| |
Laureaat verhalenwedsrijd De Brakke Hond 2006
Iedere avond wanneer de dood zich naast mij neervlijt, fluistert zijn
koude adem aan mijn oor: ‘Wat weegt zwaarder, Nissim, het verdriet of
het geweten?’ Soms hoor ik zijn voetstappen op de keien van het plein,
soms kruist zijn schaduw die van de dadelpalm voor Fuads huis. Ik negeer
hem wanneer hij langs de rekken van mijn minimarkt dwaalt, terwijl ik
vanachter de kassa het plein observeer. Aan de overkant sluit Bertie
Eisenberg het postagentschap. Ze waggelt met haar dikke kont naar haar
invalidenmobiel en even later snort ze weg naar haar nieuwe woning op
de heuvel. In het dorp noemen we het nog steeds haar nieuwe huis, hoewel
ze er al dertien jaar woont.
Het is het einde van de dag, de duisternis
valt en de jongelui, die eerder vandaag bij mij bier en breezers kochten,
verzamelen zich in de tuin van Fuads huis om er de nacht gravend naar
gouden munten door te brengen. Het is een traditie. Morgenvroeg vertrekken
ze met de eerste bus om in het leger een heel nieuwe fase van hun leven
te beginnen. Ik sluit de luiken en knip de lichten uit. Alleen bij de
kassa brandt een lampje en daar laat ik ook een van de luiken open staan,
zodat ik vrij uitzicht heb op het plein. Ik herken steeds vaker de schaduw
van mijn eigen dood. Op het plein doet hij de stoffige, kromgetrokken
ficusbladeren opwaaien rond het herdenkingsmonument. Drie levens aan
dit plein. Drie onzichtbare lijnen die samenvloeien in de namen op het
monument.
In een klein dorp als het onze zijn er maar
weinig geheimen. Had de kleine, stugge Fuad echt een kist met goud meegebracht
uit Bagdad, toen wij daar wegvluchtten in de jaren vijftig met al die
andere berooide joden voor wie het leven in Irak ondraaglijk was geworden?
Fuad heeft het altijd ontkend. Maar het gerucht leidde een eigen leven
en daarom graven de jongelui, dertien jaar na zijn dood, nog naar Fuads
schat.
Ik ken de dromen en teleurstellingen van mijn
dorpsgenoten, hun illusies en hartsgeheimen. Kleine voorvallen van verraad
en ontrouw. Bertie Eisenberg van het postagentschap weet ook alles.
Wat ze niet van de mensen zelf hoort, leidt ze af uit de post die dorpelingen
versturen of ontvangen. En er zijn geheimen die jarenlang een eenzaam
leven leiden aan de boezem van deze of gene aan dit plein en die pas
aan het licht komen wanneer een oude man zoals ik met een doodvermoeid
hart en bibberende hand de pen opneemt en besluit een bekentenis te
schrijven.
Het is een heldere, maanloze nacht vol sterren.
Op de donkere heuvel achter Fuads huis gaan de lichten aan in de nieuwe
woning van Bertie. Ze kocht de grond kort na Fuads raadselachtige dood
in 1993 en bouwde haar kolossale villa. Waar ze het geld vandaan haalde
is een ander raadsel waar niemand in het dorp het antwoord op weet.
Maar ik dwaal af.
Fuad en ik waren in Bagdad al vrienden. Veel
van de Irakese joden werden hier gehuisvest in snel uit de grond gestampte
noodwoningen, kleine, gehorige flats waar de zomers ondraaglijk heet
waren en de winters ondraaglijk koud. Alleen de donkere, zwijgzame Fuad
kon zich hier aan het plein een klein, vrijstaand huis veroorloven,
waar hij naast Bertie’s postagentschap een kapperszaak begon. Bertie
was nog jong, een dochter van Duitse ouders die twintig jaar eerder
uit Nazi Duitsland waren gevlucht. Ikzelf huurde een oude loods en begon
een kruidenierszaak. In een kleine ruimte boven de winkel timmerde ik
twee kamers. Fuad en ik vonden Bertie’s Duitse accent charmant, maar
we trouwden met onze meisjes uit Irak.
We vierden de geboortes van onze kinderen,
we dansten op het plein toen Bertie en David trouwden. We kunnen terugblikken
op goede tijden ook al hadden we het niet makkelijk in dit harde land
waar we ons de vreemde taal, zo onrustig, zo weinig gastvrij, eigen
maakten. Maar het leven maakt veel onverwachte wendingen, ook wanneer
je nooit een stap buiten het dorp zet. Fuads zoon sneuvelde in de Jom
Kippoeroorlog. De dood van Yehuda brak hem, hij werd steeds smaller
en somberder en leek bijna weg te kwijnen achter zijn zorgvuldig bijgehouden
snor. Vanachter mijn kassa zag ik hem zwijgend zijn klanten knippen
terwijl hij treurde over het verlies van zijn Yehuda. Toen zijn vrouw
een jaar later stierf van verdriet en heimwee, werd Fuads smart nog
dieper, bijna tastbaar. Hij hulde zich in zijn verdriet als in een zware
winterjas. Zijn dochter Esther verzorgde haar verbitterde vader totdat
ze op een dag de moed verloor en er vandoor ging met een verzekeringsman
uit Nathania. De afstand bleek even onoverkomelijk als Fuads verdriet.
Ze brak alle banden met haar vader en met het dorp. We hebben Esther
hier nooit meer gezien. Ach…ik dwaal weer af…
De dood zwerft als een straathond tussen de
rozenstruiken rond het monument, maar zijn kille knokkels drukken harder
en harder in mijn schouders. Het ademhalen gaat moeizaam, mijn handen
trillen en de letters dansen op het papier. Bertie is thuis daar hoog
op de heuvel, ik zie haar schaduw langs de verlichte ramen schuiven
en in Fuads huis – of wat er nog van over is – graven de jongelui vergeefs
naar gouden munten. Het huis staat al jaren leeg, er zitten geen ramen
meer in de kozijnen, de deuren zijn uit de sponningen gesloopt. De vloeren
zijn gelicht. Het is een ruďne, waar niets meer te halen valt. Zeker
geen gouden munten. Dat weet ik zeker.
Een dorp kent geen geheimen, alleen geruchten.
Kabbelt het leven niet gestadig voort, ondanks alle tegenslag en verdriet?
Bertie en ik gingen daar beter mee om dan Fuad. Staat de naam van Ezra
niet in hetzelfde monument gebeiteld als Fuads zoon? Sneuvelde mijn
Ezra niet in dezelfde oorlog? En David, Bertie’s echtgenoot? Drie namen
in het koude marmer. Tot 1993 zaten we op Herdenkingsdag op harde opklapstoeltjes
naast elkaar voor het monument, omringd door tientallen andere dorpsgenoten
die hun dierbaren verloren hadden, en lieten de zinloze toespraken over
ons heen komen. Waren Fuads tranen bitterder dan die van mij? En ligt
mijn vrouw niet op hetzelfde kerkhof begraven als Fuads vrouw? Maar
ik was Nissim, de reus uit Bagdad. Groot en sterk was ik en het leven
ging door. Fuad knipte mijn haar en hij deed zijn boodschappen bij mij.
Op zaterdagmiddag dronken we thee met munt in de schaduw van de dadelpalm,
en treurden. Ook tegenover mij, zijn beste vriend, heeft Fuad altijd
ontkend dat hij met een kist vol gouden munten uit Bagdad was gevlucht,
maar toch bleef het gerucht hardnekkig de ronde doen. Sinds de moord
op Fuad wonen Bertie en ik de herdenkingsbijeenkomsten niet meer bij.
Ik had een oogje op Bertie. Jarenlang deed
zij bij mij haar boodschappen. Iedere dag kocht ze iets tegen sluitingstijd
en soms bleef ze hangen. Dan babbelden we wat. Over de mensen in het
dorp en over Fuad bij wie ze wel eens over de vloer kwam. Het ging niet
goed met Fuad, vertrouwde ze mij toe. Op een vederlichte lenteavond,
toen uit de omringende boomgaarden zwoele citrusgeuren opstegen en zich
over het dorp verspreidden, nodigde ik Bertie uit voor een glas thee.
Zij accepteerde mijn aanbod en ik nam haar mee naar boven. Daarna bood
ik haar een glas wijn aan. Ze stemde toe. Bij het vallen van de avond
was de bedwelmende geur van citrusbloesem mijn slaapkamer binnengedrongen,
zwaarder, intenser, bijna vochtig als een spray. Ik was verliefd, maar
zij wimpelde de affaire af als een eenmalige onbeduidendheid. Ik liet
niet blijken dat ik tot het diepst van mijn ziel gekwetst was en als
iemand in het dorp wist dat Bertie bij mij geslapen had, dan hadden
ze het niet van mij. Bertie deed haar boodschappen voortaan in het nieuwe
winkelcentrum. Bij mij kwam ze niet meer. Haar zwangerschap had ze goed
verborgen weten te houden onder dikke truien en wijde jassen, maar mij
was het niet ontgaan. In januari nam ze verlof en ging naar haar zus
in Haifa. Na een paar weken was ze terug, alleen, zonder baby en het
leven ging door. Ik wist dat ik de vader van haar kind was, maar of
het een jongen of een meisje was…Bertie liet niets los. Ik had niemand
aan wie ik een brief zou kunnen schrijven, maar toch kocht ik tientallen
postzegels bij haar, alleen om bij haar langs te kunnen gaan. Ze ontkende
niets en bevestigde niets. Ik was een speelbal in haar handen. Het leven
ging verder.
Op een dag zag ik vanachter mijn kassa dat
Fuad een telefoongesprek voerde. Ik zag hem in zijn witte jas voor het
raam van zijn zaak staan. In zijn rechterhand flitste het metaal van
een schaar waarmee hij nerveuze knipbewegingen maakte. De scherpe bladeren
van de dadelpalm wierpen schichtige schaduwen over zijn gezicht. Hij
zei niet veel, zag ik. Toen hing hij op. Even later stak mijn vriend
in zijn wapperende, witte kappersjas het plein over.
“Middag, Fuad,” zei ik monter. “Alles goed?”
“Nee,” zei hij.
“O. Wat is er gebeurd?”
“Ik werd net gebeld… door Avi.”
“Avi?”
“Hij zei dat hij de man van Esther was.” Zijn
stem trilde. Hij keek mij aan met vochtige ogen.
“Wat is er gebeurd, Fuad?”
“Esther is gisteren in zee verdronken.”
“O, wat erg voor je, Fuad,” stamelde ik, oprecht
ontdaan.
“Ze wordt morgen begraven. In Nathania.”
“In Nathania? Niet in het dorp, naast haar
broer en moeder?”
Fuad huilde zwijgend.
“Nee. In Nathania.” Toen draaide hij zich om
en verliet de winkel. Hij is niet naar de begrafenis gegaan, want hij
was ook niet op haar bruiloft uitgenodigd. Dat is de logica van de wraak.
Een week later, na de rouwperiode, sloot hij zijn kapperszaak, liet
zijn baard staan en zijn haar uitgroeien tot het in lange slierten over
zijn schouders viel. Kinderen beschimpten hem op straat.
“Waar is je goud, Fuad? Waar is je goud?” zongen
ze. Dezelfde kinderen die nu naar zijn gouden munten graven.
Ach…de dood. Laat hem wachten. Ik wachtte op
mijn kind, ik smeekte om een foto, een glimp, maar Bertie liet niets
los. Eén keer maar bracht Bertie haar naar het dorp. Een smal, verlegen
meisje van twaalf. Shoshi was haar naam. Herkent een vader zijn eigen
dochter? Ik heb haar niet meer gezien.
De dood wacht. Het is augustus, maar ik heb
het koud. Dat doet de ouderdom. Ik ben 76. Ik zit achter mijn vertrouwde
kassa terwijl de dood rusteloos over het stoffige plein zwerft. In Fuads
tuin drinken de jongens bier en de meisjes breezers. Ze graven naar
Fuads gouden munten. Zo onschuldig. Wat weegt zwaarder dan goud? Fuad
verloor zijn dochter maar ik heb mijn dochter nooit gekend. Zo gingen
de jaren voorbij. De dood wacht tot ik het opschrijf, maar de pen ligt
onwillig in mijn hand.
7 mei 1993 was een zonnige dag. Een jonge vrouw verliet het postagentschap
en stak het plein over. Even later rinkelde de deurbel. De jonge vrouw
kwam binnen. Ik herkende haar niet. Ze liep zelfverzekerd op de toog
af en vroeg mij:
“Bent u Nissim?”
“Ja en wie bent u?” vroeg ik, want ik had haar
nooit eerder gezien.
“Ik ben Shoshi, Bertie’s dochter,” zei de jonge
vrouw, terwijl zij haar zonnebril in haar dikke, zwarte krullen stak.
Ik hapte naar adem terwijl ik haar opnam.
“Ben jij Bertie’s dochter?
“Ja.”
Dan ben ik je vader, wilde ik zeggen, maar
het klopte niet. Ze was mijn dochter niet. Ze kon mijn dochter niet
zijn, met dat tengere figuurtje, de hoge jukbeenderen, haar smalle gezichtje
en die bleekblauwe ogen. Kort daarna sloot ik de luiken en trok mij
terug in mijn slaapkamer, volledig ontdaan, verward, woedend, jaloers
en…ja…ontdaan. Ik zat op mijn bed en keek naar het postagentschap en
naar het huis van Fuad waar ik tot mijn ontzetting Bertie zag zitten,
met haar dochter. En Fuad die iets inschonk uit een gekleurde fles,
die hij zeker niet bij mij gekocht had.
Meer als een automatisme dan uit plichtsbesef deed ik de luiken om vier
uur weer open. Ik zag Fuad in een oude winterjas met zijn lange haren
en onverzorgde baard het plein oversteken.
“Middag, Fuad. Alles goed?”
“Alles goed, Nissim. Een fles zonnebloemolie,
een pak bloem en drie eieren.”
“Nog iets van je wens, Fuad?” vroeg ik onbewogen,
terwijl ik mijn dochter in zijn gelaatstrekken herkende. Fuad keek in
het rond en pakte een doos dure bonbons. Een pakje vijgen en een doos
verse dadels. Een rol koekjes. Toen zocht hij in zijn oude winterjas
naar geld en klapte een munt op de toog. Hij pakte zijn spullen en schuifelde
de winkel uit.
“Middag, Fuad,” zei ik nog, maar hij reageerde
niet. Fuad had nog nooit chocola gekocht. Geen koekjes, geen lekkernijen,
alleen het hoognodige. Ik schoof de munt naar mij toe en toen ik hem
in de kassa wilde doen, zag ik ineens dat het geen gewone munt was.
Het was een gouden munt! Met Arabische tekens erop gegraveerd. ‘Dus
toch!’ dacht ik.
Op het einde van de dag sloot ik de luiken
en stak het plein over.
De deur van Fuad stond open en ik liep naar
binnen. Ik zag meteen dat hij zijn haar had geknipt en zijn baard afgeschoren.
Hij zat in zijn stoel en op tafel lagen de kubehs die hij die middag
had gemaakt van mijn bloem en eieren en in de zonnebloemolie had gefrituurd.
De zware baklucht hing nog in de kamer. Op tafel lagen de vijgen en
dadels, de bonbons en de koekjes.
“Nissim,” zei hij met een vermoeide glimlach.
“Ik heb iets te vieren. Hoe wist je dat?”
“Dat wist ik niet, Fuad. Hoe zou ik dat moeten
weten, jij kleine, vuile rat?”
Ik pakte het hoofdkussen van zijn bed en drukte
het in zijn gezicht. Zonder enige moeite perste ik het leven uit zijn
lijf, hij spartelde nauwelijks tegen. Toen zocht ik naar zijn gouden
munten. Ik zocht overal. In de keukenkastjes, onder zijn bed. In zijn
kleren. Ik lichtte de houten vloer. Ik groef in de tuin. De hele nacht
was ik bezig. Ik vond niets. Tegen het ochtendgloren gaf ik het zoeken
op. Er was geen goud. Iemand was mij voor geweest. Bezweet en gebroken
liep ik het korte tuinpad af in de richting van het plein waar juist
dikke Bertie haar postroute begon op haar brommer met de postzakken
achterop. Even keken we elkaar aan. Toen reed zij mij zwijgend voorbij
en ineens besefte ik wie de gouden munten had.
De dood nadert, de rozenstruiken rond het monument
ritselen nerveus. Een schitterende sterrenhemel verheft zich vanachter
de donkere heuvel waar Bertie de lichten in haar nieuwe woning dooft.
Een abonnement op de papieren versie van De Brakke hond kost slechts 32 euro. Klik hier voor een abonnement.
Nummer nabestellen? klik hier.
De Brakke Hond is geen tijdschrift voor hondenliefhebbers die zich interesseren voor hondenvoeding, hondenverzorging, puppies en hondenvakanties, het bevat 100% literatuur.
Schrijf u in op onze nieuwsbrief "Letters". Vul hier uw e-mailadres in: