Vlaams Fonds

Home > 90 > Joris Gerits

Joris Gerits


Maart is de wreedste maand

Vanmorgen had ik voor het eerst in mijn leven geen zin om op te staan. Ik deed het toch. Maakte met mezelf een afspraak: probeer deze zaterdag door te komen met akkefietjes als kolen 22/30 in de Makro halen voor ons kacheltje, want de lente blijft toch maar kil en nat, naai wat knopen aan bij hemden van jezelf en een paar broeken van je manisch-depressieve zoon die in het PC Bethaniënhuis van Zoersel geparkeerd is. In de vroege namiddag ben ik met de mij ondertussen vertrouwde schuldgevoelens naar mijn bureau geslopen - want mijn geliefde vindt dat ik daar teveel tijd doorbreng - om er te schrijven aan de uitleiding bij de nieuwe editie van de verzamelde gedichten van Pernath die tegen het eind van de maand af moet zijn. Terwijl ik de PC opstartte kreeg ik telefoon van mijn tachtigjarige vriendin Griet uit Turnhout met wie ik rechttoe rechtaan kan praten over de manisch-depressieve storing van mijn oudste zoon die hem nu al vijftien jaar kwelt en waar hij als toetje bovenop nog wat godsdienstwaanzin heeft ontwikkeld en over de agorafobie en verlatingsangst van een andere zoon van me die daarvoor in Duffel hulp gezocht heeft.
Na het avondeten heb ik in ons stille salon, zonder TV of radio op de achtergrond, in Varkensroze ansichten van Mustafa Stitou zitten lezen, terwijl mijn geliefde met kater Flor in de ene arm en hond Jenik tegen de andere aangeschurkt, ook zat te lezen. Een zeer huiselijk tafereel. Maar de stilte en de afwezigheid van zelfs de geringste dialoog heel de avond lang verraden een afgrond die tussen ons gaapt. En nergens een brug te bespeuren.

Ik ben laat naarboven gegaan en moet vlug in slaap gevallen zijn. Ik had een heerlijke droom. Ik liep op een pad naast een rivier met mijn arm rond de schouder van een vrouw die ik bij het ontwaken identificeerde als de vriendin van Witse, maar ze geleek ook op een collega die geschiedenis doceert. Na haar borstamputatie en het wegsnijden van mijn slokdarm met tumor, heb ik haar één keer gemaild over het heilzame effect van een geneesmiddel op basis van de ginkgo biloba. Ginkgo is Japans voor ’zilveren abrikoos’ en ‘biloba’ staat volgens de plantenkundigen voor ‘tweelobbig’. Goethe heeft er een gedicht over geschreven dat ik in mijn Leuvense studententijd door mijn imposante en gesnorde prof Duitse literatuur heb horen verklaren als een symbool van ‘Wechselseitigkeit der Liebe’ - de wisselwerking van de liefde. Die uit het oosten ook bij ons sedert een paar eeuwen ingevoerde Ginkgoboom zou de enige zijn geweest die de atoomstraling in Hiroshima overleefd heeft. Snuggere lieden hebben er een patent op genomen en produceren een geneesmiddel op basis van een kruid afkomstig van de blaadjes(?), fijngemalen schil (?), merg uit de twijgen(?). Het zou de verbrandingseffecten tijdens en na een radiotherapie enigszins milderen. Ik beleefde in mijn droom een intens gevoel van samenhorigheid en geborgenheid en hoorde Guy Béart zingen: ‘Qu’ on est bien dans les bras d’une personne de sexe opposée, qu’ on est bien dans ces bras-là’. Die droom heeft me door de rest van de volgende dag gekatapulteerd. Want toen ik wakker werd had ik een lopende neus en een piepende long. Toen ik beneden het overgordijn aan het straatraam opentrok bleek kater Flor de vitrage met gordijnroede en al naarbeneden gekieperd te hebben. In tegenstelling tot de ochtenden waarop Michel Bottu indertijd via de radio aanraadde de dag te beginnen met driemaal ontspannen rond de keukentafel te lopen, zwaaiend met een keukendoek, begon mijn zondagmorgen met een klimpartijtje op de ladder om alles weer min of meer bevestigd te krijgen. Nadien heb ik met Jenik een parkwandeling gemaakt en de egel zien zitten op dezelfde plaats als gisteren, onder een dode boomstam. Gisteren bewoog hij zijn snuitje nog, nu vermoed ik dat hij dood is. Thuisgekomen heb ik geprobeerd een gesprek aan te knopen met mijn geliefde, maar blijkbaar niet de juiste introductie, de gepaste toon of het geschikte onderwerp gevonden. Onze geblokkeerde communicatiemarathon is nu, schat ik, aan km 30 toe. Er zijn dus nog wel wat kilometers te lopen tot aan de aankomst. Daar wacht er geen zegekrans maar een grafkrans voor onze relatie. Om mijn depressie die om de hoek zit te gluren wat terug te dringen ben ik - voor mijn doen tamelijk uitbundig en ongewoon - paasbloemen, een ranonkel en een zonnig chrysantje gaan kopen en heb de bloempotjes verdeeld over de voor- en middenkamer. Kater Flor heeft er al wat zitten aan knabbelen, hun overlevingskans in de toekomst is dus onzeker. Dan ben ik Zuidland van Thomése opnieuw beginnen lezen omdat ik volgende week aan de aankomende bachelors wat wil vertellen over datgene wat postmoderne verhalen postmodern maakt.
Aan het einde van Zuidland komt Jacob Roggeveen, die tegen zijn zin erop uittrok om Australië te ontdekken, tot het besef dat hij altijd het leven heeft geleefd van een ander. ‘Zijn eigen leven was niet geleefd, het was leeg alsof het nooit bestaan had. Was hij dan toch gelukkig? Nee, hij was niet gelukkig. Hij was onverschillig. Als een steen die afslijt door het leven dat aan hem voorbijtrekt.’
Morgen moet ik om 9 u in het UZA zijn om via een punctie het pleuravocht uit mijn linkerlong te laten weglopen, nadat een eerdere poging eind vorige maand is mislukt met nogal spectaculaire gevolgen.
Voor het vertrek naar het academisch ziekenhuis las ik bij het ontbijt in De Morgen dat een interne audit, uitgevoerd bij de afdeling Wegen en Verkeer Oost-Vlaanderen, aan het licht had gebracht dat de aannemers van wegenwerken de overheid systematisch in de luren leggen. Ik bekeek de cartoon waarin ZAK twee Amerikaanse soldaten opvoert die zopas een doos met een pizza in de handen gedrukt hebben gekregen van een pizzaboer die ‘Ciao’ roepend en zijn hand opstekend wegrijdt op zijn motorfiets. In de tekstballon van een van beide Amerikanen staat te lezen: ‘Ze zullen niet gauw meer vergeten stoppen’.In Irak is een paar dagen geleden de Italiaanse geheimagent Nicola Calipari in het hoofd geschoten door een Amerikaanse patrouille toen hij de vrijgelaten journaliste Giulana Sgrena naar de luchthaven van Bagdad bracht. In de auto, op weg naar het UZA, bedacht ik dat dit misschien het laatste was dat ik in een krant gelezen en gezien had. Tijdens een vorige - mislukte - poging tot evacuatie van pleuravocht via een punctie, was ik op de dienst Spoedgevallen terechtgekomen ‘na kortstondige CPR na extreme vagale reactie op pleurapunctie’ zoals de cardiologe van dienst in haar verslag aan mijn huisarts meldde. Via Google heb ik toen opgezocht en geleerd dat CPR staat voor Cardiopulmonary resuscitation. Men heeft mij veertien dagen geleden dus kortstondig moeten reanimeren na een hartstilstand. Als ik de autoweg verlaat om via de korte steile afslag naar het ziekenhuis te rijden heb ik volgende gedachte: stel dat over een uur het licht in mijn bestaan opnieuw en nu definitief uitvalt, dan is dat krantenbericht in De Morgen over het gesjoemel van aannemers van wegenwerken in dit land de laatste tekst die ik bewust gelezen heb. Is dat een morbide gedachte?
De punctie verloopt voorspoedig en ‘s avonds, terwijl mijn geliefde naar haar shrink is, kan ik zonder schuldgevoelens verder werken aan mijn uitleiding bij de verzamelde gedichten van Pernath, die in de slotregels van zijn zelf gefabriceerde achtste hoofdzonde aan het einde van de gelijknamige cyclus deze versregels schrijft:
‘Ik smeek om een liefde die me in beslag neemt,
Het bezweren van een ouderdom die in ons knaagt(...)
Want niemand wordt geroepen maar iedereen gedwongen.’


In die verzen kan ik moeiteloos de onlust, de onrust, het verdriet, de verwijdering, de woordenloosheid, de afwezigheid van intimiteit projecteren die mij kwelt. Pernaths verzen drukken uit wat ik niet gezegd en waarschijnlijk ook niet gerealiseerd krijg. De ‘roeping’ die mijn jeugd door nauwe kloostergangen heeft gevoerd is een bolster zonder vrucht gebleken, aan de stekels ervan kwetst mijn geliefde zich. Wat mij nog aan leven rest zit in een korset dat mij psychisch en fysiek overeind houdt. Zal ik het even pathetisch formuleren?. In mijn droom is het hert, burlend in een machtig woud, gemetamorfoseerd tot een lam konijn, opgeraapt op een braak liggend stuk grond, wachtend op de nekslag. Daarna zal het stropen vanzelf volgen.
Maar voor het zover is ga ik mijn oudste zoon bezoeken in het Bethaniënhuis te Zoersel. Praten met hem beperkt zich tot luisteren naar zijn monoloog over zondebesef en schuldgevoelens, onkuisheid, theorieën over meester en slaaf, slachtofferrol, zondebokgedrag, ongehoorzaamheid aan de Wet. Ik probeer daar dan iets tussen te moffelen over de spanning in de Champions League, de prestaties van Tom Boonen in Parijs-Nice, een terloopse mededeling dat hij niet verplicht is de problemen van anderen op te lossen, clichés over de slechte staat van de weg en de files op de ring rond Antwerpen, de naderende lente, de toffe uitstraling van Kim Gevaert, in de hoop daarmee de dwangmatige mechaniek van zijn obsessie wat af te remmen. Tevergeefs, zijn repeatknop blijft ingedrukt. Vooraleer ik in de auto stap, terwijl hij nog een twintig meter naar zijn afdeling terug te wandelen heeft, vraagt hij me een knuffel. Een paar minuten eerder had hij mij nog bekend hoe vies en zondig hij zichzelf voelde. En ook dat angst de kern van zijn probleem was. Vader van 61 omarmt even zijn zoon van 30 en streelt hem zacht over zijn wang.
Thuis gekomen krijg ik telefoon van zijn agorafobe broer uit Fase C van het Psychiatrisch Ziekenhuis te Duffel. Hij zal zijn studio in Mechelen tegen half maart moeten ontruimen. Binnenkort zal hem worden meegedeeld wat de mogelijkheden zijn van beschut wonen in het Duffelse. Hij heeft er een griepaanval bovenop en morgen komt zijn vriendin hem bezoeken. Zonder de kat, hoopt hij, die ze vorig weekend aan een leibandje heeft meegebracht op twee bussen van De Lijn, helemaal vanuit Antwerpen Dam. Ik beloof dat ik hem morgenavond zal opbellen om te horen of hij zich al wat beter voelt.


Eine Träne ist gefallen in mein Gemüt,
und ist mit Wund und Wunder
verblüht in einem Lied.


Aan de Antwerpse universiteit werd op een geleerd colloquium over Trauma studies betoogd dat in deze strofe uit een Jiddisch lied de wonde mee de vorm bepaalt van het woord en dat het woord de wonde een naam geeft, waardoor ze pas tot een openbaar bestaan komt. Zo is het. Met dit verhaal ruk ik de pleister van mijn kwetsuren en laat ze aan iedereen zien. Het metamorfoseert mijn tranen tot een lied. Morgen zing ik een nieuwe strofe.
Die strofe luidt als volgt: om halfnegen - een toch wel heel vroeg moment om bevlogen over literatuur te spreken - ben ik met duidelijk plezier, hoewel tamelijk onuitgeslapen, college beginnen geven over de generatie Nix met de ‘liefderatuur’ van Giphart en Blauwe maandagen van Grunberg. Omdat hij genomineerd is voor de Gouden Uil heb ik ook een paar citaten uit De asielzoeker voorgelezen, waaronder deze: ‘De meeste mensen neuken met elkaar, maar horen niet bij elkaar. Wij neuken niet met elkaar, maar wij horen bij elkaar.’ en ‘Het leven is een voorlopige mislukking, de dood een definitieve, zo moet je het bekijken’.
Dat ik juist die zinnen geplukt heb uit de 350 pagina’s die De asielzoeker telt zal wel geen toeval zijn.
Na de middag heb ik mijn zoon helpen verhuizen uit zijn studio in Mechelen, waar hij amper 10 dagen heeft gewoond. Ondertussen was mijn geliefde met haar dochters naar Tongeren voor een uitgebreid saunabezoek, massage inbegrepen. In Mechelen heb ik kennis gemaakt met Kim, een Koreaanse Belgische, en haar zoontje Jens, een frêle jongetje van een jaar of zes dat na 18 operaties zelfstandig kan lopen. In zijn hoofdje zit permanent een buisje dat ervoor zorgt dat het hersenvocht gedraineerd wordt, zodat hij behoed blijft voor een waterhoofd. Kleine Jens stond aanhoudend lief te vragen of hij mee met de auto mocht. Ik moest hem telkens opnieuw uitleggen dat de auto vol spullen van mijn verhuizende zoon zat en dat er helemaal geen plaats meer was voor een passagiertje. Kim is manisch depressief, leeft gescheiden van de vader van haar zwaar gehandicapt kind en heeft mijn agorafobe zoon in Duffel leren kennen toen ze daar samen n.a.v. het 20-jarig bestaan van DOMUS, een vzw die vormen van beschut en begeleid wonen organiseert, Romeo en Julia acteerden in een Revue geregisseerd door TV-acteur Luk D’Heu. Hartverwarmend en ontroerend is de solidariteit tussen mensen die geregeld als geslagen honden in de mand van de psychiatrie belanden en daar met grote ogen zitten te wachten op de hand die ze kunnen vertrouwen om hen bij de halsband terug in de reële wereld te voeren.

Bij de kinesist bij wie ik wekelijks een paar uur ga oefenen om te voorkomen dat een nieuwe hernia mijn onderrug zo stijf maakt dat ik geen auto meer kan rijden of een trap oplopen zonder problemen, stond vanmorgen een doosje pralines van Leonidas omdat het de laatste werkdag van een stagiaire was, Bénédicte, die er drie weken lang de toestellen heeft leren bedienen en de oefeningen voorbereiden en begeleiden van de rug- en neklijders, de verongelukten met een arm of een been dat er nog wat slapjes bijhangt, de Alzheimerpatiënt wiens mobiliteit in stand gehouden wordt door uitstapjes van de ingang tot het einde van de zaal en het beklimmen van een binnentrap, de gebronsde atleet die na een letsel opgelopen op training langzaam weer zijn conditie opbouwt.
Toen ik met een eenvoudige buikspieroefening bezig was, die haast geen concentratie vereist, zag ik al die mensen rondom mij handelingen verrichten in de hoop er beter van te worden. Ik herinnerde mij het verhaal uit het Johannes-evangelie van de man die bij de Schaapspoort in Jeruzalem aan de rand van een bad met vijf zuilengangen zit te wachten tot een engel in het bad zou afdalen en het water in beweging brengen. Wie dan het eerste in het bad was, werd gezond, wat voor ziekte hij ook had. Ik had de onzinnige gedachte dat het wel plezierig moest zijn om zo, zonder inspanning, alleen door te voldoen aan de voorwaarde ‘eerst is eerst’, fysiek weer helemaal gaaf te worden. Waarom kon dat indertijd in Betsaïda en kan dat vandaag de dag niet meer op het Eksterlaar?

Maart is ondertussen zo ver gevorderd dat vandaag, op de feestdag van Sint-Jozef, vaderdag wordt gevierd. Van mijn dochter heb ik een kaartje gekregen. Voor de rest stilte op alle fronten.
Vandaag wordt ook Milaan-San Remo gereden. Wie zou er nog weten dat Loretto Petrucci die voorjaarsklassieker twee jaar na elkaar gewonnen heeft, als ik me goed herinner in 1952 en 1953? Dit jaar heeft Petacchi gewonnen.
De Gouden Uil is toegekend aan Frank Westerman voor El negro en ik. In zijn dankwoord na de ontvangst van de 25.000 euro pleitte hij voor de afschaffing van het genre-onderscheid fictie en non-fictie. In de plaats moeten frictie en non-frictie komen.
Mijn agorafobe zoon kreeg het weer erg benauwd toen hij in het Dexiafiliaal van Duffel een viertal overschrijvingen wou uitvoeren. Ik zie geen echte verbetering na 9 maanden opname en therapie. Gisteravond zei hij me aan de telefoon: wat baat het me als ze me weer zover brengen dat ik buiten kom, trein en bus neem, naar de winkel ga, een werkstage doe, als ik geen thuis heb waar ik me veilig en geborgen voel. Ik kan hem zo’n thuis niet (meer) geven en praat in mijn onmacht zo affirmatief mogelijk om die kern heen: het zal je wel lukken, zoon, kop op, dag na dag, beetje bij beetje, etc. etc. Ik kon vanmiddag, toen ik hem naar zijn lief reed die vier hoog in een studiootje op Antwerpen-Dam woont, niet veel meer doen dan mijn hand vertrouwelijk op zijn knie leggen in een poging in dat minimale gebaar een maximum aan affectie te leggen. Hij legde zijn hand boven op mijn hand. Dan doken we met een zucht van zijn kant de Craeybeckxtunnel in.

Na een paar uur kommaneuken - de tekst nakijken van het nawoord in de Verzamelde gedichten van Pernath - heb ik voor het avondeten gezorgd en, terwijl mijn geliefde naar haar shrink was, ben ik mijn agorafobe zoon onaangekondigd gaan opzoeken in Duffel. De temperatuur was zacht, de lenteatmosfeer werkte aanstekelijk en ik hoopte hem te verrassen met mijn bezoek. We zouden samen iets lekkers kunnen gaan drinken in een sympathiek cafeetje aan de Nete. Toen ik aankwam ben ik, tegen het reglement in, op de deur van zijn kamer gaan kloppen. Hij lag op bed te lezen in een detective van het Zweedse koppel Sjöwall en Wahlöö en was blijkbaar overrompeld door mijn onverwachte komst. Zonder de ironie van zijn vraag te beseffen, vroeg hij me of we dan in de put gingen zitten. Hij bedoelde de zitkuil die als bezoekersruimte dienst doet. Ik heb dan een uurtje met hem in de put gezeten. Wat gepraat over zijn ex-kamergenoot die vorige week, misschien niet bedoeld, door de inname van een ongelukkige combinatie van medicijnen gestorven was. Hij liet me ook een sms-berichtje op zijn gsm lezen waarin een kameraad van hem liet weten ‘dat hij best zo vlug mogelijk de pijp uitging’.
De afzender was de zoon van een steenrijke slager, die mijn agorafobe zoon met zijn BMW twee seizoenen lang mee naar Standard had genomen als die ploeg in het weekend thuis speelde. Beiden zijn supporters van de Luikse club met al wat erbij hoort: shirts, sjaals en gadgets. Vorig jaar is de slagerszoon zonder brilletje aan de knie geopereerd wegens een kwaadaardig gezwel. In het begin van volgende maand moet hij opnieuw onder het mes voor een longtumor.
Met dat bericht kon mijn Goede Vrijdagavond niet meer stuk.


Ik paste niet meer
in je wereld, we zagen
het aan, we zwegen
Iemand wenkte jou, mij: kom
wees dan eindelijk bevrijd

Dit zijn verzen uit de cyclus ‘Verlies’ in de dichtbundel Huisbroei van ene Job Degenaar. Het zijn geenszins beklijvende, laat staan grensverleggende regels, maar ze weerspiegelen bijzonder helder de relatie tussen mij en mijn geliefde.

Ik ben mijn manisch-depressieve zoon gaan opzoeken in het paviljoen Kruispunt in Zoersel. Hij had last van een ontstoken teen en het weer was regenachtig fris. Daarom zijn we naar het burgerlijk café bij uitstek van de trappisten in Westmalle gereden. Ik had de indruk dat zijn godsdienstwanen wat gemilderd waren en dat hij probeerde zich wat meer op de realiteit van alledag te concentreren. Toch wist hij me nog te vertellen dat volgens de Gazet van Antwerpen onlangs in Spanje nog een tegenpaus, Gregorius XVII, was gestorven. En dat hij het een heel goede zaak vond dat de huidige echte paus van Rome, Johannes Paulus II, het beeld van zijn lijden aan de hele wereld opdrong.
Lijden is immers de essentie van het leven op aarde hoewel de mensen dat niet geweten willen hebben. Hij dronk ondertussen een trappist die hem kennelijk smaakte.

Op deze laatste dag van maart ben ik al om halfvijf wakker. Ik draai rond - elke morgen opnieuw - in een onbesliste vragencarrousel: welke beslissingen had ik beter niet genomen? Welke afspraken blijken funest te worden? Hoe zwart moet ik de toestand van mijn verknipte jongens inschatten? Wat is het soortelijk gewicht van mijn huidige relatie? Hoelang zal het duren voor er opnieuw ‘maligne’ cellen in mijn lijf opduiken?
Ooit was er alles,
ooit was alles goed,
ooit was het goede alles.

Liefste, nu is er niets,
versta me toch, alles
is goed behalve niets.

Dat zijn verzen van Mark Insingel. Het gaat om een eerste versie die hij later gewijzigd heeft. Ik hou het bij deze versie.
Liefste, versta me toch, alles is goed behalve niets.


© Joris Gerits

 

inhoudsopgave nr. 90


abonneren

Een abonnement op de papieren versie van De Brakke hond kost slechts 32 euro. Klik hier voor een abonnement.

Nummer nabestellen? klik hier.

boekenlinks

Proxis
boekenbank
DBNL

Over De Brakke Hond

De Brakke Hond is geen tijdschrift voor hondenliefhebbers die zich interesseren voor hondenvoeding, hondenverzorging, puppies en hondenvakanties, het bevat 100% literatuur.


nieuwsbrief

Schrijf u in op onze nieuwsbrief "Letters". Vul hier uw e-mailadres in:


AanmeldenAfmelden


Powered by YourMailinglistProvider.com





design: wwww.mixette.com