Vlaams Fonds

Home > 90 > Joris Note

Joris Note


Woordenkind
- zoals ik was (10) -


Ik noteer hier exact de woorden die hij tegen me zei terwijl hij door zijn openhangende overhemd aan zijn borsthaar krabde: ‘Prachtig. Van jou zullen we misschien nog meer horen.’ Woord voor woord. Drieënvijftig jaar zijn sindsdien verstreken, maar ik ben het nog steeds niet vergeten.


Waarom heb ik niet geschreven over het autobiografische werk van Constantijn Huygens of Theo Thijssen? Waarom niet over Hendrik Conscience of Ernest Claes of Norbert E. Fonteyne, over Willem van den Hull of Hella Haasse? Waarom? Omdat ik het in deze serie niet over Nederlandstalige teksten wou hebben.
     Waarom heb ik dan niet geschreven over Augustinus, Teresa van Ávila, Michel Leiris, Nathalie Sarraute, Vladimir Nabokov, Louis Althusser, Johann Heinrich Jung-Stilling, Henry van de Velde, Wole Soyinka, Louis Armstrong, Marguerite Yourcenar, André Gide, Benjamin Franklin, Jean-Paul Sartre? Waarom? Tja. Daarom. Jammer. Ik moest kiezen.
     Scherpe criteria had ik niet. Maar ik wou ook enkele weinig bekende werken aan bod laten komen, en het moest niet over recente autobiografieën gaan: de literaire pers geeft al zo vaak de indruk dat alleen boeken van vandaag en gisteren de aandacht van ‘gewone lezers’ waard zijn.
     Voor deze laatste aflevering maak ik een uitzondering: een nieuw boek, vooruit maar. De keuze drong zich bijna op (maar daar begint het gedonder al, je moet je geen boeken laten opdringen): Een verhaal van liefde en duisternis van Amos Oz. Sinds dat werk in 2004 in het Engels verscheen is het een internationaal bejubelde bestseller geworden. De Nederlandse vertaling verscheen in september 2005, mijn exemplaar is van december: vijfde druk! Het omslag staat vol juichkreten: ‘groots en fabelachtig’, ‘adembenemend’, ‘groots’ (bis), ‘magistraal’, ‘magnifiek’, ‘duizelingwekkende genialiteit’ (!), ‘beste boek dat hij ooit heeft geschreven’, ‘een briljant boek zoals je in geen tijden meer zult lezen’, ‘fenomenaal’, ‘meesterlijk’; bovendien word je eraan herinnerd dat Oz ‘wereldwijd’ geldt ‘als een van de grootste hedendaagse schrijvers’ en dat hij ‘mogelijk kandidaat voor de Nobelprijs’ is.
    Terwijl ik die woorden overtik vergaat me bijna de lust tot schrijven: het is zo intimiderend en verstikkend. In de vorige afleveringen heb ik me nauwelijks met oordelen ingelaten, maar in dit geval kom ik daar niet onderuit, ik word door het reclamegeweld aangepord om te zeggen ‘wat ik er zelf van vind’. Eigenlijk word ik aangepord om te zeggen dat ik het prachtig vind. Ik geef wat eerste indrukken, meer niet, een paar kanttekeningen.

Misschien heeft u het boek gelezen, of anders wel een bespreking ervan, of een interview met de auteur; maar voor de zekerheid memoreer ik toch enkele dingen. Een verhaal van liefde en duisternis telt bijna 650 bladzijden, verdeeld over 63 hoofdstukken. Amos Oz (1939) vertelt over de plusminus eerste twintig jaar van zijn leven, vooral over de eerste vijftien. Het boek vertoont een globale tijdsorde (waarin de familiale voorgeschiedenis een mooie plaats heeft), maar die chronologie wordt vaak doorbroken. We krijgen ook een leerzaam en boeiend beeld van het leven in Jeruzalem net voor en na de Israëlische onafhankelijkheid.
     Amos groeit op in Jeruzalem als enig kind van net-niet-arme ouders die (met een aantal van hun directe verwanten) in de vroege jaren dertig uit Oost-Europa geëmigreerd zijn. Zijn familienaam is Klausner - hij is een achterneef van de beroemde geleerde Jozef Klausner, die ook in Jeruzalem woont (en wiens boeken over Jezus ook in het westen bekendheid verwierven). Zijn bijna even geleerde vader werkt in de Nationale Bibliotheek, zijn moeder geeft een tijdlang privé-lessen. Godsdienst speelt in de familie geen rol.
     Drie jaartallen zijn van groot belang:
    (1947-) 1948. De verhouding van Joden/Israëli’s en Palestijnen/Arabieren is in het hele boek op de achtergrond aanwezig, maar komt op de voorgrond in de tijd van de onafhankelijkheidsoorlog.
     1951. In het begin van het jaar pleegt Amos’ moeder, die al een hele tijd ziek is (migraine, slapeloosheid, depressie), zelfmoord. Die dood vormt het eigenlijke centrum en wellicht de bestaanreden van het verhaal. Op p. 224 noemt de verteller het gegeven voor het eerst; hij geeft het verder veel ruimte, maar pas in de allerlaatste bladzijden wordt de gebeurtenis zelf gereconstrueerd.
     1954. De vijftienjarige Amos verlaat zijn vader (die hertrouwd is) en gaat wonen en werken in een kibboets, waar hij ook zijn schoolopleiding voortzet. Hij kiest een nieuwe achternaam.
     Het geheel is een terugblik in de ikvorm. Nu en dan voert de verteller zich op als de schrijver van het boek, in het heden, in zijn huis in Arad. In enkele hoofdstukken laat hij een andere ik-verteller aan het woord: een oude tante, zus van zijn moeder, die aan haar neef vertelt over het leven in Europa.
    En nu wat betweterij. In de pers werd het boek een autobiografische roman genoemd, en Oz zelf zegt in een interview met NRC Handelsblad: ‘Zij die menen dat Een verhaal van liefde en duisternis een autobiografie is, hebben het [...] bij het verkeerde eind. Ik heb zoveel dingen met mijn fantasie moeten invullen, omdat ik gewoon niet wist hoe het werkelijk is gegaan.’ Dat laatste slaat blijkbaar vooral op het leven van zijn familie voor zijn geboorte, al gebruikte hij daarvoor óók geschreven en mondelinge bronnen.
     In het huis van de roman zijn vele woningen, maar dit verhaal is een schoolvoorbeeld van een (jeugd)autobiografie; het is, anders dan een roman, geen fictie. Een autobiografie is een retrospectief verhaal waarin een reële persoon, meestal in de ikvorm, (een deel van) zijn of haar eigen leven vertelt. Dat betekent dat er identiteit bestaat tussen auteur, verteller en hoofdpersonage. In dit geval bestaat daar geen enkele twijfel over: die drie instanties zijn verbonden door de naam van Amos Klausner, die zich sinds 1954 Amos Oz noemt. Er zijn vele andere indicaties voor die identiteit; zo verwijst de verteller dikwijls (‘In het jaar dat mijn derde boek uitkwam, Mijn Michael...’) naar zijn eigen romans en verhalen, die wij (kunnen) kennen als het fictiewerk van Amos Oz; hij noemt ook allerlei in principe verifieerbare data, personen, plaatsen. Dat alles houdt absoluut niet in dat hij niet kan fantaseren, of zich vergissen of zelfs liegen, laat staan dat hij niet een gekleurde ‘visie’ op de feiten kan geven; fouten en verzinsels horen bij het persoonlijke relaas, de versie van zichzelf die hij ons aanbiedt; ze verminderen de waarheidswaarde niet, want ze zeggen iets over hem. En wees maar zeker dat de fantasie geen wilde fantasie is, en dat er in dit boek geen gefantaseerde intrige zit.
     In een roman ligt dat allemaal anders: de identiteit van auteur-verteller-personage ontbreekt, en de vraag naar de werkelijkheid buiten de tekst is vrij irrelevant. Een autobiografische roman is in enige mate ‘gebaseerd op’ het leven van de auteur - iets wat er voor de lezer eigenlijk niet toe doet (wél voor literatuurvorsers). Om kort te gaan: Het verdriet van België kun je een autobiografische roman noemen, geen autobiografie; Louis Seynaeve heeft van alles gemeen met of lijkt op Hugo Claus, maar van identiteit is geen sprake.
     Waarom willen velen zo graag dat deze autobiografie een roman is? De flaptekst bevat een kiem van antwoord: ‘Wanneer hij twaalf is, pleegt zijn moeder zelfmoord, een gebeurtenis waarover hij vervolgens jarenlang zwijgt en die zijn verdere leven tekent. In Een verhaal van liefde en duisternis ontrafelt en onthult Amos Oz het verleden dat tot deze daad zou leiden. Het is een fenomenaal geschreven roman [...].’ Deze zinnen leggen de nadruk op een bepaalde inhoudelijke samenhang of ‘lijn’: zekere dingen leiden tot een gebeurtenis, die dan weer het verdere leven tekent: aanloop - hoogtepunt - nawerking. Zo’n samenhang, en de onthulling ervan, vind je vaak in romans, en dus... Maar het blijft onzin. En al geeft de (zeer reële!) dood van de moeder een oriëntatie aan het boek, de lijn blijft tamelijk vaag: Oz reikt een massa elementen aan die bij de zelfmoord een rol zullen of kunnen hebben gespeeld, maar dat is geen eenvoudig ‘leiden tot’.
     Of denkt men gewoon dat een goed geschreven verhaal met een zekere lengte én met verbeeldingselementen niets anders dan een roman kan zijn?
     Er speelt nog iets mee. De werkelijkheid die Oz beschrijft (het leven in Jeruzalem, en nog meer het vooroorlogse leven van de familie) kun je kleurrijk noemen, of romanesk. Het is het soort stof waaruit romans worden gemaakt, Echte Romans, romans zoals er in West-Europa bijna geen meer ontstaan - ik ben geneigd om te zeggen: Russische romans. De moeder van Oz kwam uit Oekraïne, zijn vader uit Odessa.
     Heeft het uiteindelijk wel belang, dat onderscheid tussen roman en autobiografie? Het begrip werkelijkheid is immers problematisch, de werkelijkheid komt immers altijd via interpretaties en constructies tot ons? Ja, maar voor de zindelijkheid moeten we een principieel verschil maken tussen fictie en niet-fictie; en in de praktijk is onze leeservaring bij een roman wel degelijk fundamenteel anders dan bij deze levensbeschrijving. Oz zelf weet ook wel dat er een verschil is, zoals blijkt in hoofdstuk 5, waar hij juist iets zegt over het autobiografische gehalte van zijn romans. En nog dit: door zo’n verhaal te schrijven waarin hij verteller en hoofdpersoon is, neemt de auteur een speciale verantwoordelijkheid en kwetsbaarheid op zich, en dat moet je respecteren. Ook al lijkt hij het zelf af te wijzen.
    
    Maar komt het ‘invullen met fantasie’ per se het boek ten goede? Dat is een andere vraag.
    Oz verwerkt al schrijvend meestal herinneringen aan dingen en mensen van een halve eeuw geleden, en af en toe reflecteert hij over dat schrijven en over het herinneren zelf. Zo vertelt hij hoe hij in 1976 een schooljuf Zelda ontmoette op wie hij dertig jaar eerder verliefd was: ‘Die ochtend [...] reconstrueer ik natuurlijk uit mijn herinnering - alsof je probeert een oude ruïne te restaureren op basis van zeven of acht stenen die nog op elkaar staan.’ De ontmoeting zelf was al een daad van herinnering, al schrijvende voelt hij zich nu, weer een paar decennia later, als ‘iemand die probeert iets op te bouwen uit oude stenen die hij opgraaft uit de ruïne van iets wat indertijd zelf al gebouwd was uit de stenen van een ruïne.’ Die - niet bijster originele - beelden (zoals ook, elders, de reconstructie van een dinosaurus ‘op basis van een paar botjes’) lijken op bescheidenheid en aarzeling te wijzen, maar dat klopt niet echt. Oz construeert en bouwt inderdaad onvervaard en voortvarend, zonder al te veel problemen maakt hij met zijn herinneringen merkwaardig volledige, afgeronde verhalen, hij schotelt de lezer geen flarden en fragmenten voor.
     Het verbluffendst komt dat tot uiting waar hij zijn twee allervroegste herinneringen ophaalt, een van toen hij iets meer dan twee jaar (!) was, en een van zijn bijna vier jaar. Vooral de tweede wordt uitvoerig en nauwkeurig uit de doeken gedaan; en terwijl in de eerste al een zware suggestie van seksuele symboliek zat, ligt die er in de tweede drie vingers dik bovenop: we lezen dus niet alleen het gedetailleerde verhaal maar meteen een interpretatie erbij. Bovendien wordt de kleine Amos in dat verhaal ‘gered’ door een Arabische man, in wie hij dadelijk een andere vader wil zien - zowaar een voorafspiegeling van zijn kritische houding tegenover de rechts-zionistische Klausners!
    En de lezer? De lezer hoeft niets meer te doen, de schrijver heeft het al gedaan, de schrijver heeft alle gaten opgevuld, en heeft het beeld van een legenda voorzien. Allemaal prima verteld, daar niet van, maar ik vind het een tikje benauwend, en soms wat potsierlijk.

Terloops, terzijde. In december 2005 zei de Iraanse president Ahmadinejad dat, als het westen toch zoveel belang hecht aan de shoah, Israël maar beter verplaatst kan worden naar Europa, waar de jodenmoord immers heeft plaatsgevonden. De boze internationale reacties benadrukten dat Iran Israëls bestaansrecht niet erkent en de shoah min of meer ontkent; maar in het misbaar daarover zat ook hypocrisie.
     Uit het boek van Oz kun je vernemen dat Ahmadinejads ‘idee’ verre van nieuw is, en dat het in 1947 ook in joodse geesten bestond. In het vooruitzicht van de onafhankelijkheidsoorlog troostten sommigen in Jeruzalem zich ‘met de gedachte dat de Arabieren ons hier weliswaar niet wilden, maar dat de volken van Europa ons nog veel minder wilden zien terugkomen om Europa weer te overspoelen. En aangezien de volken van Europa veel machtiger waren dan de Arabieren, bestond de kans dat ze ons hier toch zouden laten blijven. Ze zouden de Arabieren dwingen te slikken wat Europa probeerde uit te spugen.’ En verderop schrijft Oz zo’n zienswijze toe aan zijn vader: ‘een aantal Europese landen zocht een manier om het Joodse volk enige compensatie te bieden [...]. Tegelijkertijd voelden deze zelfde welmenende landen zich niets te goed om de vloedgolf van honderdduizenden beklagenswaardige ontheemde Oost-Europese Joden [...] die sinds de Duitse nederlaag wegteerden in vluchtelingenkampen her en der in Europa, zo ver mogelijk weg te sluizen van hun grondgebied [...].’
    Veel autobiografieën zouden dezelfde ondertitel kunnen dragen als Nietzsches Ecce Homo: Hoe iemand wordt wat hij is. Het zijn geen echte ontwikkelingsromans maar wel ontwikkelingsverhalen. Amos Oz laat op dit punt vooral twee dingen zien.
     Ten eerste, simplistisch uitgedrukt: hoe hij in het Israëlisch-Palestijnse conflict een ‘duif’ werd. Ik sta daar niet bij stil, maar nota bene dat dit geen louter politieke kwestie is, ze houdt verband met hoe Amos zich losmaakt van de overtuigingen van zijn vaders familie.
     Ten tweede: hoe hij schrijver werd, en hoe hij het soort schrijver werd dat hij is. Dit thema doortrekt het hele boek. Het begint al bij de grote aandacht voor taal en taalsoorten, bij de bizarre vertellingen van de moeder, bij Amos’ leeshonger; we zien vaak hoe hij in zijn hoofd verhalen zit te verzinnen (al dan niet met hulp van banale voorwerpen); en wanneer hij op school gepest wordt houdt hij zijn kwellers tijdelijk in toom (‘als Scheherazade’) door ze vervolgverhalen te vertellen, die hij schertsend maar veelbetekenend ‘mijn vroege werken’ noemt. Nog op andere plaatsen wordt de continuïteit tussen vroeger en nu uitdrukkelijk verwoord: ‘En eigenlijk is deze vreemde drang die ik had [...] - de behoefte om een nieuwe kans te geven aan wat nooit meer een nieuwe kans zou krijgen - ook nu nog een van mijn drijfveren, telkens als ik een verhaal ga schrijven.’ En: ‘Als ik hier alles zou opschrijven waarover we niet gesproken hebben, mijn vader en ik, had ik twee boeken kunnen vullen. Mijn vader heeft veel werk voor me overgelaten, en ik ben er nog steeds mee bezig.’ En soms, als hij met zijn ouders in een café zat en zich verveelde, verzon hij een verhaal bij de vreemde mensen die hij observeerde: ‘Zo is vermoedelijk mijn leven als schrijver begonnen: in cafés, in afwachting van een ijsje of een maïskolf. [...] Nog steeds bezondig ik me aan deze zakkenrollerspraktijken. [...] al glurend verzin ik verhalen.’ (Cursiveringen van mij.) Al nemen dergelijke formules alles samen heel weinig plaats in, ze leggen wel een erg zware klemtoon op de eenheid van een leven.
    
    De vele figuren in dit boek lijken bijna allemaal op de een of andere manier bijzonder. Natuurlijk, alle mensen zíjn bijzonder, dat is zo, maar ik heb graag dat ze ook in hun gewoonheid getoond worden. Gebeurtenissen en situaties worden door Oz eveneens uitvergroot. Dat geldt bijvoorbeeld voor de hierboven vermelde tweede herinnering, en nog duidelijker voor het enige verhaal dat zich in een Arabisch milieu afspeelt, vlak voor de onafhankelijkheidsoorlog: het heeft een emblematisch, bijna mythisch karakter.
     En de ik- en hoofdfiguur? De beide ouders leggen ‘het volle gewicht van hun teleurstellingen’ op zijn schouders; ze roepen hem uit tot een in alle opzichten uitzonderlijk kind, maken hem tot object van een ‘persoonlijkheidscultus’ - en hij schikt zich daarnaar, al zal het hem naderhand ook stimuleren om een eigen weg te gaan. Doordat hij een boekje dat hem werd voorgelezen uit het hoofd kent lukt het hem de indruk te geven dat hij het zelf kan lezen, en de ouders trappen erin: ‘ze hadden geen idee van de omvang van het bedrog, ze waren er allebei volkomen van overtuigd dat dit speciale kind zichzelf helemaal alleen had leren lezen.’ Op dat moment lijkt het alsof Oz vreest dat de lezer hem nu toch gaat onderschatten, want de volgende zin luidt: ‘Maar uiteindelijk leerde ik mezelf wél lezen’... Zo zijn er ettelijke andere passages waaruit blijkt dat hij zichzelf apart vindt - soms juist op momenten dat hij zich bescheiden voordoet. En hoe hij op zijn achtste eens een meeting van Menachen Begin verstoord heeft - hij was als het kind in het sprookje over de kleren van de keizer! En hoe hij op zijn twintigste opgemerkt werd door Ben Goerion, de Ben Goerion over wie Isaiah Berlin later eens tegen hem gezegd heeft dat...!
     Enige ijdelheid dus. Heeft ze belang? Misschien niet, niet op zichzelf. Je krijgt er wel eens genoeg van om nog een keer te horen dat Amos op zijn negende al een verstokte krantenlezer was en dat ze de regels van de uitleenbibliotheek moesten versoepelen om zijn leeswoede te kunnen stillen - maar zo leer je de schrijver ook van een minder sympathieke kant kennen, dat kan geen kwaad. Belangrijker en hinderlijker, maar zoveel moeilijker aan te tonen, vind ik de zelfzekerheid, het vertrouwen op de eigen uitdrukkingskracht waarvan Oz voortdurend blijk geeft. Hij begrijpt het verleden en zijn ouders wat al te goed. En hij schrijft wat al te goed, het loopt allemaal zo vlot, zelfs als het over schroom of twijfel gaat. Ik zou hem eens werkelijk willen zien stamelen.

‘Ik was een woordenkind,’ schrijft Oz. ‘Een onafgebroken, onvermoeibare prater. Nog voordat ik mijn ogen ‘s ochtends had opengedaan, begon ik een verhandeling die bijna zonder onderbreking doorging totdat het licht ‘s avonds uitging [...].’ Even verder komt er weer een continuïteitsformule: hij laat in 1947 zijn gedichten lezen aan juffrouw Zelda, en ‘De ene keer vond ze dat ik hier of daar wat te veel had geschreven, de andere keer zei ze dat ik hier misschien juist beter wat meer had kunnen schrijven. Maar hoe weet je dat? Ik zoek nog steeds naar een antwoord.’
     Wat mij betreft: geen te weinig maar te veel. Een verhaal van liefde en duisternis is een boek van zéér veel woorden. De ontelbare herhalingen zijn vaak functioneel, maar lang niet altijd; de detailzucht in zowel beschrijving als vertelling is ontzaglijk (en, fantasie of niet, hij schaadt wel eens de geloofwaardigheid); de expliciteringen van wat al ‘getoond’ is zijn dikwijls overbodig. Misschien dat deze woordenman dan toch, in tegenstelling met wat hierboven staat, de woorden en zijn uitdrukkingskracht niet helemaal vertrouwt? Aan het teveel danken we zeker schitterende bladzijden, verhalen, portretten - maar ook veel langdradige stukken, en af en toe verveling. Genoeg nu, denk je soms, ik weet het al, hou op. (Er is een grote uitzondering: over Oz’ stiefmoeder, de vrouw waarmee zijn vader trouwde een jaar na de dood van zijn moeder, komen we volstrekt niets te weten.) Om het nog eens plomp te zeggen: dit dikke boek is echt te dik, er had veel geschrapt kunnen worden.

Een paar kanttekeningen, zei ik, ik heb het niet eens over de moeder en haar zelfmoord gehad, en niet over de seksuele ontwikkeling van de jongen. Misschien wou ik me vooral een beetje verweren tegen de verdachte eenstemmigheid van de critici? Het blijven eerste indrukken, met alle beperktheid vandien; het zou buitengewoon verwaten zijn om na één lezing het laatste woord te willen spreken over dit kolossale en ondanks mijn bezwaren heel rijke werk. Helaas, zo kom ik in een vicieuze cirkel terecht: om iets substantiëlers te kunnen schrijven moet ik het boek herlezen, maar ik zal het waarschijnlijk niet herlezen omdat het me niet ligt. Zo worden de eerste indrukken de laatste.
     Maar laat u niets aanpraten, niet door anderen en niet door mij.


Aantekening

Amos Oz, Een verhaal van liefde en duisternis, vert. Hilde Pach, De Bezige Bij, Amsterdam, 2005. Over het verschil tussen autobiografie en (autobiografische) roman, zie bijvoorbeeld: Philippe Lejeune, Le pacte autobiographique, Editions du Seuil (coll. Points), 1996 (1975). Interviews met Oz in NRC Handelsblad van 23 sept. en De Standaard van 24 sept. 2005. In verband met de genrekwestie citeer ik nog Amos Elon (The New York Review of Books, 16. dec. 2004): ‘Amos Oz’s moving and frank autobiography - partly family saga, partly Bildungsroman, partly self-portrait’; uit de rest van de bespreking blijkt dat Elon het boek zeker niet als een roman leest.

© Joris Note

 

inhoudsopgave nr. 90


abonneren

Een abonnement op de papieren versie van De Brakke hond kost slechts 32 euro. Klik hier voor een abonnement.

Nummer nabestellen? klik hier.

boekenlinks

Proxis
boekenbank
DBNL

Over De Brakke Hond

De Brakke Hond is geen tijdschrift voor hondenliefhebbers die zich interesseren voor hondenvoeding, hondenverzorging, puppies en hondenvakanties, het bevat 100% literatuur.


nieuwsbrief

Schrijf u in op onze nieuwsbrief "Letters". Vul hier uw e-mailadres in:


AanmeldenAfmelden


Powered by YourMailinglistProvider.com





design: wwww.mixette.com