| |
|
DON ALVARO
Don Alvaro, die bekend stond om zijn grote topografische kennis, stond
die bewuste ochtend op met kramp in zijn maag, alsof hij wist wat er
te gebeuren stond. Hij was die ochtend vlak na zessen opgestaan en had
naar de hemel gestaard, die een heuglijke dag voorspelde. De lucht was
lichtblauw en hij kon het buitenissige gevoel in zijn onderbuik niet
rijmen met het heldere weer. Hij waste zich, streek zijn haren met twee
handen achterover en terwijl hij zijn spiegelbeeld bestudeerde, twijfelde
hij of hij zou ontbijten.
Don Alvaro stond altijd vroeg op, net zoals
hij altijd vroeg te bed ging. Hij was één van de weinigen die de siësta
oversloeg die hij onnodig achtte omdat hij naar eigen zeggen goed bestand
was tegen de hitte. Hij was schoolmeester van beroep en gaf les aan
leerlingen van rond de elf. Don Alvaro had bijna de leeftijd van zestig
jaar bereikt, al was dat niet aan hem af te zien; hij was broodmager
en had al zijn haren nog. Zijn vrije tijd besteedde hij aan het bestuderen
van atlassen, waarvan hij er een aantal bezat. Hij was getrouwd op latere
leeftijd met zijn jeugdliefde op de dag die de geschiedenis inging als
de eerste dag van de Semana Trágica. Het nieuws bereikte het
echtpaar pas dagen later, zodat zij en de gasten zonder gewetensbezwaren
hadden kunnen feesten tot het aanbreken van de volgende ochtend.
Om de dag door te komen besloot hij toch wat
te eten. Hij pakte wat brood, dat al wat aan de taaie kant was, sneed
voorzichtig enkele stukjes geitenkaas en maakte een kop kruidenthee
klaar in de hoop dat het zijn maag wat zou kalmeren. Toen hij anderhalf
uur later de deur achter zich dicht trok en de kraag van zijn overhemd
rechttrok, was de pijn in zijn maag een stuk afgenomen. Met een tas
onder zijn arm liep hij het vervallen schoolgebouw tegemoet. Tijdens
de korte wandeling bereidde hij in zijn hoofd de lessen voor. Toen zijn
leerlingen die ochtend eindelijk stilhielden, nam hij het woord. Don
Alvaro wees naar buiten en doelend op de zon zei hij dat het een prachtige
dag zou worden. De tekenen van de dood stonden op zijn voorhoofd geschreven,
maar dat had hij met geen mogelijkheid kunnen weten.
DOÑA CATALINA
Doña Catalina, die haar zaterdagen doorbracht in de kerk, woonde samen
met haar man die op jonge leeftijd zijn gehoor had verloren. Toen zij
zestien was, werd zij verliefd op don Celestino en liep zij hem achterna
als een wulpse hond, schreeuwend dat zij een kindje van hem wilde. Haar
vader had zich voor zijn losbandige dochter gegeneerd en had haar enkele
weken opgesloten in haar kamer, waar zij plannen uitdacht om wraak te
nemen.
De eerste dag dat zij haar vrijheid terug had,
rende zij, na een vermanende preek van haar vader aangehoord te hebben
over het feit dat zij zich moest leren gedragen, naar het huis van haar
tante en vroeg naar haar neef, van wie zij wist dat hij niets liever
deed dan met meisjes naar bed gaan. Hij was twee jaar ouder dan zij
en had zijn uiterlijk mee. Hij lag languit naakt op bed en staarde lusteloos
naar buiten. Hij begroette zijn nichtje zonder schaamte en deed geen
moeite zijn naaktheid te bedekken. In een razend tempo kleedde zij zich
uit en besprong hem. Hij pakte haar stevig beet, drong bij haar binnen
en nadat hij was klaargekomen, waar niet meer dan enkele stoten voor
nodig waren, duwde hij haar van haar af en zei dat ze naar huis moest
gaan. Het deerde haar niet dat hij zo kortaf was. Zij kleedde zich aan
en liep voldaan naar huis. Zij vertelde haar vader niets, maar keek
hem met een minachtende glimlach aan. Haar wraak was zoet.
Toen zij drie weken later zwanger bleek te
zijn, barstte thuis de hel los. Haar vader liet haar alle hoeken van
de kamer zien. Zij huilde niet, maar lachte als een oude heks en spuwde
hem in het gezicht.
Nadat zij bevallen was van haar eerste kind,
trouwde zij met een man die de bijnaam El Pato had, die naast zijn doofheid
tevens zwak van gezondheid was. Zij trouwde hem omdat zij dacht haar
vader zo het hardst te treffen. Samen kregen zij nog dertien kinderen,
van wie er zeven het leven lieten.
Op de dag dat haar vader stierf, ging zij voor
het eerst naar de kerk en besloot zich aan te melden als vrijwilliger
om op zaterdag de kerk schoon te maken.
Deze ochtend, precies zeven jaar na de dood
van haar vader, dacht zij vol haat aan hem terug en vierde zij met een
fles sterke drank haar onsterfelijkheid.
MANOLIN
Manolín, de zoon van Valentín die nog samen met Pedro had gediend op
Palma de Mallorca, was die ochtend extra vroeg op gestaan om zijn zusje
te kunnen bespieden tijdens het baden. Manolín was liever lui dan moe,
maar om het naakte lichaam van zijn jongere zusje te kunnen zien, was
hij tot alles bereid.
Zij liet de deur van de badkamer altijd open,
wat het gluren een stuk vergemakkelijkte. Zij deed haar kleren uit,
bestudeerde haar prille meisjeslichaam in de spiegel en wreef voorzichtig
over haar borsten.
Manolín bekeek het slanke lichaam via de spiegel
en wilde niets liever dan haar aanraken. Sinds zijn zusje borsten had,
had hij alleen maar meer naar haar verlangd. Haar naakte lichaam keerde
zo vaak in zijn dromen terug, dat het met recht een obsessie genoemd
kon geworden.
Zij was zich zeer bewust van het feit dat hij
haar adoreerde en zij maakte er op allerlei manieren misbruik van. Zij
gebruikte haar wulpse lichaam als instrument om haar broer te chanteren.
Wanneer haar vader haar opzadelde met een of andere bezigheid die haar
niet beviel, liep zij met een verleidelijke blik en haar borsten vooruit
naar de kamer van haar broer. Zij maakte enkele knoopjes van haar blouse
los en vroeg hem wat haar vader haar had opgedragen. Eén keer ging zij
zelfs zo ver dat zij hem beloofde dat hij, zodra hij de klus geklaard
had, aan haar borsten mocht voelen. Zijn hoofd sloeg op hol bij de gedachte
en hij zei haar toe alles te doen wat zij die dag zou vragen. Aan het
eind van de dag loste zij de belofte in. Zij ging op zijn bed op haar
rug liggen met een ontbloot bovenlijf.
‘Doe maar met me wat je wilt, maar wees een
beetje voorzichtig.’
Met zijn tong uit zijn mond keek hij naar haar
lichaam. Zij had haar ogen gesloten en wachtte geduldig af. Er gebeurde
niets. Toen zij niet veel later de ogen opende, zag zij hoe haar broer
zichzelf aftrok. Zij greep niet in. Toen hij klaarkwam, trok zij haar
kleren weer aan. Hij had niet het lef gehad haar aan te raken, waar
hij diezelfde nacht nog spijt van zou krijgen.
Die ochtend, de ochtend van de 17de augustus,
terwijl hij door zijn knieën zakte, opende zij haar blouse en toonde
hem voor de laatste maal haar borsten, waardoor er een gelukzalige glimlach
op zijn gezicht verscheen.
DON LAZARO
Don Lazaro, de jongeling die opgroeide in het huis van zijn grootouders,
had van jongs af aan geroepen dat hij toreador wilde worden. Zijn grootvader,
die fervent liefhebber was van het stierenvechten, had hem een keer
meegenomen, waarna het jongetje de hele dag de bewegingen imiteerde
die hij de toreador had zien maken.
Voor zijn vijfde verjaardag had zijn grootvader
hem een vlijmscherp zwaard gegeven, dat in Toledo vervaardigd was en
dat zo zwaar was dat het kleine jongetje het amper tillen kon. Zijn
grootmoeder kon niet achterblijven en had een roze kleed gemaakt dat
hij om het zwaard kon wikkelen zodat hij kon oefenen.
Toen Lazarillo, net vijf jaar, een eerste poging
deed het immense zwaard van de grond te tillen, had zijn opa hem een
kip gebracht.
‘Kom Lazaro, sla de kop eraf. Laat je grootvader
maar zien wat voor kerel je bent.’
Lazaro keek zijn opa met een zielige blik aan.
‘Ik wil de kip niet doodmaken opa.’
‘Kom, doe het, kleine slappeling.’
Lazaro begon te huilen.
‘Ik wil geen dieren doodmaken, opa.’
‘Hoe wil je dan in godsnaam toreador worden?
Of jij doodt de stier, of de stier doodt jou. Is dat wat je wilt? Een
hoorn in je lichaam doet meer pijn dan het doden van een stier, Lazaro.
Neem dat maar van je opa aan.’
Lazaro knikte van nee.
‘Kom, hak de kop er af.’
‘Nee!’ Het jongetje schreeuwde het uit om de
aandacht van zijn grootmoeder te trekken. Zij kwam aanlopen en ging
tussen hen in staan.
‘Wat heeft dit te betekenen?’
‘Dat rotjong kan het niet over zijn tere hartje
verkrijgen de kip te doden. Het is net zo een mietje als zijn vader
was.’
‘Het is nog maar een kind. Laat hem met rust.’
‘Toen ik zo oud was als hij deden we niets
anders.’
Hij pakte de kip bij de kop, rukte deze af en
hield deze vlak voor het gezicht van de jonge Lazaro, die moest overgeven
van het bloed dat hij zag.
‘Luister mijn jongen, jij zult in de arena
al tijdens het eerste gevecht sterven. De hoorns zullen je lichaam binnendringen
en je zult langzaam doodbloeden. En denk maar niet dat ik op je begrafenis
zal komen. Slappeling die je bent.’
Zijn grootvader zou geen gelijk krijgen, Lazaro
stierf niet in de arena en zijn grootvader zou wel aanwezig zijn op
zijn begrafenis.
Een abonnement op de papieren versie van De Brakke hond kost slechts 32 euro. Klik hier voor een abonnement.
Nummer nabestellen? klik hier.
De Brakke Hond is geen tijdschrift voor hondenliefhebbers die zich interesseren voor hondenvoeding, hondenverzorging, puppies en hondenvakanties, het bevat 100% literatuur.
Schrijf u in op onze nieuwsbrief "Letters". Vul hier uw e-mailadres in: