| |
Er werden in Antwerpen door een op tilt geslagen achttienjarige een
paar racistische moorden gepleegd, of juister: een paar waarschijnlijk,
of zelfs maar wellicht, door racisme geïnspireerde moorden, mede
door racisme geïnspireerde moorden, het onderzoek moet dat eigenlijk
nog uitwijzen; en er is ook nog een racistische moord gepleegd die misschien
geen moord was, wat valt er nog veel te onderzoeken en op te helderen.
Maar geen tijd verloren, men organiseert een demonstratie tegen onverdraagzaamheid
– het moet ophouden, we hebben er genoeg van. Anders dan gehoopt wordt
het niet ‘de grootste betoging ooit’ in ‘de Scheldestad’, er dagen zowat
18.000 mensen op, dat valt toch nog goed mee want het weer was slecht.
Men is gauw tevreden, ik vind dat het niet meevalt, iedereen is immers
tegen onverdraagzaamheid? De nationale unanimiteit galmt uit alle radio’s
en tv’s en gazetten, we zijn allemaal dezelfde juiste mening toegedaan.
Op zoek naar tegengif kom ik bij Ezra Pound
terecht; in de eerste regel van het kwatrijn ‘Ité’ (uit Lustra,
1916) spreekt de dichter zijn gedichten toe: ‘Go, my songs, seek your
praise from the young and from the intolerant’. De wereld waarin Pound
toen leefde was nog niet bekeerd tot de jongerencultus, en jongeren
waren nog niet per se conformistisch; vandaar dus the young,
zo achterhaald, vergeef het hem. Maar the intolerant, hoe durft
hij! Niet verbazend dat hij naderhand het fascisme ging aanhangen!
De tweede regel verheldert de eerste: ‘Move
among the lovers of perfection alone.’ De onverdraagzame verdraagt geen
onvolmaaktheid. Hij legt zich dus niet neer bij wantoestanden, onderdrukking,
kruiperij, kuiperij, amusement, conventie, schijnheiligheid, leugens,
gezever, afkeer van het denken... De onverdraagzame verdraagt de onvolmaaktheid
niet in zoverre die gemakzuchtig is.
Andere verzen uit dezelfde periode brengen nog meer duidelijkheid. ‘Reflection and Advice’ richt zich ironisch tot de vleiers, de smooth flatterers, een soort die radicaal tegenover de onverdraagzamen staat: ‘Say there are no oppressions, [...] / Say that art is well served by the ignorant pretenders, [...] / Praise them that are praised by the many: / You will not lack your reward.’ En in ‘Salvationists’:
Come, my songs, let us speak of perfection
–
We shall get ourselves rather disliked.
[...] Come, my songs,
Let us take arms against this sea of stupidities
–
[...] And against this sea of vulgarities
Een onverdraagzaam te wapen, geweld, oeioei.
Maar toch, had dat meteen gezegd, meneertje!,
‘(in)tolerantie’ heeft bij Pound blijkbaar een heel andere betekenis
dan de gewone, geen probleem dus, dit heeft niets te maken met onze
humane overtuigingen!
Niet zo zeker. Pounds intolerantie verdraagt
het gedachteloze gekwebbel niet, de al te goedkope consensus. En daaronder
valt vandaag zeker ook het spotgoedkope, vanzelfsprekende anti-racisme,
dat gedeeld wordt door bijna allen, te beginnen bij alle politici van
‘de democratische partijen’. (Wat is democratie precies, wat is tolerantie,
wat is racisme, wat is een racistische moord, wat is een racistisch
geïnspireerde moord? En wat moet ik met anti-racisten die tegelijk de
hongerstakende asielzoekers als schandelijke chanteurs bestempelen?)
De Vlaamse christen-democraten hielden in juni
2006 hun ‘gezinsdag’, in een pretpark, ze zijn altijd al pretfiguren
geweest. Bij die gelegenheid zei hun voorzitter: Er wordt nu overal
gezegd dat er meer verdraagzaamheid en respect nodig is in de samenleving,
wel, daarom moet we meer investeren in gezin en opvoeding, en daarom
moet er in de eerste maand van het schooljaar een dertiende maand kinderbijslag
uitbetaald worden. Ter wille van de tolerantie een verhoging van de
kinderbijslag, ik zou er zelf nooit op komen. Ik kan het moeilijk verdragen.
Let us take arms.
De Antwerpse moorden vonden plaats enkele weken na een andere moord:
in het Brusselse Centraal Station werd een jongen doodgestoken omdat
hij zijn mp3-speler niet wilde afgeven aan twee afpersers. (Zonder veel
grond gingen onze haastige anti-racisten ervan uit dat de minderjarige
daders Noord-Afrikanen waren, maar het bleken Polen.) De journalisten
zorgden voor een enorme hype, want stel je voor, als het nu nog op de
markt van een boerengat als pakweg Overpelt gebeurd was, maar in het
CS van Brussel, daar komen wij zelf ook wel eens, je houdt het niet
voor mogelijk! De precieze toedracht is, alweer, nog lang niet opgehelderd,
de media stonden niet stil bij het abnormale van het feit – hoeveel
jonge boefjes willen ook mensen doden, met zo’n tien messteken dan nog?
Ze stonden dus ook niet stil bij het incidentele karakter, integendeel:
ze deden alsof dit soort dingen voortdurend gebeurt in België. Ook in
dit geval volgde er dus een ‘stille mars’, met de strekking dat het
eindelijk eens moest ophouden, dat het afgelopen moest zijn.
Waarmee moet het afgelopen zijn? Met ‘zinloos
geweld’, zeggen ze. Wanneer ze herhalen dat de jongen vermoord is ‘voor
zijn mp3-speler’ bedoelen ze dus: voor bijna niets, zomaar, zonder zin.
Maar zinloos, zinloos, laten we even aannemen dat het de daders inderdaad
alleen om dat voorwerp te doen was – zinloos? Helemaal niet, niet zinlozer
dan het ‘racistische’ geweld.
De Antwerpse moorden worden gerelateerd aan
een negatief maatschappelijk verschijnsel op de achtergrond: racisme,
intolerantie, extreem-rechts... De Brusselse moord daarentegen heet
zinloos omdat ze aan geen andere verschijnselen te relateren valt dan
aan ander geweld, ‘het toenemend geweld in de samenleving’; maar dat
is onjuist: die moord valt te verbinden met een achtergrondverschijnsel
dat zeer veel ruimer verspreid is dan racisme, namelijk hebzucht.
De maatschappij is op bezitten gericht, ze stimuleert het bezitten voortdurend
met alle mogelijke middelen, en de jongere die geen mp3-speler heeft,
is eigenlijk een niemand. Onze liberale premier zei na de Antwerpse
moorden: zo zie je maar waar het extreem-rechtse gedachtegoed toe leidt;
na de Brusselse moord zei hij niet: zo zie je maar waar het kapitalistische
gedachtegoed toe leidt.
Onze algemene bezittersmentaliteit is evengoed
een voedingsbodem voor geweld als een racistenmentaliteit; weinig hebzuchtigen
gaan werkelijk tot geweld over, maar dat geldt ook voor racisten. Jamaar,
zeggen ze, er is toch een essentieel verschil tussen rechtmatig en onrechtmatig
bezit. Echt? Hoe essentieel is dat verschil, hoe hermetisch is de afsluiting?
In Lucas 12:13-21 treedt een man op wiens broer
zich onrechtmatig de hele erfenis heeft toegeëigend en die aan Jezus
om hulp vraagt. Jezus weigert echter te bemiddelen of te oordelen, en
waarschuwt: ‘Pas op, hoed je voor iedere vorm van hebzucht’. Daarna
vertelt Jezus over een rijke man wiens land zoveel had opgebracht dat
hij geen ruimte meer had voor zijn voorraden; hij besliste dus om grotere
schuren te bouwen, dan zou hij nog lang van zijn goederen kunnen genieten.
‘Maar God zei tegen hem: “Dwaas, nog deze nacht zal je leven van je
worden teruggevorderd. Voor wie zijn dan de schatten die je hebt opgeslagen?”.’
In zijn preken 107 en 107a becommentarieert
Augustinus die tekst. Hij laat er geen twijfel over wat iedere vorm
van hebzucht betekent: het gaat ook om je eigen bezit, ‘Niet alleen
degene die andermans bezit rooft is hebzuchtig, nee, ook de mens die
begerig zijn bezit bewaakt is hebzuchtig.’ Die mens zal misschien bereid
zijn een misdrijf te plegen - bijvoorbeeld een vals getuigenis afleggen
- als ze hem ermee bedreigen om anders zijn bezit af te pakken; en ik
denk niet dat Augustinus veel begrip zou hebben voor juweliers die overvallers
doodschieten. Niet het bezit is volgens hem verkeerd maar wel het zich
eraan vastklampen, het eraan vastzitten, de gehechtheid eraan - het
houden van het bezit. Augustinus vindt zelfs gehechtheid aan het leven
een vorm van hebzucht. Wat de rijke man met gebrek aan ruimte betreft,
die wordt sarcastisch aangepakt: ‘Hij kon het nergens opslaan! Waar
waren de armen dan?’ Kreun niet over de last van uw rijkdom, ‘Denk aan
de hongerigen, daar ligt uw opslagruimte.’ Uiteraard staat bij Augustinus
dit alles in een godsdienstig perspectief; in plaats van aardse rijkdom
te willen hebben, moet je een rijke ziel willen bezitten, de hemel,
het eeuwige leven, God. O wereldvreemde kerkvader, o schrijnend tekort
aan realisme. Wijsheden voor de kerk, niet voor het leven.
In het derde boek van Ovidius’ Metamorphosen
vertelt de schipper Acoetes hoe zijn mannen op het eiland Chios een
beeldschone jongen gevangengenomen hadden en hem als slaaf wilden gaan
verkopen. Acoetes heeft echter door dat dit geen gewone jongen is, en
verzet zich:
[...] aan kleding, uiterlijk en houding,
aan alles zie ik dat hij meer dan menselijk
moet zijn.
Dat merkend zeg ik tot mijn vrienden: “Welke
god dat lichaam
Bewoont – ik weet het niet, maar in dat lichaam
woont een god!
Maar ze willen niet horen of zien: ‘zozeer maakt hebzucht blind!’
En dan gebeuren er wonderen: het schip beweegt niet meer en raakt met
klimop overgroeid, de mannen veranderen in dolfijnen; en de jongen maakt
zich zichtbaar als Bacchus, met krans en staf, en met gedaanten van
katachtige roofdieren. Hebzucht maakte het onmogelijk om een god te
herkennen, om het goddelijke in een mens te zien. Of: hebzucht en godsvrucht
gaan niet samen. Dat is de overeenkomst met Augustinus.
Pound heeft het verhaal van Acoetes prachtig
verwerkt in zijn Canto II; met de beklagenswaardige matrozen, ‘Mad for
a little slave money’, verschijnt voor het eerst in The Cantos het thema
van de hebzucht. William Cookson: ‘De zeelui worden vernietigd omdat
[de hebzucht] hen blind gemaakt heeft voor de levende kracht van de
natuur. Dit conflict tussen de luister van het universum [...] en degenen
die het exploiteren uit geldlust behoort tot de kern van The Cantos.’
Dionysus/Bacchus is niet alleen de wijngod, ‘zijn domein is [...] niet
alleen het vloeibare vuur in de druif, maar het sap dat opstuwt in de
jonge boom, het bloed dat bonst in de aders van een jong dier, alle
mysterieuze en oncontroleerbare getijden die ebben en opkomen in het
leven van de natuur’ (E.R. Dodds, geciteerd door Cookson). In Hugh
Selwyn Mauberley (1920) ziet Pound het feit dat Dionysus door Christus
is opgevolgd als een teken van verval (vgl. Nietzsche). Maar het gaat
bij Dionysus om nog veel meer dan natuurkrachten, om meer dan een min
of meer gedateerd vitalisme; het gaat om wat ons doet uitstijgen boven
onszelf en ons eigenbelang, om wat ons anders maakt.
(Mooie, heldere bladzijden over Dionysus/Bacchus als belichaming van de figuur van de Ander zijn te vinden bij Jean-Pierre Vernant; en ook bij Samuel IJsseling, die de aanwezigheid van het dionysische in de filosofie onderzoekt. Een vertaling van Canto II door Rein Bloem is opgenomen in H.C. ten Berges bundel met 15 Cantos; veel later publiceerde Ten Berge in Het vertrapte mysterie een eigen bewerking van de Acoetes-passage van Ovidius.)
Hebzucht nam bij Pound veelal de vorm aan van woeker, usura.
Canto XLV noemt en laakt de effecten van de woeker - in negatieve zinnen,
en in positieve zinnen die even negatief zijn. ‘Negatief’, bijvoorbeeld:
kunst die onder het regime van usura niet tot stand kan komen; ‘positief’:
usura als pest, als kanker, als roest. Allerlei vormen van kwaliteitsverlies
komen uit usura voort, in kunst (een schilderij wordt gemaakt ‘to sell
and sell quickly’) en in vakmanschap (‘It rusteth the craft and the
craftsman’), met als resultaat bijvoorbeeld ook oneetbaar brood, ‘dry
as paper’. Zielloos seriewerk komt in plaats van ambachtelijkheid.
Woeker staat tegenover productie, creatie,
vruchtbaarheid, groei. (Canto LI: ‘Usury is against Nature’s increase.’)
En dus is de woeker ‘CONTRA NATURAM’, ‘sin against nature’: in die formulering
stelt Pound usura welbewust op één lijn met sodomie, zoals de kerk van
Rome het hem had voorgedaan; zijn anti-christelijkheid is anti-protestants,
niet anti-katholiek. Dus zegt Canto XLV ook:
with usura
hath no man an painted paradise on his church
wall
harpes et luz
or where virgin receiveth message
and halo projects from incision
Het geschilderde paradijs en de geschilderde boodschap aan Maria behoren
tot de verloren kunst van middeleeuwen en renaissance. Heel concreet
verwijst Pound naar de ‘Ballade pour prier Nostre Dame’ waarin François
Villon zijn moeder laat spreken over de muur van haar parochiekerk,
waarop onder meer een ‘Paradis paint’ met harpen en luiten te
zien is.
Kortom, andermaal, de woeker mag zowel anti-natuurlijk
als anti-‘godsdienstig’ heten. Dat laatste wordt nog eens duidelijk
in deze regel: ‘They have brought whores for Eleusis’. De Cantos
kennen een belangrijke plaats toe aan Eleusinische mysteriën, waarin
de natuurlijke cyclus van verdwijnend zaad en opgroeiend gewas gevierd
werd; in dat ritueel speelde Dionysus een belangrijke bijrol (zie Canto
LXXIX, en weer Vernant). De ‘hoeren voor Eleusis’ betekenen een ontheiliging.
Canto LI herhaalt XLV en geeft nieuwe elementen.
Pound beschrijft de kunst van het vliegvissen, iets waar kunde, toewijding
en geduld bij te pas komen, en hij contrasteert het met de haast van
de woekeraars (‘sell quickly’). Dat komt dan weer overeen met een uitspraak
van zijn vriend Laurence Binyon die in LXXXVII wordt aangehaald: ‘Slowness
is beauty.’ Kunst heeft traagheid nodig.
(Maar wat is schoonheid? Misschien zou ik zelf
bij de Cantos, en bij veel andere moderne kunst, niet van schoonheid
spreken, ofwel van schoonheid die méér is dan schoonheid.)
Helemaal aan het eind van zijn leven kwam de
dichter in een korte notitie terug op usury: ‘I was out of focus,
taking a symptom for a cause. The cause is AVARICE.’ Het gaat om hebzucht.
Mijn notities bij enkele regels uit de Cantos steunen niet
op eigen kennis, ik verzamel ze uit diverse bronnen. Het riekt een beetje:
gedichten die, door hun allusies, bijna alleen leesbaar zijn met behulp
van een stapel commentaren, en dan nog.
Paul Claes
en Mon Nys, in de inleiding bij
hun vertaling van de Pisaanse Canto’s: ‘Het was er de auteur
zeker niet om te doen zijn lezers raadsels op te dissen of voor gewilde
duisterheden te plaatsen. Wanneer zijn gedichten toch zo obscuur lijken,
komt het doordat hij de parate kennis van de gemiddelde lezer overschat.
Voor hem sprak het vanzelf dat de “honnête homme” van heden de grote
poëzie kent die in de loop van de tijden is geproduceerd [...], dat
hij belangstelling heeft voor economie en politiek, dat hij de toppunten
van de Europese beeldende kunst en architectuur weet te waarderen, dat
hij niet onwetend is over de Oosterse, Griekse en Middeleeuwse wijsheid
en religie, kortom dat hij een mens is aan wie niets menselijks vreemd
is. [...] Voor [Pound] is citatenkunst geen pronken met andermans veren,
maar een invitatie om ons cultureel blikveld en zo ook onze ervaring
te verruimen.’ Claes en Nys relativeren ook hun eigen aantekeningen
(140 bladzijden, bij nog geen 100 bladzijden poëzie!): die kunnen niet
‘in de plaats [...] komen van het concrete contact dat dit werk vraagt’;
de lezer moet de allusies ‘in hun context’ terugzetten – ‘wie niet weet
wie Odysseus is, moet zo gauw mogelijk de Odyssee lezen. Wie
een plaatsnaam niet kan situeren, moet zelf de streek verkennen en er
de sfeer van proeven.’
Bedenkingen, enerzijds:
De Spaanse dichter Luis Cernuda kruipt in zijn gedicht ‘Lázaro’ (uit Las nubes, 1937-1940) in de huid of juister in de stem van Lazarus, die door Jezus uit de dood werd opgewekt. Lazarus vertelt de feiten vanuit zijn eigen perspectief: hoe zijn lichaam wakker wordt en naar buiten moet; moet, want hij heeft echt geen zin, hij ervaart ‘de luiheid van de dood’, hij zoekt de duisternis die de schaamte wegwast.
Ik voelde opnieuw de droom, de waanzin
En de vergissing van in leven te zijn,
Van dag in dag uit lijdend vlees te zijn.
Maar hij had me geroepen
En ik kon niet anders dan hem volgen.
(‘Sentí de nuevo el sueño, la locura / Y el error de estar vivo, / Siendo carne doliente día a día. / Pero él me había llamado / Y en mí no estaba ya sino seguirle.’)
In stilte loopt de verrezen Lazarus met de anderen mee, door een vreemde en lege wereld, naar het huis waar de haard met as is bedekt. Met de anderen gaat hij aan tafel, maar hij vindt het brood bitter, de vruchten zonder smaak, het water niet fris, de lichamen zonder verlangen, los cuerpos sin deseo. En Jezus (die niet genoemd wordt),
Hij wist dat alles dood was
In mij, dat ik een dode was
Die tussen de doden liep.
(‘Él conocía que todo estaba muerto / En mí, que yo era un muerto / Andando entre los muertos.’)
Lazarus legt zijn hoofd op Zijn hand, ‘walgend van mijn lichaam en mijn ziel’, en vraagt in stilte kracht om het leven opnieuw te leiden en te dragen.
Zo vroeg ik, huilend,
Kracht om mijn onwetendheid berustend te verduren,
En te werken, niet voor mijn leven of mijn
geest.
Maar voor een waarheid die ik ontwaarde in
die ogen
Op dit moment. Schoonheid is geduld.
Ik weet dat de lelie op het veld,
Na zijn nederige duisternis in zoveel nachten
Van lang wachten onder de aarde,
Met de groene stengel opwaarts naar de witte
bloemkroon
Op een dag uitbreekt in zegevierende luister.
(‘Así rogué, con lágrimas, / Fuerza de soportar mi ignorancia resignado, / Trabajando, no por mi vida ni mi espíritu. / Mas por una verdad en aquellos ojos entrevista / Ahora. La hermosura es paciencia. / Sé que el lirio del campo, / Tras de su humilde oscuridad en tantas noches / Con larga espera bajo tierra, / Del tallo verde erguido al la corola alba / Irrumpe un día en gloria triumfante.’)
Dit gedicht werd geschreven tijdens of kort na de Spaanse burgeroorlog, toen Cernuda zijn land al had verlaten en zich in Groot-Brittannië bevond. Het is dan ook gelezen als een uiting van de balling die ongewild een nieuw leven moet beginnen, op de koop toe een Andalusiër die leed onder het noordelijke klimaat. Maar het gaat ook over andere dingen, in de eerste plaats over dichterschap. Een veel later vers van Cernuda (‘La poesía’) spreekt de poëzie zelf aan en bericht hoe de jongen werd uitgekozen voor haar dienst: ‘Wat kon hij anders doen dan je volgen?’; als volwassene kreeg hij het wel eens moeilijk met dat dienstverband, wilde hij soms ‘voor zichzelf leven, tussen de mensen’ –
Maar later, zonder jou straatarm,
Gaf hij aan je stem die riep of aan de droom
ervan
Levendig in zijn slavernij het antwoord: ‘Meesteres.’
(‘Pero después, pobre sin ti de todo, / A tu voz que llamaba, o al sueño de ella, / Vivo en su servidumbre respondió: “Señora.”’)
Weer een onontkoombare roeping. En het leven voor zichzelf, ‘tussen
de mensen’, is hetzelfde als het leven ‘tussen de doden’ in het Lazarus-gedicht.
Zo vond ik nog een andere gelijkenis: in een vroeg prozagedicht wordt
de ik getroffen door het voorbijgaan van een jongen in de menigte (Cernuda
was homoseksueel) – het bloed trekt weg uit zijn aderen, en hij gaat
door de stad zwerven, zonder richting, zonder gedachten, zonder gevoel
in zijn lichaam. ‘Het leven drukte op mij als wroeging; ik wilde het
van me af gooien. Maar dat was onmogelijk, want ik was dood en liep
tussen de doden.’ De liefde en de poëzie bevrijden van de dagelijkse
dood. En allebei behelzen ze de notie van altijd opnieuw beginnen, nieuwe
geboorte. En dus van trouw.
Het gaat niet om inspiraties die verder alles
vanzelf doen lopen. Het gaat om waarheden waardoor je getroffen bent
en waarmee je vervolgens aan het werk moet (trabajando) – maar
dat werk is iets anders dan werk in het zweet des aanschijns, het zal
geduldig wachten inhouden, met een flinke dosis passiviteit: La hermosura
es paciencia, of Slowness is beauty. (En ook bij Cernuda
is schoonheid méér dan mooi, hij zag de poëzie ethisch.) In de geloofsbelijdenis
aan het eind van ‘Lázaro’ verwijst la liria del campo naar de
evangelische leliën des velds, die zoals bekend niet hoeven te weven
om hun meer dan salomonische luister te verwerven – hier is ook vertrouwen
in het geding.
Maar als het vers alleen over verzenschrijven
handelde zou het me weinig doen.
Laat ik het late gedicht ‘Peregrino’ (Pelgrim)
nog aanhalen, dat alludeert op het beroemde Heureux qui, comme Ulysse
van Joachim du Bellay. Terugkeren, zegt Cernuda, dat is iets voor wie
moe geworden is, voor wie verlangt naar zijn huis, voor wie thuis verwacht
wordt. Maar jij denkt niet aan terugkeren, jij wil vrij blijven doorgaan,
Disponible por siempre, niemand zoekt je en niemand wacht op
je:
Blijf doorgaan, doorgaan en keer niet terug,
Trouw tot het einde van de weg en van je leven,
Voel niet het gemis van een makkelijker bestemming,
Met je voeten op de niet eerder betreden grond,
Je ogen gericht op het niet eerder geziene.
(‘Sigue, sigue adelante y no regreses, / Fiel hasta el fin del camino y to vida, / No eches de menos un destino más fácil, / Tus pies sobre la tierra antes no hollada, / Tus ojos frente a lo antes nunca visto.’)
Op een tentoonstelling: een ets van Rembrandt, ‘Abraham liefkoost Isaak’,
een wonder. De zittende oude vader houdt het zoontje tegen zijn knieën.
Het zoontje houdt een appel vast en lacht en trappelt van geluk, maar
de vader kijkt ernstig, droevig, want hij weet dat hij straks dit kind
moet doden, offeren, dit kind dat van niets weet en zich vol vertrouwen
aan hem overgeeft. Achteraf bedenk ik dat ik zelf dat verband met het
offer gelegd heb - wellicht heeft de Abraham van dit beeld zijn vreselijke
opdracht nog niet gekregen, weet hij zelf nog van niets. En stellen
de kunstenaars Isaak op het moment van het offer trouwens niet ouder
voor, gewoonlijk?
Het wordt nog erger. Uit de catalogus, akelig
boek, verneem ik dat de identificatie van de personages volstrekt onzeker
is, het kan ook Jakob met Benjamin zijn, of misschien is de man niet
eens de vader - gewoon een oude man met een kind in teder samenzijn,
de rest is speculatie. Akelig boek! Voor mij blijft het Abraham met
Isaak, kind onwetend en vader wetend, ze zitten hier even te rusten,
onderweg naar het onheil.
Bibliografie
Een abonnement op de papieren versie van De Brakke hond kost slechts 32 euro. Klik hier voor een abonnement.
Nummer nabestellen? klik hier.
De Brakke Hond is geen tijdschrift voor hondenliefhebbers die zich interesseren voor hondenvoeding, hondenverzorging, puppies en hondenvakanties, het bevat 100% literatuur.
Schrijf u in op onze nieuwsbrief "Letters". Vul hier uw e-mailadres in: