Vlaams Fonds

Home > 91 > Koenraad Goudeseune

Koenraad Goudeseune


De beste whisky die ik ooit heb gedronken

Vroeger was ik een kapsoneslijder, net als iedere schrijver. Toen ging het bergaf met mij. De kapsones bleven, maar van schrijven kwam er niets meer in huis. Nou, dat wou ik toch vooraf zeggen.

Ik ben niet zo gek van film. Als kind al niet. Ook stripverhalen konden mij niet boeien. Het heeft met eigengereidheid te maken. Enfin, dat denk ik toch. Ik heb er geen studies over gedaan. Ik lees liever. Ik zie liever de film die ik al lezend in mijn hoofd geprojecteerd krijg. Daar doe ik het eigenlijk voor. Ik hoef andermans plaatjes niet. Plaatjes staan MIJN film in de weg. Neem nu ‘The Great Gatsby’ van Fitzgerald. Prachtig boek als je het mij vraagt. Enfin, boekje. Hooguit honderd bladzijden. Eenvoudig plot en toch een meesterwerk. Het perfecte boek, zeg maar. Geen woord te veel. Maar de film lust ik niet. Er zijn van dat boek ondertussen al drie verfilmingen gemaakt, geloof ik. Ik houd dat niet allemaal bij. Maar geen enkele verfilming deugt en geen enkele verfilming zal deugen. Zo zie ik dat. Een vriend raadde me aan het boek te lezen. Ik herinnerde me de film. Ik zei tegen die vriend dat ik die film maar een flutfilm vond en dat ik niet veel zin had ook nog het boek te lezen. Die vriend zei dat ik wel eens gelijk kon hebben. Hij vroeg me over welke verfilming ik het had. Dat wist ik niet meer. Behalve dat ik er geen reet aan vond. Ik gebruikte toen graag die woorden. Reet. Zak. Kloten. Gozer. Nu gebruik ik die woorden ook nog, maar minder vaak. Enfin, ‘The Great Gatsby’ dus. Hij kon me overtuigen het prachtboek toch te lezen. Ondanks de film die ik op zo’n alternatieve filmavond had gezien. Zwart-wit, dat herinner ik mij nog. En je mocht roken in de bioscoopzaal. Het was in Oostende. Bepaalde scènes staan me nog voor de geest, maar dat is dan ook alles. Ik zou ze kunnen beschrijven, maar dat heeft geen zin. Ik begon er met tegenzin aan. Met lezen bedoel ik. Ik dacht dat ik het na drie bladzijden zou weggooien. Zoals ik meestal doe. Drie bladzijden en hup een ander boek. Weer drie bladzijden. Er zijn veel boeken waarvan je slechts drie bladzijden hoeft te lezen om te weten... enfin, die ellende dus. Maar dat gebeurde dus niet met dat boekje van Fitzgerald. Meer nog, ik las het boekje in een ruk uit. Het is een dun boekje. Dus zo moeilijk was het niet. En sindsdien lees ik ieder jaar ‘The Great Gatsby’. Maar naar de film krijg je mij met geen stokken.
     Van theater houd ik al helemaal niet. Ik ben ook wel eens naar ‘De Meeuw’ gaan kijken. Ik zat toen in een milieutje. Ik bedoel, je was een rund als je ‘De Meeuw’ van Tjechof niet had gezien. Met dat soort (jonge) mensen ging ik toen om. We waren allemaal kunstenaar. Veel muzikanten, danseressen, maar ook dj’s en je had ook ontstellend veel fotografen. Jonge lui die het allemaal zouden maken. Ik was zelf nog jong. Ik zou het ook maken. Ik vond er niets aan. ‘De Meeuw’ van Tjechof bedoel ik, wat een dooie boel vond ik dat. Maar dat is nu net de be-doel-ing, zeiden mijn vrienden. Nou, daar zaten we dus de hele avond over door te bomen. Ik was zo’n kapsoneslijder die zijn eigen gesprekken opneemt. Ik had een dictafoontje. Ik heb een hele schoendoos vol met cassettes van gesprekken uit die dagen. Ik dacht dat ik het allemaal zou kunnen gebruiken. In verhalen en zo. Dat dictafoontje heb ik niet meer. Alleen die cassettes. Ik kom er niet toe die hele handel weg te gooien. Maar een dezer dagen doe ik het toch. Met ouder worden heb ik toch een en ander geleerd.
     Ik vind die hele Tjechof overigens zwaar overschat. Ik verveel me er alleen maar bij. Misschien ben ik inderdaad wel een rund. Het zij zo. Ik vertoef niet langer in dat milieutje. Ik had er op een mooie dag genoeg van. Al die theaterstukken moesten ook bewerkt worden en zo. En acteurs zijn een stelletje kapsoneslijders. Daar kunnen schrijvers nog eens een voorbeeld aan nemen. Nou, bekijk het maar dacht ik. Ik werd taxichauffeur. Dat deed ik een paar jaar. Totdat ik ook daar genoeg van had. Dat is zo’n beetje de rode draad in mijn leven. Ik heb er gauw genoeg van. Behalve van lezen. Ik lees altijd. Als ik geen boek bij heb dan lees ik reclamepanelen. Als er maar een reclamepaneel is, dan lees ik dat reclamepaneel duizend keren. Het heeft een naam, mensen als ik, mensen die verslaafd zijn aan het tot zich nemen van woorden. Maar het woord waarmee dat soort mensen worden aangeduid, ben ik vergeten. Ironisch misschien, maar wel typisch voor mij. Ik lees dan wel veel, maar ik onthoud geen zak. Namen en zo. Niets. Ik vergeet het allemaal terstond. Maar goed ook. Dat obsessief lezen dus. Het is het soort aandoening waar je eigenlijk niks aan hebt, zelfs geen last.
     Maar in die dagen waar ik het nu over heb, las ik ook niet veel. Ik probeerde zelf te schrijven. Nou, ik las dus wat ik zelf schreef. Ik wou niet beïnvloed worden. Dat was heel belangrijk. Jezelf zijn en zo. Maar als je twintig bent, wie ben je dan eigenlijk? Als ik midden in een verhaal van mijn hand een andersoortig verhaal las dat me van mijn sokken blies, dan kon je tussen de regels van mijn verhaal die andere schrijver lezen. Hé, zei men dan, dit lijkt wel Claus, of Kundera, of welke schrijver ook die me van mijn sokken had geblazen. Flaubert bijvoorbeeld. Lang blijven hangen aan Flaubert. Enfin, dat is verleden tijd. En ik wou het toen ook al niet. Dus las ik op den duur alleen nog wat ik zelf schreef. En ook al zeg ik het zelf, ik schreef gemakkelijker dan dat ik praatte. Of misschien was mijn geschrijf alleen maar een soort gebabbel. Het is mogelijk. Enfin, schrijven dus. Dat lukte aardig, maar niemand wou mijn verhalen publiceren. Ik stuurde soms iets naar een tijdschrift. Dan kreeg ik na enkele maanden een beleefd briefje terug. Mijn verhalen waren te si, ze waren te la. Het was nooit goed en ik had er mij bij neergelegd dat ik een amateur-schrijver zou blijven. Als ik geld genoeg had kon ik mijn verhalen zelf op de markt brengen. Niet dat ik het gevoel had dat ik ooit nog rijk zou worden, of in ieder geval rijk genoeg om mijn eigen verhalen op de markt te brengen, maar ik bleef mijn verhalen schrijven in de stellige overtuiging dat de wereld er ooit kennis van zou nemen. Zoals ik al zei: ik schreef vrij vlot. Ik moest me niet ellendig voelen om te kunnen schrijven. Wat dat betreft had ik geen kapsones. En of het nou literatuur was of gewoon pulp, het kon mij allemaal niet zoveel schelen. Het was dat of naar het plafond liggen staren ‘s nachts. Als ik aan een verhaal begon dan moest dat verhaal nog dezelfde dag af zijn. Ik schreef meestal ‘s nachts. Als ik het in een etmaal niet afkreeg, dan kon ik het gelijk weggooien. Ik weet niet hoe je dat soort schrijvers noemt. Ik hou het bij amateur-schrijvers. Een roman zag ik mij niet schrijven. Een roman is eigenlijk ook maar een verhaaltje en een roman schrijf je niet in een etmaal. Mij maandenlang op een verhaal concentreren, dat was niets voor mij. Ik begrijp ook niet hoe een heuse schrijver dat volhoudt. Het zal wel een hele kunst zijn. De kunst niet omver te vallen van verveling. Maar verhalen schrijven, dat leek mij haalbaar. Misdaadverhalen en zo. Enfin, dat was de bedoeling. Maar ik kreeg deze of gene misdaad nooit verteld. Ik was al blij als ik een schets kon geven. Het begon meestal met een naam. Ik verzon een naam en dan schreef dat verhaaltje zich eigenlijk zelf. Gewoon een naam verzinnen. Bijvoorbeeld. Rudy Kloostermans. Of Vivianne van Overbeke. Daarmee vertrok ik. Nou, wat doet die Rudy Kloostermans? Hij werkt in de automobielindustrie. Bij Opel of zo. Of Volkswagen. Veel had ik dus niet nodig om een verhaal te schrijven. Ik dronk er ook bij. Dan schreef ik nog gemakkelijker dan dat ik van nature al deed. Uiteraard had ik vaker geen dan wel inspiratie. Maar ook heuse schrijvers krijgen soms geen woord op papier. Het is niet altijd gemakkelijk. Ook niet voor een amateur-schrijver. Maar nogmaals, ik mocht niet klagen. Behalve dan dat niemand mijn soort verhalen op de markt wou brengen.

Omdat ik die avond toch niet veel meer te doen had dan de gordijnen dicht te trekken en het bovendien al een kwarteeuw was geleden dat ik nog had geneukt, dacht ik er goed aan te doen mee te gaan naar de film. Met Hella. Het was een goeie film. Nu en dan moest ik lachen. Er zaten misschien vijf mensen in de zaal. Ik was de enige die af en toe moest lachen. Ik lach gemakkelijk. Daar zal het wel aan liggen. Het was geen komedie. Het was een psychologische schets over een koppel dat net een kind had verloren. Misschien niet meteen het soort film waarna je een lekker potje wil neuken. Maar mensen reageren erg verscheiden op dat soort zaken. Dat heb ik geleerd. In mijn taxi. Ik raad iedere schrijver aan een jaartje met de taxi te rijden. Gegarandeerd schrijven ze dan andere verhalen. Beter of slechter, dat weet ik niet, maar in ieder geval anders. Je maakt wat mee in een taxi. Ooit schrijf ik een boek met alleen maar taxiverhalen. Dat zeg ik al zolang, dus ik denk dat het een mooie droom zal blijven. Maar als ik een heuse schrijver zou zijn geweest, dan wist ik het wel waarover ik zou schrijven.
     Zoals ik al zei, ik ga nooit naar de film en vooral niet naar dat soort films. Karakterschetsen en zo. Niets voor mij. Ik houd van actie. Thrillers en zo. Ludlum. Koonitz. King. Nou, de klassiekers dus. Maar ik had me niet al te hard verveeld en - zoals ik al zei - af en toe gelachen. Ik ben al vergeten waarmee ik moest lachen. Erg grappig zal het dus allemaal niet geweest zijn. Na de film gingen we iets drinken. Het was een koude avond en we bleven in de buurt van de bioscoop. Een beetje een groezelige buurt. Het soort buurt waar misdaadauteurs gek op zijn. Ik kende die buurt van in mijn tijd als taxichauffeur. Misdaden had ik er nooit meegemaakt. Je had er hoeren, dat wel. En peepshows. ‘Ik vond het een leuke film,’zei ik.
     Ik hoefde niet te liegen.
     ‘Zijn vorige film was beter,’ zei Hella. ‘Het was eigenlijk niet veel meer dan een flauw afkooksel van zijn vorige film.’
     ‘Waarover ging zijn vorige film dan?’ vroeg ik.
     ‘Dat was ook een psychologische schets. Maar beter. En er hoefde ook geen kind dood te gaan.’
     Ze was er door gepakt. Als je het mij vraagt, was ze er door gepakt en was ze kwaad en gekwetst. Maar wie kent zichzelf?
     Ik ben de naam van de regisseur vergeten. Nou, die Hella was dus een kenner. Ik kon maar beter mijn mond houden over films. Het punt is dat films door een heel zootje worden gemaakt. Een boek, daar schrijft slechts één iemand aan, maar een film, daar heb je al gauw een paar honderd man voor nodig en een boel geld. En iedereen heeft zijn zegje. Foute boel. Hetzelfde met theater. Je hebt de regisseur. Je hebt ook de dramaturg. En ook de acteurs doen hun zegje. Interactie en zo. Hoe heet het? Enfin, ik vind het maar niks. Schrijven vind ik net leuk omdat je in je eentje alle touwtjes in handen hebt. En ik kon er ook bij zitten zuipen, dat ook. Niemand die me naar huis stuurde omdat ik teveel had gedronken. Als ik teveel had gedronken, dan schreef ik soms fantastische zaken. Niet altijd, heel zelden eigenlijk, maar soms gebeurde het dat ik toeterzat iets schreef dat ik nuchter zijnde nooit had kunnen bedenken. Enfin, het heeft geen belang.
     Ik kende die Hella helemaal niet goed. Ik had haar ‘gevonden’ op een datingsite. Of zij had mij gevonden. Dat weet ik niet meer en het is ook onbelangrijk. Het was onze tweede afspraak. Ik mocht roken. Al heel wat op zo’n datingsite. Bijna allemaal van die gezondheidsfreaks. En yoga. Ook veel yoga. Je kan al driekwart van de mogelijke kandidaten schrappen als je rookt. Ik rook graag. Dat mijn leven met tien jaar zal ingekort worden omdat ik rook, vind ik niet zo erg. Iedereen wil oud worden, niemand wil het zijn. Dus laat maar zitten. Ik wacht niet tot aan mijn tachtigste vooraleer ik mijn kop neerleg.
     Dat ik van een uitkering leefde en eigenlijk nog altijd zo arm was als een kerkrat was ook geen probleem. En ze vond me leuk genoeg om me nog eens te ontmoeten. Ik vond het vreemd. Van onze eerste date had ik geen onuitwisbare indruk overgehouden. Ik had haar ook niet meer gebeld en zo. En zij mij ook niet. Ik was die Hella eigenlijk al vergeten. Ik vond dat hele ‘date’-gebeuren al niets meer. Oppervlakkig en zo. Het kostte me vijftig euro per maand en ik was van plan er na een maand mee te kappen. Je krijgt dan wel de kans om met een onbekende vrouw een avondje te stappen, maar eigenlijk krijg je geen kans. Je spreekt met de handrem op. Ik vond het al bij al een stresserende zaak. Zo blijf je bezig. En eigenlijk hoefde ik geen vrouw die op zoek is naar een levenspartner. Ik wou gewoon eens de liefde bedrijven. Ik ging soms naar de hoeren, maar dat vond ik op den duur zielig en ik had er eigenlijk het geld niet voor. En op zo’n datingsite is het ook ver zoeken naar mooie vrouwen. Mooie vrouwen hoeven niet op een datingsite. Dat had ik ondertussen al geleerd. Ook Hella was geen mooie vrouw. Ze had een benig gezicht. Ze zag er hard uit, maar dat was ze eigenlijk niet. Of ze verborg het goed. Enfin, niet dat het me allemaal erg interesseerde.
     ‘Zo, jij bent dus een schrijver,’ zei Hella. Ik had het in mijn profiel gezet. Bij hobby’s. Amateur-schrijver, zo had ik mezelf genoemd.
     ‘Amateur-schrijver,’ zei ik. ‘Het is meer een hobby.’
     ‘Dus je verdient er niets aan,’ zei Hella.
     ‘ Nee, jammer genoeg niet.’
     ‘Misschien word je ooit nog eens ontdekt?’
     ‘Wie weet,’ zei ik. ‘Maar ik denk het niet. Ik heb niet zoveel talent moet je rekenen.’
     Ik lachte. Ook Hella lachte. Die meid mag mij wel, dacht ik.
     ‘En waarover schrijf je dan?’ vroeg ze.
     ‘Misdaadverhalen,’ loog ik.
     ‘O, zoals Jef Geeraerts,’ zei Hella.
     ‘ Ja,’ zei ik. ‘Maar minder goed. Dat had je al begrepen.’
     Ik schreef geen misdaadverhalen. Maar ik wou niet zeggen dat het me nog nooit was gelukt een misdaadverhaal te schrijven.
     ‘ En waar haal je je inspiratie vandaan?’
     ‘Uit het leven,’ zei ik. Ik was niet van plan nu al te vertellen dat ik mijn inspiratie uit de fles haalde. En overigens was ook dat niet helemaal waar. Ik haalde mijn inspiratie uit een verzonnen naam. Daniël Polfliet. Melanie Elst. Ik hoefde maar een naam en ik was vertrokken.
     ‘Het leven,’ zei ze. ‘Dat begrijp ik niet. Ik heb nog nooit iets meegemaakt dat zou kunnen dienen in een thriller. Een moordzaak of zo. Of een gijzeling. Of iemand die opgelicht wordt. Nog nooit. Ik heb het gevoel dat ik nooit iets meemaak. Alsof het leven zich elders afspeelt.’
     ‘Wacht maar,’ grapte ik. Ik pakte haar hand. Ik weet niet waarom ik dat deed. Het was een benige hand en hij voelde koud aan bovendien. Ik liet haar hand meteen weer los.
     Het café was vrijwel leeg. Ik bestelde nog een whisky. Dat ik meer dronk dan goed voor me was, was ook geen probleem. Ook zij dronk whisky. Ze vertelde over haar echtscheiding. Haar ex-vent heette Herman. Herman Ruiter. Ik vond dat een vreemde naam. Ik nam me voor die naam te onthouden. Misschien gaf het me wel een verhaaltje in de pen. Kinderen hadden ze niet. Hij, die Herman, woonde thans in Brazilië. ‘Met een mokkel dat jonger is dan de whisky die hij drinkt.’
     Dat had ze vast niet van haarzelf.
     We tikten onze glazen tegen elkaar. Als ik het wil dan kan ik zo met haar neuken, dacht ik. Er kwam wat volk in het café. Het werd te luidruchtig. Studenten die iets te vieren hadden. We vertrokken. We reden naar haar huis in Drongen. De volgende dag had ik niets te doen. En zij ook niet. Ze werkte op een advocatenkantoor. Halftijds. Een collega had haar goed door haar echtscheiding geholpen. Daarover had ze het in de auto. Ze had een tijdje iets met die collega gehad, maar dat was niks geworden.
     ‘Saaie mensen zijn dat,’ zei ze.
     , ‘Over wie heb je het?’ vroeg ik.
     ‘Advocaten,’ zei ze. ‘Enfin, die Bart was toch erg saai.’ Ik keek naar buiten. Ik vroeg me af hoe lang het al geleden was dat ik nog in Drongen was geweest.
     ‘Schrijf je dan ook over advocaten en zo?’
     Ik begreep niet meteen waar ze naartoe wilde.
     ‘Ja, dat gebeurt wel eens,’ zei ik. Ik had nog nooit iets over een advocaat geschreven. Die wereld stond ver van me. Maar dat er in een thriller af en toe een advocaat voorkwam, dat leek me onvermijdelijk.
     Op de radio was er jazz. Ze stak een cassette in de cassettespeler. Filmmuziek. Ze hield niet alleen van film maar ook van filmmuziek. Goed, ik neuk haar en dan ben ik weer weg, dacht ik. Bij haar thuis dronken we verder. Weer whisky. Ze had iets anders aangetrokken.
     ‘Doe je schoenen uit,’ zei ze. ‘Dat is gezelliger.’
     Ik deed mijn schoenen uit en schonk mijn glas nog eens vol. Het was oude whisky. Je moest al een fortuin neertellen om op café zo’n whisky te drinken. Mijn budget liet zoiets niet toe. Ik nam het ervan.
     ‘Prima spul,’ zei ik.
     ‘ Wil je er ook iets bij om te roken?’ vroeg ze.
     Ik dacht dat ze met een kistje sigaren zou komen aanzetten, maar ze bedoelde een joint.
     ‘Mij goed,’ zei ik. ‘Lang geleden dat ik nog heb geblowd.’
     Ze rolde een joint.
     ‘Uit het leven,’ zei ze nadat ze in haar eentje een halve joint had opgerookt en die aan mij had doorgegeven. ‘Dus veel fantasie heb je niet.’
     ‘Dat kan je wel stellen,’ zei ik. Om de een of andere reden dacht ik er goed aan te doen niet te blowen. Ik wou alleen maar drinken. Die whisky was veel te goed om er nog iets anders bij te gebruiken.. Ik trok even aan die joint, maar inhaleerde niet. Toen gaf ik haar die joint terug. Ze rookte verder. Zij stoned, ik dronken. Het kon me niet schelen.
     ‘En heel erg bekend ben je ook al niet,’ zei ze lacherig.
     ‘Nee,’zei ik. ‘Jammer genoeg.’
     ‘Waarom blijf je dan schrijven?’
     Tja,’ zei ik. ‘Dat weet ik eerlijk gezegd niet. Veel meer dan schrijven kan ik niet en zelfs schrijven kan ik niet goed.’
     ‘Schrijf je ook gedichten?’
     ‘Nee, nooit,’ zei ik. ‘Nou ja, toch niet meer van na mijn puberteit.’ Ik ledigde mijn glas. Ik wou niet zeggen dat ik af en toe een gedicht schrijf. Ik dronk nogal stevig door. Ook zij schreef geen gedichten. Ik schonk mij nog eens vol. Ik wou dat ik thuis ook zo’n lekkere whisky had.
     ‘ Jij nog wat?’ vroeg ik en hield de halflege fles bij haar glas.
     ‘ Ja, doe maar,’ zei ze. Ze rookte de joint helemaal in haar eentje op.
     ‘Kies jij wat muziek uit,’ zei ze. Het klonk niet als een vraag.
     ‘Ik ken niet veel van muziek,’ zei ik.
     ‘Wat hoor je graag? Ik heb van alles wat. Pop. Rock. Klassiek. Flamenco. Jazz. Filmmuziek.’
     ‘Kies jij maar wat,’ zei ik. ‘Het is tenslotte jouw collectie.’
     Ze legde iets traags op. Ze wou dansen. Daar gaan we, dacht ik. Niet veel later had ze mijn hemd open geplukt. Ze ging met haar vingers door mijn borsthaar.
     ‘Ik houd van borsthaar,’ zei ze. ‘Ik vind mannen zonder borsthaar geen echte mannen.’ Ik zei niets. Ik vond het een stomme opmerking. Ze was al behoorlijk stoned. Het wit van haar ogen zag rood. Ik probeerde haar te volgen. Ze danste niet echt op de maat van de muziek. Ze nam mijn gezicht in haar handen en zoende me. Het was geen tongzoen. Haar lippen waren droog. Toen het nummer uit was gingen we weer zitten. Ik ledigde mijn glas. Ze had haar glas nog niet aangeraakt dus schonk ik alleen mezelf bij. Ook het volgende nummer was een traag nummer. Maar we dansten niet meer. En met zoenen gingen we ook niet door.
     ‘De beste whisky die ik al ooit heb gedronken,’ zei ik.
     ‘Heb je zin om te neuken?’ vroeg ze.
     ‘En jij?’ vroeg ik.
     ‘Niet echt,’ zei ze.
     ‘Laten we dan maar niet neuken,’zei ik.
     ‘Prima,’ zei ze. ‘Maar ik kan je niet terug naar de stad voeren. Ik ben te ver heen.’
     ‘Geen probleem,’ zei ik. ‘Ik neem wel een taxi. Of ik ga te voet.’
     ‘ Je mag hier blijven slapen hoor. Ook al heb je geen zin in seks, je mag altijd blijven slapen. Misschien hebben we morgen wel zin in seks.’
     ‘Wie weet,’ zei ik.
     Ik bleef nog een tijdje zitten. Ik was dronken aan het worden. Hella rolde nog een joint en rookte ook die tweede joint helemaal alleen op. Zonder iets te zeggen. We luisterden naar de muziek. Filmmuziek. Een soort slechte symfonie.
     ‘Jij vindt dat spul wel lekker geloof ik,’ zei ik met een dubbele tong.
     Ze was al zover heen dat ze alleen nog maar debiel kon lachen. Ik besloot helemaal dronken te worden. Net als zij. Ik ledigde de fles. Het kon me niet schelen hoeveel het mij zou kosten, maar voortaan wou ik alleen nog maar die whisky drinken.
     ‘Heb je nog zo’n fles?’ vroeg ik. Ik rekende er niet echt op. Ze was nu al heel ver heen.
     ‘Ja,’ zei ze. ‘In de kelder. Maar je moet er zelf om. Ik...’ De rest begreep ik niet. Ik wankelde naar de keuken. Ik hoorde haar nog iets zeggen, maar weer begreep ik niet wat ze bedoelde. Alleen de naam ‘Herman’ begreep ik. Ze was op een andere planeet. En haar ex-vent was daar blijkbaar ook. Ik opende een deur en stootte op een ingebouwde wasmachine. Een tweede deur gaf uit op een gang. Het was de deur naast het aanrecht. Ik vond de lichtschakelaar. Ik rook paddestoelen. Dat was de kelder. Een steile bakstenen trap. De whisky had me nu helemaal in haar macht. Misschien breek ik wel mijn nek, dacht ik en lachte. In de kelder vond ik drie flessen van dezelfde whisky. Verder geen drank. Zelfs geen bak bier.

© Koenraad Goudeseune

 

 

inhoudsopgave nr. 91


abonneren

Een abonnement op de papieren versie van De Brakke hond kost slechts 32 euro. Klik hier voor een abonnement.

Nummer nabestellen? klik hier.

boekenlinks

Proxis
boekenbank
DBNL

Over De Brakke Hond

De Brakke Hond is geen tijdschrift voor hondenliefhebbers die zich interesseren voor hondenvoeding, hondenverzorging, puppies en hondenvakanties, het bevat 100% literatuur.


nieuwsbrief

Schrijf u in op onze nieuwsbrief "Letters". Vul hier uw e-mailadres in:


AanmeldenAfmelden


Powered by YourMailinglistProvider.com





design: wwww.mixette.com