| |
|
Op een donderdagnamiddag stak de wind op. Hij deed de luiken van de
ramen kletteren en joeg de kippen naar hun hok. Verderop zwiepten de
takken van de bomen in de boomgaard op een verraderlijke manier, alsof
zij geheime signalen doorgaven naar hun bondgenoten in de hemel. Het
waren de bomen die ik het meest wantrouwde. Van alle levenden wezens
maakten zij de meeste kans ons te overleven. En ons op te volgen als
heersers over de wereld. Toen de wind gaandeweg sterker kwam opzetten,
werden hun bewegingen intenser, en wat mij betrof hun bedoelingen des
te duidelijker: er waren nog mensen in het huis en die dienden te verdwijnen.
Ik sprak daar Felis over aan, mijn broer. Hij
haalde de schouders op. “Ze kunnen weinig doen, die bomen,” zei hij.
“Ze hebben diepe wortels en vallen heus niet om, en wandelen doen ze
ook al niet. We hebben niet veel van hen te vrezen. Ik maak me meer
zorgen om de kippen. Dat hok is niet bepaald sterk.”
De kippen, daar had ik nog niet aan gedacht.
Kippen zijn de verre nazaten van dinosauriërs. Iedereen weet hoe lang
die over de aarde regeerden, en met welke hardnekkige wreedheid.
Ze zouden dat nog steeds doen, ware het niet dat die meteoor hun grootste
en meest ferocieuse soortgenoten had uitgeroeid. Lang daarna was de
mens gekomen. Je zag nog steeds aan de kippen dat ze ons ons succes
en onze heerschappij misgunden. Wij in huizen en zij in een hok. Dat
was natuurlijk een hele achteruitgang, voor hen.
Felis had gelijk: we moesten de kippen in de
gaten houden. Beter nog: we moesten ze in dat hok houden, anders drongen
ze misschien het huis binnen.
Tegen de avond was het echt een aanzienlijke
storm geworden. Stof en bladeren stoeiden heftig op de binnenplaats
en vormden buitenissige spiralende patronen. Ik hoorde het dak kraken,
alsof het mee wilde doen aan de rondedans. Felis en ik hadden geprobeerd
de luiken van de ramen vast te maken, maar dat was ons pas na flinke
inspanning gelukt.
“Hebben we nog genoeg te eten in huis?” vroeg
hij. “Want het ziet er naar uit dat deze storm een tijdje zal aanhouden.
De lucht ziet helemaal paars, van noord naar zuid.” Ik stelde hem gerust.
De kippen zouden eerder van honger omkomen dan wij. Al wist ik dat nog
niet zo zeker. Aan het eind, als het probleem zijn hoogtepunt heeft
bereikt, komt het er op aan wie wie opeet. Hoe dat in ons geval zou
gaan, kon ik niet voorspellen.
Toen we gingen slapen leek het alsof het huis
naast een enorme waterval stond. De storm maakte aanhoudend kabaal en
joeg ons verscheidene keren uit ons bed. Het kraakte en denderde, en
misschien was er ook bliksem en donder, maar overlast was het zeker.
Uiteindelijk sliepen we een paar uren, maar de ochtend vond ons allesbehalve
fris terug.
Met enige moeite bereikte nonkel Alberto ons.
Hij reed met een oude, kleine vrachtwagen, waarvan de flanken het favoriete
slachtoffer van de winden leken. Dat het voertuig niet kantelde mocht
een wonder heten. “Sinds veertig jaar heb ik geen storm meer meegemaakt
zoals deze,” zei hij. Hij keek in de richting van ons kippenhok, waar
geen beweging te bekennen was. “Dit is niet natuurlijk meer.
Het is een straf van God. De mensheid gaat eraan.”
“Het duurt een paar dagen en dan is ’t voorbij,”
zei Felis beslist. “Zoiets komt wel meer voor. Nadien lachen we erom
en we vertellen het aan onze kleinkinderen.”
“Jij zal nooit kleinkinderen hebben,” waarschuwde
nonkel Alberto, terwijl hij over de drempel naar binnen stapte. Zelf
had hij weinig te lijden van de wind en de storm. Zijn bijna perfecte
bolvormige gestalte was van nature stormbestendig. Ik vroeg me af welk
lot de kippen voor hem in petto hadden
Hij nam plaats aan ons tafeltje. Felis schonk
hem een glas brandewijn in.
“Ah, jongens,” zei hij. “Jullie moeder zaliger
heeft jullie christelijk opgevoed. Dat ziet een mens vandaag de dag
nog maar weinig. Zeker in de stad.”
Wij hielden niet van de stad, Felis en ik.
Daar zou de storm erger huishouden dan op het land. Maar in de stad
waren er dan weer geen kippen. “En honden?” vroeg Felis telkens wanneer
ik over het voordeel van het ontbreken van kippen in de stad praatte.
“Wat dan met de honden? En de katten?” “Dat zijn zoogdieren,” zei ik.
“Familie van de mens. Zie je meteen aan hun gedrag. Heb je al ooit een
kip gezien die zich went aan de mens? Honden en katten wel. Die doen
ons niets.”
Hij zat nu tegenover nonkel Alberto. We dronken
alledrie brandewijn. Vanwege de storm konden we niets anders doen. Ik
vroeg me af waarom nonkel Alberto de storm getrotseerd had in zijn wrakke
vrachtwagen. Alleen maar om met ons een glas brandewijn te kunnen drinken?
Hij had zich duidelijk niet geschoren. En, eerlijk gezegd, zijn ogen
stonden nogal wild. Maar dat kan je hebben van door een storm te rijden
in een gammele vrachtwagen.
“Ik blijf niet lang, jongens,” zei hij. “Ik
moet naar de stad om Adelfine op te halen. En dan helemaal weer dat
hele eind terug naar huis.”
Adelfine, zuchtte ik. Zijn dochter en dus mijn
nicht. We waren ongeveer even oud, en ik was verliefd op haar geworden
toen we beiden zes waren en engelnaakt in het vijvertje hadden gezeten.
We hadden toen, gefascineerd, elkaars kleine verschil geëxploreerd.
Neen, zei ze, dat van haar was niet afgebeten door een kat, dat was
een onnozel verzinsel. Ik demonstreerde mijn mannelijkheid door ver
over de oever van het vijvertje en in het gras te plassen, wat haar
verrukte. Toen we veertien waren gaf ze me mijn eerste zoen, gewoon
maar om te weten hoe dat ging. Er was geen romantiek tussen ons, alleen
maar plagerij.
Felis zei: “Waarom haalde je haar niet eerst,
dan zagen we haar nog eens een keertje.”
Precies dat haatte ik bij mijn broer: de vanzelfsprekendheid
waarmee hij bezit nam van al mijn herinneringen. Dat deed hij door mij
steeds te vertellen waarom moeder van hem had gehouden, waarom zij altijd
de beste plaats aan tafel voor hem vrijhield, hoe ze het ontbijt maakte
en hoe ze voor ons zong toen we kinderen waren. Hij vertelde me dat
hij met Adelfine in het vijvertje had gezeten, naakt uiteraard. Hoe
ze mekaars lichaam hadden onderzocht terwijl niemand er erg in had gehad.
Hij vertelde me over de huisdieren die we hadden gehad en die waren
doodgegaan. Hij vertelde me dat hij de naderende dood telkens in hun
ogen had gezien, net zoals hij nu de storm had voelen aankomen.
“Nou, jongens,” zei nonkel Alberto. “Dat gaat
niet zo. Er is een logische volgorde, dat weten jullie. Ik breng zo’n
meisje niet zomaar hier naartoe. Ze heeft nu een tijdje in de stad gewoond.
Jullie weten niet hoe de stad is, maar neem van me aan dat het er anders
aan toe gaat dan hier op het platteland. Ik durf zelf nauwelijks met
die oude vrachtwagen de stad in.”
“Te min voor haar, nietwaar?” zei Felis. “Een
vuile troep, hier op het platteland, nietwaar? Ze verloochent toch niet
waar ze vandaan komt, mogen we hopen? Herinnert ze zich nog haar familie?
Herinnert ze zich nog het oude huis waar ze vandaan komt?”
Nonkel Alberto schudde reeds van bij die eerste
woorden het moede, grijze hoofd. Zijn dochter, zo overdacht ik, leek
in niets op hem. Waar hij kort en breed was, was zij bijna onmogelijk
lang en slank. Hij was donker, zij donkerblond. Zij was niet geschikt
voor een leven op het platteland. De wind, die het huis heen en weer
schudde, gaf me daarin gelijk.
Nonkel Alberto was al aan zijn derde glas brandewijn
toe, en het zag er niet naar uit dat hij nog de stad zou halen. “Blijf
hier slapen, nonkel Alberto,” zei Felis. “De baan is niet verlicht,
zoals in de stad. De wind pakt je vrachtwagen op. Adelfine verliest
haar vader. Beter dat ze een dag langer in de stad blijft. Morgen ga
je haar halen en je brengt haar hier naartoe.”
Nonkel Alberto liet zich in een hoek op een
stapel zakken vallen en sliep meteen. Ook Felis en ik gingen naar bed,
maar veel slapen deed ik niet. Ook op die manier ging de nacht door
en bereikten we een welige ochtend. Verscheidene luiken van de ramen
waren verdwenen. Buiten lag een van de koeien dood op het erf, al wist
ik niet hoe die daar gekomen was. Het leek op een complot van de kippen.
Echt iets voor hen. Die kippen zijn laffe verraders. Felis stond naast
me, naar de koe te kijken. We konden niet zien waar de vrachtwagen van
nonkel Alberto stond. Mogelijk was hij weggewaaid. Dit was al de derde
dag waarop de winden waaiden. We hadden geen radio en wisten dus niet
wat de volgende dagen en uren zouden brengen, op weergebied.
Het was voorbij negen toen nonkel Alberto met
zijn vrachtwagen vertrok. Hier en daar was het dekzeil van het voertuig
gescheurd, maar nonkel Alberto besteedde er geen aandacht aan. Terwijl
de wind probeerde onze oren van ons hoofd te scheiden, wuifden we hem
uit. We hielden elkaar staande tot Alberto om de hoek van het bos was
verdwenen en strompelden dan naar binnen. Ik wierp een laatste blik
op het kippenhok, waar geen beweging waar te nemen was.
Felis en ik bleven de rest van de dag binnen.
We aten soep en brood, en we dronken onder ons een fles wijn leeg, eentje
uit de kelder. Af en toe rammelde het dak onrustwekkend. Het werd namiddag.
De zon bleef de hele dag verduisterd. Dat was al drie dagen lang zo.
Felis had in een krant iets gelezen over het klimaat dat overal ter
wereld wijzigde. Hij lachte daarmee. Voor hem bestond de wereld niet.
Er was het dorp en de stad, en dat was al wat hij kende.
In de late namiddag kon ik het niet meer uithouden
in het huis. Ik stapte naar buiten. De scherpe wind rukte aan mijn haren
en aan mijn kleren. Ik bleef zo dicht mogelijk bij de muren van het
huis. Hard stof waaide in het rond. Ik kreeg ervan in mijn ogen en oren.
Er was nergens in ’t bijzonder waar ik naartoe kon of wilde. Het leek
me een goed moment om me dingen uit mijn jeugd te herinneren. Er waren
heel wat dingen in mijn jeugd gebeurd, maar veel daarvan was ik vergeten.
Wat ik nog wel wist waren precies die dingen die ik mezelf voortdurend
opnieuw vertelde, opdat ik ze niet zou vergeten. Zo was er een dag in
de kleuterschool toen ik meende gezien te hebben dat één van de meisjes
die ergens vooraan in de klas zat geen broekje onder haar jurk droeg.
Om dat vooralsnog te verifiëren rende ik tijdens de pauze als eerste
de trap af en wachtte beneden tot de anderen passeerden, maar een blik
op haar blote billen werd me niet gegund. De idee dat kleine kinderen
geen erotische gevoelens hebben is daarmee dan ook uit de wereld geholpen.
Het is niet vreemd dat nogal wat van mijn meest prille herinneringen
te maken hebben met erotiek. Broekjes, billen, blote dijen. Het kleine
verschil tussen Adelfine en mij, een episode die ik weer opeiste. Of
ik haar ook heb aangeraakt herinner ik me niet meer. Kijken deed je
wel, maar aanraken zéker niet.
Daarbuiten stond ik dan, gejaagd door een stormende
wind die nu al drie dagen waaide en geen teken van vermoeidheid vertoonde.
Om hem te vergeten probeerde ik me nog andere dingen uit mijn jeugd
te herinneren. Mijn grootmoeder, die verschrikkelijk bijgelovig was,
die de wereld niet begreep, die niet naar de radio wilde luisteren en
geen kranten las, en steeds herhaalde dat de wereld ten onder ging aan
de slechtheid van mensen. Zo is dat met ouderen: ze keren zich af van
al de wonderen van de moderne wereld en zien slechts het Kwaad overwinnen.
Ik probeerde me de dag te herinneren toen mijn
moeder stief, maar dat lukte me niet. Allicht was de wind gewoon te
sterk, had hij sommige herinneringen uit mijn hoofd gejaagd. Tijdens
zo’n momenten daalt een zwart voile over je geheugen neer. Ik keek op,
zo goed en kwaad als mogelijk, en merkte dat ik pal voor het kippenhok
stond. Het leek niet beschadigd door de storm. Ik duwde tegen het luikje,
hurkte neer en keek naar binnen. De kippen zaten rustig op hun stokken,
alsof er geen storm was, en ze keken allemaal naar mij.
Felis zorgde voor het avondeten. Ik was weer
naar binnen gestapt en vond een plaatsje in de sofa. Hij droeg een ruw
werkhemd, met opgerolde mouwen. Omdat ik me niet kon herinneren wat
voor een dag het was keek ik naar de kalender tegen de muur. Het was
een maandkalender en hij vertelde me slechts dat het juni was, de verkeerde
maand voor stormen. Het hoorde rustig en warm te zijn in juni. “Hoe
is het buiten?” vroeg Felis, terwijl hij met vlees en aardappelen bezig
was. Er stond ook soep te koken. “Is er enige verandering in zicht?”
Ik dacht aan het gedrag van de kippen. Elke
verandering kon wel eens in ons nadeel zijn. We zouden overrompeld worden
door gevederde tegenstanders, onder de voet gelopen door een leger van
verbeeldingsloze laat-dinosauriërs. Het was, anderzijds, misschien niet
het slechte moment om vegetariër te worden.
“Geen verandering,” zei ik dan toch maar.
“Hoe lang duurt dit nu al?”
“Derde dag.”
Felis schepte de soep in de twee armzalige,
gekraakte borden. “Derde dag? Eergisteren is het pas in de late namiddag
beginnen waaien.”
Felis zette graag de puntjes op letters waar
puntjes hoorden te staan, ook wanneer hij gelijk had. Opnieuw dacht
ik aan Adelfine en het vijvertje en onze witte lichamen. Zo wit als
kippenvlees, dacht ik plots, een onaangename associatie. “Komt nonkel
Alberto nu terug of niet?” wilde hij weten.
“Heeft hij dat gezegd?”
“Kan ik me niet herinneren.” Felis was niet
zo sterk in het zich herinneren wat mensen tegen hem zeiden.
Tegen het donker aan waagden we ons nog een
keertje buiten. In de verte wuifden hele rijen bomen naar ons. Veel
bladeren leken ze niet meer te hebben. De dode koe op het erf was tot
in een hoek geschoven, waar ze grotesk met de poten uitgestrekt lag.
We moesten een opruimer laten komen, maar omdat het veeleer koud was
en de stank van het beest toch niet bleef hangen, deden we er voorlopig
niets aan. We wilden ook niet te ver de deur uit. Een storm die een
koe verschalkt heeft zondermeer vrijspel met een mens.
Het geluid van de vrachtwagenmotor kwam pas
boven de storm uit toen het voertuig al het erf opreed.
Ik had alleen oog voor Adelfine, die zelfs
in deze onmogelijke storm schitterde, alsof ze een méér dan ruime compensatie
was voor het geselen van de aarde. Nonkel Alberto daarentegen zag er
precies uit alsof hij bij deze storm paste. Hij zag eruit alsof hij
met onzichtbare draden aan een poppenspeler vastzat, die hem ertoe had
aangezet zijn krakende voertuig tot op ons erf te sturen, wat hij nooit
uit zichzelf zou gedaan hebben. Adelfine hield zich kranig tegen de
storm, als een heilige tijdens een barbaarse inval, haar haren romantisch
wapperend. Ze sloot de deur van de vrachtwagen. De blankheid van haar
hand vervoerde me. Ik reikte haar mijn eigen hand, maar die had ze niet
nodig. Ze had mij helemaal niet nodig. Het vijvertje en het verkennen
van het andere lichaam had ze niet meer nodig.
Felis hield met enige moeite de deur open.
Nonkel Alberto haastte zich naar binnen, zonder enig ceremonieel. Adelfine
gleed langs mij heen, en ze wierp de schaduw van een glimlach naar mij.
Ik volgde haar naar binnen, waar de storm een verre herinnering werd.
Zolang je tenminste niet naar het kraken van het dak en het klepperen
van de luiken luisterde. Want dan wist je wie werkelijk de wereld in
bedwang hield.
Nonkel Alberto en Adelfine zaten aan het tafeltje,
waar er nauwelijks plaats was voor vier personen. Felis haastte zich
naar buiten en verdween vervolgens in het keukentje, waar hij meteen
met potten begon te rammelen. Adelfine had weinig te vertellen over
haar verblijf in de stad, en nonkel Alberto onderhield dan maar de conversatie,
over zijn desoriënterende en schijnbaar niet van gevaren ontblote trip
naar de stad waar de storm en de winden lelijk hadden huisgehouden.
Meermalen had hij, met een zwierigheid die hij vlot toegaf, hindernissen
moeten vermijden. Radeloze mensen hadden hem aangeklampt, omdat hij
als plattelander een verklaring diende te hebben voor dit rampweer.
Misschien zagen de mensen in hem zo’n beetje een profeet, met die gekke
kleren van hem – opperde hij. Maar van nonkel Alberto was geweten dat
hij een beeld van zichzelf had dat niet met de werkelijkheid overeenkwam.
Adelfine leek weinig te horen van wat hij zei.
Ze keek in de oneindige verte, ook al eindigde haar visuele horizon
vier meter verderop bij de muur van onze woonkamer. Vanuit de keuken
kwamen aangename geuren ons tegemoet. Felis deed weer wonderen met het
weinige dat we hadden. Verder besteedde ik er geen aandacht aan. Die
ging helemaal naar Adelfine. Zij echter leek zich nauwelijks van mijn
aanwezigheid bewust. Ze luisterde naar een innerlijke stem. Onze armoede,
die tegelijk haar afkomst was, bestond niet voor haar. Ik was dwaas.
Ik dacht aan haar als het meisje met wie ik naakt in een vijvertje had
gezeten. Maar dat was een ander meisje. Die jongen was ook iemand anders.
Ik had hem jaren geleden al van me afgeschud, als een versleten jas.
En ongetwijfeld had zij dat ook gedaan.
Ik kon Adelfine nu pas zien voor wat ze was:
een debutante op weg naar een soort halfleven in de grote stad, waar
ze nooit zou passen en evenmin zou aarden. Maar waar ze voor mij onbereikbaar
zou zijn.
Felis gooide de deur van de keuken open en
kwam naar binnen. “Dek de tafel, broer. We eten uitstekend vandaag.
En haal maar een fles wijn boven. Op de gezondheid van onze familieleden.”
Hij deponeerde een grote schotel op de tafel. Tussen de aardappelen
en de groenten, vruchten van ons eigen erf, prijkte een indringer: een
gebakken kip. Ik kon er mijn ogen niet van afhouden.
Dan merkte ik dat de storm geluwd was. Buiten
was het stil geworden. Maar die stilte vond ik schrikwekkender dan het
kabaal.
Een abonnement op de papieren versie van De Brakke hond kost slechts 32 euro. Klik hier voor een abonnement.
Nummer nabestellen? klik hier.
De Brakke Hond is geen tijdschrift voor hondenliefhebbers die zich interesseren voor hondenvoeding, hondenverzorging, puppies en hondenvakanties, het bevat 100% literatuur.
Schrijf u in op onze nieuwsbrief "Letters". Vul hier uw e-mailadres in: