| |
Laureaat verhalenwedsrijd De Brakke Hond 2006
Om twaalf uur wil ze ineens koffie. We staan bij het stoplicht van
het kruispunt bij hotel Finnic, van die lapzwans van een Paddy, je weet
wel, daar waar de weg afbuigt naar het zuiden, de stad uit. We staan
daar, terwijl er niemand is. Het hele kruispunt was leeg. Geen kip.
Niets. Zo verschrikkelijk niets, dat ik me afvraag waarom ik in godsnaam
voor dat vervloekte licht sta te wachten. Het is zo stil, dat het lijkt
of we een rol spelen in The Stand.
Ze buigt zich naar me toe en zegt: “Koffie.”
En ik kijk naar de zwarte lucht en zeg: “Wat koffie.” Gewoon omdat je
ook op de stomste dingen iets moet zeggen. En zij weer, met die verdomde
zucht van haar, die aanstellerige zucht, waarmee ze andere mannen gek
maakt, maar mij maakt ze er alleen maar razend mee: “Ik heb zin in koffie.”
“En ik verdom het om bij Paddy koffie te gaan drinken.”
“Finnic?”
“Finnic ja. Geen Paddy. Ik krijg nog geld van hem.”
“Waarom niet?” Weer die zucht.
“Waarom wél! Ik krijg nog geld van hem.” Ik zeg maar wat.
“Nee, waarom we niet naar Paddy gaan.”
“Omdat het twaalf uur is.”
Ze zucht. “En wat heeft dat in vrédesnaam met Paddy te maken?”
Het verkeerslicht wordt groen. Ik geef wat gas, laat de koppeling opkomen
en draai Virgin Avenue op. Avenue. Een lege, verlaten rotweg door een
halfdood industrieterrein, waar geen mens te bekennen is. Wat een naam
voor een weg. Virgin Avenue.
“Niets.” Je moet toch wat zeggen. Virgin is verlaten. Het is dinsdag
en iedereen slaapt. Het is woensdag. Het is twaalf uur, weet je nog.
Dan wordt alles anders. Dan wordt de dinsdag ineens de woensdag. Een
hond rent een eindje blaffend mee.
“Stop eens,” zegt ze, harder dan nodig is. Ik bedoel, zo’n herrie maakt
die Ford niet. En er is geen wind of zo. De ramen staan open, zie je.
“Stop eens.” Ze zegt het gewoon nog een keer, alsof het niks kost. Ik
snak naar een sigaret, hoewel ik al twee jaar niet meer rook. Ik snak
naar zo’n eenzame sigaret, ergens buiten in de nacht, waar een lantaarnlicht
oranjegeel de bladeren kleurt, waar de geluiden van de nacht het mooist
zijn, zodat je een knoop in je onderbuik voelt, en de rook je longen
teistert, het uur van de nacht waarin de roes van de alcohol nog aangenaam
is, als alles stil is en je geest leeg – zo’n nacht.
Ik zet de Ford langs de kant, in het gras. Ze stapt uit. Er moet nog
ergens whisky zijn. Onderin het dashboardkastje.
“Ik moet plassen,” zegt ze. Ze praat nu zachter. Over dit soort dingen
praten vrouwen niet graag. En helemaal niet hard. Ze loopt in de richting
van een klein bosje stokoude platanen. Ik kijk haar na, naar de dunne
zomerjurk om haar ouder wordende lijf. Ik houd van haar. Denk ik. Ze
draait zich om, bukt zich en trekt de jurk omhoog. Ik zie verder niets,
want als ze haar onderbroek uittrekt, bukt ze in dezelfde beweging neer.
Het is zo stil dat ik het hoor klateren op de weerbarstige grond.
Ze staat op. Haar jurk valt terug. Ze kijkt me aan. Ze blijft staan,
roerloos, met licht afhangende schouders. Het is alsof ze alles overdenkt,
de stilte, de leegte, alles. De hele verdomde rataplan. Ik wend mijn
blik af en tuur Virgin af. Een stuk verderop draait een auto de weg
op, richting ons. De lichten strijken heel even langs haar jurk.
“Wat sta je daar nou?” Ik roep het zonder naar haar te kijken. De auto
nadert langzaam. Abnormaal langzaam. Ik denk aan de Texas Highway
Killer van Don DeLillo. Fictief maar angstaanjagend. Ze staat er
nog steeds.
“Wat sta je daar?”
“Ik kom.” Er komt beweging in. Ze zet haar ene voet voor haar andere.
Ik start de motor. De auto is dichtbij nu. Tergend langzaam.
Ze stapt voort, haar dunne zomerjurk wiegt rond haar magere lijf, haar
dunne, wriggelende benen. Achter het stuur zit een jonge man, naast
hem een mager blond meisje met een stuurs gezicht. De jonge man heft
zijn hand op, steekt zijn duim omhoog en richt de wijs- en middelvinger
naar mij toe. Met zijn mond doet hij driemaal het geluid van een revolverschot
na. Dan grijnst hij. Het meisje steekt een sigaret op.
“We gaan terug naar Paddy,” zeg ik, als ze heeft plaatsgenomen. Ze wipt
op om haar jurk onder haar billen glad te strijken.
“Ik hoef geen koffie meer,” zegt ze langzaam.
“Ik ook niet. Maar daarom kunnen we nog wel naar Paddy.”
“Wat doen?”
“Iets sterkers dan koffie.”
“Geld ophalen?”
Ik zwijg. Gewoon omdat ik niets weet te zeggen. En omdat ik geen zin
heb om iets te bedenken.
“Waarom krijg je nog geld van Paddy? Je komt er nooit.” Ze kijkt in
het dashboardkastje terwijl ze praat. Het licht beschijnt haar wangen.
Haar ogen gloeien koortsachtig. Ze is mager.
“Advertenties.” Een woord moet voldoende zijn. We hebben langer langs
Virgin gereden dan ik dacht. Het duurt lang tot het kruispunt, daar
waar de stad overgaat in de wildernis. We rijden langs dichtgetimmerde
gebouwen, schuurtjes van golfplaten, autowrakken en lege terreinen.
Een verlaten industrieterrein. Er is geen maan.
Ze lacht. Ze lacht verdomme als een hyena. Ik heb haar al zo vaak gezegd
dat ze als een hyena lacht, maar het wordt alleen maar erger, ik zweer
het je. “Wat valt er te lachen?” vraag ik. Ik bedoel het niet onvriendelijk,
maar ze kijkt me getergd aan.
“Jij met je advertenties. Doe je dat nou nog altijd? Ik dacht dat je
dat allang had opgegeven.” Het dashboardkastje klapt dicht.
Advertenties verkopen voor een blad dat niet bestaat. Het is zo oud
als de wereld, en ik kan me er aardig van in leven houden. De oude Ford
lijkt even los te komen van de grond als we over een uitholling in de
weg rijden. Niemand weet dat we hier zijn, flitst het door me heen.
Finnic is dicht. Als ik voor de derde keer in vijf minuten op de deur
bons, hoor ik slepende voetstappen. Er worden twee sloten opgedraaid.
Ik kijk om. Ze zit roerloos in de auto en staart over het verlaten kruispunt.
In het oosten flitst een traag onweer.
Een jonge vrouw kijkt door de smalle opening naar buiten.
“Ik kom voor Paddy.”
De vrouw kijkt me zwijgend aan. Haar bleke gelaat maakt een vettige
indruk. Het duurt een tijdje voordat ze de naam herhaalt, alsof ze hem
wil proeven, erover wil nadenken.
“Paddy.”
Ik glimlach onbeholpen. “Sorry. Ik bedoel natuurlijk George. George
Paddington.”
Weer die herhaling, dat trage nadenken. “George Paddington.”
“Is hij er?” Ik moet ongeduldig klinken.
“Wie?” zegt de vrouw, met haar gekmakende traagheid. “Paddy?”
Ik weiger antwoord te geven, en staar haar aan. Ze staart terug, zonder
dat er enige beweging merkbaar is. Ze kijkt naar de auto. Vervolgens
gaan haar grijze ogen over het kruispunt, vangen even een onweersflits
op in de verte. Dan richten zij zich weer op mij.
“Ik weet niet wie u bedoelt,” zegt ze. Ze gaat met haar hand langs haar
neus. Er is beweging achter haar. Plots valt de regen. Grote droppels
spatten zwart op het droge asfalt. Het geruis neemt schrikbarende vormen
aan achter mij. Ik zie dat de autoruiten dicht zijn.
“Luister,” begin ik nog maar eens. “Luister. Ik wil hem spreken, maar...
Laat maar. Laat ook maar.” Ik maak een gebaar met mijn linkerhand, dat
hopelijk ongeïnteresseerdheid uitdrukt. De vrouw staart mij aan langs
de nauwelijks geopende deur.
“Is Finnic nog... kun je hier... nog... is het nog een hotel?” Ik weet
dat het belachelijk moet klinken.
“Nee,” antwoordt de vrouw verrassend snel.
“Nee? Wat nee.”
“Nee,” zegt de vrouw nog eens.
“Wat nee.”
“Het is geen hotel. En Paddy is dood.”
Kijk, en dat je dan geen acht slaat op het feit dat ze Paddy toch blijkt
te kennen. ’t Is maf, maar ik hoorde het niet. Dat ze Paddy uitspreekt
alsof ze verdomme van hem houdt of zo.
“Dood?” Dat had ik namelijk wel gehoord. Paddy is dood. De vrouw doet
de deur wat verder open. “Hij is dood. Hij werd door de bliksem getroffen.
Daar.” Ze wijst vaag richting het kruispunt.
“En toen?” Weer zo’n achterlijke vraag. Ik weet het. Ik moet hem stellen.
“Toen was hij dood.” Ze geeft nog antwoord ook.
De regen ruist wat zachter nu. Ik hoor de radio in de auto, gedempt
klinken stemmen, dof metalig in portieren.
“Dus.” De vrouw maakt aanstalten de deur te sluiten. “Dus. Paddy is
niet meer. Meneer Paddington is hemelen. Als je hem wilt spreken, moet
je jezelf voor je donder schieten.”
Ik loop terug naar de auto. Paddy is dood. Het kan me geen ruk schelen,
dat niet. Ik heb Paddy nauwelijks gekend. Weet niet eens wat ik net
bij hem ging doen. Je had niks aan Paddy, echt niet. Niemand had wat
aan hem. Hij keek je altijd lang aan, zonder wat te zeggen. Zolang,
dat je hem wel kon slaan of knijpen.
Finnic. Kloterig hotel waar nog geen hond dood gevonden wil worden.
Paddy met zijn slome lijf, zijn adem die naar verrotte sinaasappels
meurt, zijn belachelijke bril die omhoog gaat als hij lacht. Ik open
het portier. En dan die vrouw van hem, met die magere poten en die enorme
bos hout voor de deur, boven een grote puntbuik. En die grote blauwe
trui die ze eeuwig droeg.
“En?” vraagt ze. Ze is lief, echt. Maar ik heb geen zin om uit te leggen
dat Paddy verdomme door de bliksem is getroffen op het kloterigste kruispunt
van het hele land, en dat het me echt helemaal geen ene moer kan schelen
dat Paddy door de bliksem is getroffen op het kloterigste kruispunt
van het hele land, en dat hij dood is, en dat die vrouw bij de deur
mij aanried om zelfmoord te plegen. We moeten Virgin Avenue weer op.
Dat je doodgaat op het meest verrotte kruispunt dat je kent, dat is
triest. Dat je zo aan je eind moet komen. Wat deed hij daar trouwens
op dat kruispunt?
“Wie was die vrouw bij de deur?”
“Ik wou dat ik het wist.”
Ze kijkt me aan. “Waarom wou je dat? Wil je wat met haar?”
“Wat is dat nou weer voor een opmerking? Ze zag er ziek uit.”
“Ik wou dat ik het wist, zeg je net. Waarom wou je dat dan? Dan wil
je toch wat van haar?”
Ze is lief, echt. Maar ze kan zo doordrammen dat ik er soms gek van
word. En het gaat dan ook nog eens helemaal nergens over.
“Haar daar vlak voor die tyfusdeur van dat mottige Finnic helemaal uitwonen.
Gewoon op de stoep. Er is toch niemand. Nou goed?”
Ze kijkt me vuil aan. Virgin Avenue ligt voor ons.
“Paddy is dood.” Laat ik daar dan in godsnaam maar over beginnen.
“O.”
Mislukt. Het interesseert haar geen moer. En terecht.
“En je geld dan?” Praktisch is ze. Dat dan weer wel. Ze glimlacht naar
zichzelf in het spiegeltje van de zonneklep. Waarom die naar beneden
is weet niemand. Het is nacht. Het is bijna een uur.
En we zijn nergens. We zijn op Virgin Avenue, verder verwijderd van
welke maagd dan ook, we vertrekken van de kloterigste stad van het hele
land, met het meest stompzinnige kruispunt van de hele wereld, gewoon
omdat het niet nodig is, het hoeft geen kruispunt te zijn, niemand heeft
erom gevraagd. We gaan verder. Virgin Avenue is om precies te zijn 66
kilometer lang. Lang genoeg om nergens te komen.
De radio speelt jazz.
Terug naar de inhoudsopgave van nr. 93
Een abonnement op de papieren versie van De Brakke hond kost slechts 32 euro. Klik hier voor een abonnement.
Nummer nabestellen? klik hier.
De Brakke Hond is geen tijdschrift voor hondenliefhebbers die zich interesseren voor hondenvoeding, hondenverzorging, puppies en hondenvakanties, het bevat 100% literatuur.
Schrijf u in op onze nieuwsbrief "Letters". Vul hier uw e-mailadres in: