans was in de autowereld mooi voor het oog maar het betere werk kwam uit Duitsland, dat wist iedereen, ook wie geen school had gelopen.
‘Jij wil hem erbij halen?’
‘Als het niet lukt, hebben we in elk geval een lift terug.’
‘Ik vind één uur Josse per dag wel zo ongeveer het maximum.’
‘Dit is een noodsituatie.’
‘Niet overdrijven.’
Bakhuizen twijfelde. Ondertussen had hij zijn zakken gevuld met Marsrepen, een paar pakjes Camel, een vies blaadje dat Chick heette en een handvol zonnebrillen. Ik ging in de wc een kijkje nemen. Ook daar was niemand. Een open tankstation, hel verlicht, deuren open, zelfs munten in het schoteltje in de wc maar alles muisstil.
‘Toch raar dat hier geen muziek is.’
‘Hoezo?’
‘Die is er toch altijd in tankstations?’
‘Niet overdrijven.’
Ik overdreef niet, het was vreemd. Ik ging terug naar buiten, riste twee Snickers mee. Dat was misdadig maar in winkels werd je sowieso afgezet. Kapitalistische winkeliers kochten huizen van hun winst die ze verhuurden aan mensen die geen huis konden kopen en als er iets kapot was, een boiler of een dakgoot, dan gaven ze niet thuis, niets mee te maken. Ik koos ook nog een zonnebril, een namaak-Ray Ban. Bakhuizen was ondertussen aan het bellen. Hij moest ver vooroverbuigen en zijn gezicht zat vlak boven de kassa. Ik zag het al voor me, Bakhuizen dubde nooit lang en herverdeling van rijkdom was een begrip. Ik maakte me uit de voeten. In de auto zat Vandecasteele nog steeds in die beduimelde Penthouse te lezen, bij het gelige licht van een straatlantaarn. Uit De Ossewei kwam een type met een wielrennerspetje. Hij klom op zijn fiets, bedacht zich en ging eerst tegen de voorgevel staan pissen. Bakhuizen kwam naar de auto gelopen, keek hijgend in het dashboardkastje en rommelde wat in de koffer, waaruit hij uiteindelijk van onder een stapel dekens een plastic jerrycan tevoorschijn haalde.
‘Wat ga je doen?’
‘Tanken natuurlijk, het is nu het moment, of niet soms?’
‘En Josse?’
‘On his way.’
‘Je blaast als een stier, Desmet.’
‘Eindelijk heb je het door.’
Josse kwam niet met de gebruikelijke roestige pick-upwagen maar met een heuse takelwagen, een model van net na de oorlog maar intact, voor de autokeuring een wrak maar voor ons op dit moment een voertuig dat rechtstreeks uit de hemel kwam.
‘Eerst even tanken,’ zei Josse, toen hij de armetierige voorgevel van café De Oossewei in de gaten kreeg. We vroegen weer bier met cola. Josse dronk een Westmalle. De Europese wedstrijd was afgelopen. De televisie stond nog aan, er werd door sportjournalisten en een paar kenners nagekaart maar niemand keek of luisterde. Ik bestudeerde Laura Gemser. Ze zat op een tuinbed met een wit broekje aan. Black Emanuelle. Die film zien en dan sterven, had Vandecasteele ooit gezegd. Bij navraag bleek een zekere René het tankstation open te houden. De cafébaas snapte niet dat er niemand was, René was er altijd, hij had er zelfs een bed en een klein televisietoestel.
‘Hebben jullie gebeld?’
‘Als je de deur opendoet, gaat er een bel.’
‘Nee, aan de pompen zit een bel, je moet bellen aan de pompen.’
Toen de DS aan de takelwagen gekoppeld was, probeerden we die bel nog even. Bakhuizen had opmerkelijk weinig geduld. Ik wilde niet weten wat hij nog allemaal mee had gejat. We belden twee keer maar er gebeurde niets. ‘Niente,’ zei Bakhuizen, ‘andiamo!’
Net toen we wegreden, zagen we uit een bijgebouwtje een oudere man komen, hij droeg een Anderlechtmuts. Vandecasteele zat achter in de DS omdat er geen plaats genoeg was in de cockpit. Seakatz zat al op het motorblok tussen de stoelen in. Iedereen rookte als een schoorsteen. Josse had er zin in, hij liet ons een koelbox vol blikjes Kanterbräu openmaken en demonstreerde de aparte manier waarop je zo’n oude wagen reed. ‘Als je schakelt, geef je tussengas,’ zei hij. Alleen Bakhuizen kon autorijden. Die dacht er het zijne over en stelde geen vragen.
In een enorme loods achter zijn woning reed Josse de takelwagen binnen. Hij keek nieuwsgierig in zijn eigen woning toen we er langsreden. Er brandde licht. Had Josse een gezin? Misschien een vriendin die nooit buitenkwam. We mochten nog niet uitstappen en dat had alles met de hond te maken. Het was helledonker, de lichten van de auto beschenen een werkbank en een raam met opaak glas. We zagen Josse door de poort naar buiten stappen, hij mankte een beetje en rochelde iets op.
‘Spreek jij een mondje Italiaans, Bak?’
‘Van op reis.’
‘Dat zal van pas komen als we straks naar Genk gaan.’
‘Jullie gaan maar naar Genk, het zal zonder mij zijn, let op mijn woorden.’
We hoorden Vandecasteele schreeuwen. Die lag nog achter in de DS en begreep natuurlijk niet wat er gebeurde. Bakhuizen stapte toch uit, ondanks die hond die Willy heette, naar de verdronken broer van Josse. Willy, volgens Bakhuizen een kruising tussen een Bouvier en een herder, kwam vaak mee naar ons café, gemuilkorfd. Op zijn eigen erf was hij gevaarlijk, waarschuwde Josse altijd, op verplaatsing niet zo. Bakhuizen moest af en toe bevestigen dat hij twee jaar ouder was.
‘Willy draagt thuis geen korf,’ zei Seakatz waarschuwend, toen Bakhuizen al half uit de wagen hing. ‘Niet overdrijven, maat, niet overdrijven.’
Vandecasteele kwam mee in de wagen geglipt, zodat ik op Josses plaats terechtkwam. We maakten meer blikjes open. Vandecasteele zag bleek als een lijk, zijn rit was een lijdensweg geweest maar hij kon niet uitleggen waarom. In twee keer dronk hij zijn bier leeg.
‘Waarom komt die vent niet terug?’, vroeg hij en boerde met overgave.
‘Volgens mij om mensen te kloten,’ zei Bakhuizen, en probeerde iets te ontwaren in het schaarse licht bij de poort.
‘Als we nu vertrekken, kunnen we nog naar de Luna,’ zei Vandecasteele.
‘De Luna, de Luna! Hij wil hete Conny zien!’
Vandecasteele plantte zijn elleboog in Bakhuizens nierstreek. Die deed alsof hij zich kapotlachte.
‘Ik word ook boeddhist,’ zei Bakhuizen.
Het werd even heel stil omdat niemand begreep waarom hij het zei. Iedereen wist dat ik ermee bezig was geweest. Het leek een valse noot in het geheel maar boeddhist worden betekende dat je overging in een staat waarin je toevallige levensomstandigheid er niet toe deed. In gevaar zijn, in angst verkeren, wat stelde het voor?
‘Ik word alcoholist,’ zei Vandecasteele, ‘zo af en toe een kommetje rijst en een beker water, nein Danke.’
Bakhuizen stapte eerst uit. Hij liep in het schijnsel van de lichten en zijn lichaam zei dat hij niet bang was. We volgden een vaag silhouet tot hij weer verscheen in het licht bij de poort. Daar stond hij een poosje rond te kijken en wenkte ons. We gingen dezelfde weg, eerst Vandecasteele, dan Seakatz die giechelde als een heks en dan ikzelf. Ik vond er niets aan maar ik hield mijn mond. Josse kwam niet terug, we moesten iets, maar nog even wachten had ook gekund. Opeens begon Willy in zijn kooi bij de achterdeur van het huis op te springen. Hij was gekorfd, er kwam geen geluid uit hem, alleen het metaal van de kooi maakte een vervelend kabaal. Als Josse iets wilde uithalen, was het onschuldig, anders had hij de hond niet gemuilkorfd. Dat was Bakhuizens gefluisterde deductie en ze hield steek. Daardoor was zomaar de plaat poetsen ook geen optie meer, temeer omdat de DS nu eenmaal gerepareerd moest worden. De achterdeur stond aan.
‘Ik ga naar binnen,’ zei Bakhuizen.
‘Hoelang is hij nu weg?’
‘Twintig minuten? Een halfuur?’
Hij ging niet naar binnen. Hij klom boven op de hondenkooi en keek van daaruit in de kamer waar licht brandde. Hij keek zeven, acht seconden lang en sprong van de kooi. Hij bleef liggen, er was iets met zijn voet. Wij bleven nog op afstand maar hij maakte met een slappe hand duidelijk dat we konden komen.
‘Seksualiteit, dieren’, sprak hij, zijn enkel wrijvend, ‘volgens mij ligt Josse daar op de overloop te vossen, het is een ongewone plek maar overtuig jezelf.’
‘Je meent het,’ zei Vandecasteele.
Seakatz zat bijna boven op de kooi toen we Josse om hulp hoorden roepen. Willy liep nu rondjes. In films zag je mensen altijd om hulp roepen, in het echte leven was het net iets akeliger. Het huis had nog een interieur uit de jaren dertig. We vonden Josse op de overloop onder een extreem magere vrouw met kortgeknipt zwart haar. Hij legde uit dat zijn vrouw ziek was en dat ze zich in haar bed bevuild had. Dat was wel duidelijk. Ze droeg alleen een licht slaapjurkje, het was doordrenkt van fruitpapachtige stront. Josse vloekte drie keer identiek. Hij had vast iets gebroken. Zij vrouw gaf geen kik. Hij schaamde zich voor ons, vier jongens die nog geen ellende hadden meegemaakt, die lulden over de boeddha, over seks en bier, en dan dit tafereel te zien kregen, dit tafereel van onmacht, kleinmenselijkheid en stront. Hij had haar naar het bad willen dragen maar hij was omgevallen en nu kon hij niet meer rechtkomen. Bakhuizen kwam nu ook aangemankt. Hij dacht er niet over na, ging schrijlings over de twee gevallenen staan, nam de vrouw onder haar schouders en tilde haar van Josse af.
‘Volgens mij is ze dood,’ zei Bakhuizen.
‘Leg haar op de vloer,’ zei Josse, ‘leg haar maar op de vloer.’
De man huilde. We hielpen hem overeind. Opeens stond ook Willy daar, gemuilkorfd en droevig als een mens.


inhoudsopgave nr. 93


abonneren

Een abonnement op de papieren versie van De Brakke hond kost slechts 32 euro. Klik hier voor een abonnement.

Nummer nabestellen? klik hier.

boekenlinks

Proxis
boekenbank
DBNL

Over De Brakke Hond

De Brakke Hond is geen tijdschrift voor hondenliefhebbers die zich interesseren voor hondenvoeding, hondenverzorging, puppies en hondenvakanties, het bevat 100% literatuur.


nieuwsbrief

Schrijf u in op onze nieuwsbrief "Letters". Vul hier uw e-mailadres in:


AanmeldenAfmelden


Powered by YourMailinglistProvider.com





design: wwww.mixette.com