Terug naar de coverTerug naar de inhoudstafel

Woord en moord / Zoals ik was (9)

Joris Note

In 1835 begon Stendhal aan Vie de Henry Brulard, het autobiografische werk waarin hij vertelde (zie De Brakke Hond 86) hoe hij als jongen verlangde en trachtte te ontkomen aan zijn onderdrukkende familie en aan zijn bekrompen vaderstad Grenoble - en hoe hem dat lukte. Het is meestal niet zo lastig om weg te raken uit een geprivilegieerd milieu.
We blijven in het jaar 1835, maar we reizen dwars door Frankrijk, diagonaal van het zuidoostelijke Grenoble naar het noordwestelijke Normandië, departement Calvados, en we belanden bij de eenzame boerenzoon Pierre Rivière. Hij had het moeilijker om te ontsnappen.
    
j’ai hâte de mourir
    
De feiten zitten vervat in teksten, ze zijn er niet uit los te breken; en de teksten houden altijd al een lezing van de feiten in, een interpretatie.
     Op 3 juni 1835 vermoordt de twintigjarige Pierre Rivière met een snoeimes zijn moeder, zijn zus Victoire (19) en zijn broertje Jules (7). Het gebeurt in hun huis in het dorp Aunay, hij gaat vreselijk te keer: de moeder, die zes maanden zwanger was, is bijna onthoofd. Tegen een vrouw die hem met zijn bebloede wapen ziet buitenkomen zegt Rivière, alvorens te verdwijnen: ‘Ik heb mijn vader verlost van zijn ongeluk, ik weet dat ze me zullen doen sterven, maar dat is niets.’ De ouders leefden al vele jaren in onmin, en volgens bijna iedereen lag de schuld bij de vrouw; de man woonde in een ander huis, samen met de oudste zoon Pierre, die bekendstond als een op zijn minst vreemde jongen, en met nog twee kinderen.
     De verzwonden moordenaar wordt een paar keer in de omgeving gesignaleerd, maar te laat herkend. (Degenen die hem wél kennen lijken niet geneigd hem te pakken of aan te geven.) Zo heeft hij ergens drie of vier uur lang gestaan ‘met in zijn hand een boek, waarin hij las. Het uitzicht van deze man liet geen twijfel dat hij in staat zou zijn geweest de moord te bedrijven.’ Hoed u voor loslopende lezers! Als ze hem aanspreken beweert hij dat hij ‘van overal’ is. Na precies een maand, op 2 juli, laat hij zich zonder verzet arresteren in een naburig dorp. Blijkbaar heeft hij zich vooral in de bossen opgehouden - als een dier, we hadden het kunnen denken: twee dagen na de moord wist de procureur al dat Rivière un être à part was, ‘een wilde die buiten de wetten van het medeleven en de sociale omgang staat’; en in de streek werd hij door sommigen la bête à Rivière genoemd.
     Bij het verhoor zegt Rivière eerst dat God hem in een visioen de moord bevolen heeft, maar al gauw verlaat hij die ‘rol’. Hij geeft toe dat hij op eigen houtje handelde om zijn vader te bevrijden van de vrouw die hem pestte en ruïneerde; de zus moest sterven omdat ze partij koos voor de moeder, en het broertje omdat hij van de twee anderen hield; naderhand zullen we voor die derde moord nog een heel ander motief krijgen.
     Nieuwe getuigenissen schetsen een beeld van Rivière. Hij was koppig, ongevoelig voor goede raad; vond plezier in wreedheid tegenover dieren; maakte graag kleine kinderen bang; zonderde zich veel af, had geen kameraden van zijn leeftijd, ging nooit naar de kroeg. Er is raar gedrag vastgesteld: dat hij voor dier speelde, dat hij bang leek te zijn voor vrouwen, dat hij in zichzelf praatte (naar eigen zeggen met de duivel of feeën), dat hij vaak lang en hard en redeloos lachte, le rire des imbéciles.
     Het is duidelijk dat hij zijn daad goed gepland heeft, tien dagen voordien heeft hij speciaal het snoeimes laten slijpen. Maar was en is hij wel toerekeningsvatbaar? Dat wordt de grote vraag. Enerzijds beschikt hij over een goed geheugen en redeneervermogen, over verbeelding en intellectuele belangstelling; anderzijds wijzen sommige gedragingen en ideeën in de richting van niet-goed-wijs. Die onzekerheid wordt niet weggenomen door het uitgebreide relaas dat Rivière tussen 10 en 21 juli in de gevangenis schrijft: Détail et explication de l’évènement arrivé le 3 juin à Aunay, village de la Fauctrie écrite par l’auteur de cette action.
     Op het assisenproces, dat in november 1835 plaatsvindt in Caen, blijken ook de medici het oneens over Rivières oordeelsvermogen en morele verantwoordelijkheid. Een gestichtsarts twijfelt niet aan de waanzin van de jongen, en hij wijst erop dat in de familie aan moederskant geestesziekte voorkwam; de moeder zelf was trouwens niet normaal in haar ruzieachtigheid, en de nog levende broer is bijna idioot. Maar de jury acht de beklaagde toch schuldig en veroordeelt hem tot de doodstraf, al wou een minderheid verzachtende omstandigheden aanvoeren. Rivière laat zich pressen om cassatieberoep aan te tekenen, maar dat wordt verworpen. Een gratieverzoek bij de koning heeft meer succes: de doodstraf verandert in levenslange gevangenis. Tot die omzetting droeg ongetwijfeld een nieuw medisch rapport bij, waarin de grootste Parijse specialisten concludeerden dat ces homicides sont uniquement dus au délire; merkwaardig genoeg steunde dat besluit alleen op lectuur van het dossier, de heren vonden het onnodig de dader te ontmoeten. (Overigens, de artsen lazen wel ánders dan de juristen, en met kennis van verschillende soorten waanzin, maar ze lazen niet beter, niet zorgvuldiger. En ze werden meer gedreven door de behoefte hun macht te demonstreren dan door menslievendheid of door interesse voor de ‘patiënt’.)
     Pierre Rivière had al dat gedoe niet gezocht. ‘Ik heb haast om te sterven,’ zuchtte hij toen ze tijdens het proces zijn moordwapen toonden. Hij moest nog wachten, tot 20 oktober 1840, toen hing hij zich op. De krant Le Pilote du Calvados gaf daar uitleg bij: ‘Sinds enige tijd toonde hij ondubbelzinnige tekenen van waanzin; Rivière geloofde dat hij dood was en wilde aan zijn lichaam geen enkele zorg meer besteden; hij zei ook dat hij wenste dat ze hem het hoofd afhakten, wat hem geen pijn zou bezorgen, want hij was dood; en hij dreigde iedereen te doden als ze die wens niet inwilligden. Wegens die bedreiging is hij geïsoleerd van alle andere gevangenen, en van dat isolement heeft hij dan geprofiteerd om zelfmoord te plegen.’ En daarmee, merkt de krant fijntjes op, is onze mening over zijn geestestoestand pleinement bevestigd.
     In het begin van de jaren zeventig organiseerde Michel Foucault aan het Collège de France een seminarie over de relatie tussen de beginnende psychiatrie en het strafrecht, anders gezegd: over de manier waarop in de vroege negentiende eeuw misdaden binnen de medische sfeer getrokken waren. Op zoek naar ‘gevallen’ stuitten Foucault en zijn medewerkers toevallig op Rivière, ze voelden zich door hem geïntrigeerd en persoonlijk geraakt. In 1973 stelden ze een publicatie samen, met als titel de beginwoorden van Rivières eigen geschrift: Moi, Pierre Rivière, ayant égorgé ma mère, ma soeur et mon frère... Het is een vrij dikke bundel teksten. Na een inleiding van Foucault volgt het dossier (270 van de 420 bladzijden): getuigenverklaringen, juridische en medische verslagen, persknipsels - en in het midden daarvan de tekst van Rivière (ruim 80 bladzijden, in een wat grotere letter). Ten slotte zijn er zeven commentaren waarin de deelnemers aan het seminarie informeren en nadenken over verschillende aspecten van de zaak (historisch, juridisch, psychiatrisch).
    
pourvu qu’on entende ce que je veux dire
    
Pierre Rivière schreef geen echte autobiografie, maar anderzijds omvat zijn relaas (zijn mémoire) véél meer dan een bekentenis van en een verklaring voor zijn misdaad. Wat ze er verder ook van dachten, zowel juristen en medici als journalisten waren onder de indruk. De stijl is verrassend, zeiden ze, er staan bladzijden in d’une éloquence remarquable, sommigen spraken zelfs van een chef-d’oeuvre. In 1973 had Foucault het over beauté.
     ‘Heel dit werk zal erg ruw van stijl zijn,’ waarschuwt Rivière nochtans meteen, ‘want ik kan alleen lezen en schrijven; als men maar begrijpt wat ik wil zeggen...’ De spelling is vrij chaotisch en de zinsbouw niet altijd vlekkeloos, maar de schrijver heeft een dringende boodschap, en hij brengt die krachtig en ordelijk en doordacht, in een pijnlijk levende taal. Je kunt bijna niet geloven dat hij zo weinig scholing gekregen had.
    
De inleidende bladzijde (wellicht achteraf geschreven?) geeft nauwkeurig de inhoud en structuur aan van wat volgt. Er zijn twee grote delen.
In het eerste deel, twee derden van het geheel, vertelt Rivière over de relatie van zijn ouders. De man ging in 1813 een echtgenote zoeken om zich te kunnen onttrekken aan militaire dienst. (Dat is veel te algemeen uitgedrukt: het ging om de eindeloze conscripties van Napoleon, die in dat jaar een sinister hoogtepunt bereikten en tot veel onmogelijke huwelijken leidden.) Een van de merkwaardigste feiten is dat de echtelieden in de loop van twee decennia maar een heel korte tijd hadden samengewoond (enkele maanden voor en na de geboorte van het tweede kind); de vrouw bleef in haar eigen dorp Corvaudon, waar haar familie grond en huizen bezat; de man kwam die grond geregeld bewerken, en had dan, soms, omgang met haar. Zij voelde niet veel voor de huwelijkse gemeenschap van goederen, bezorgde hem allerlei materiële en financiële moeilijkheden, maakte ruzie over van alles en nog wat en vertelde kwaad over zijn moeder en over hem. Verzoeningsbijeenkomsten bij de vrederechter baatten niet, integendeel. Uiteindelijk kwam de vrouw in Aunay wonen, maar ze wilde haar schoonmoeder niet in huis; het gezin bleef dus opgesplitst: de vrouw apart met één dochter en één zoontje. Ze was op een scheiding uit, maar raakte weer zwanger - niet van haar man? Daar lijkt althans Pierre van overtuigd. Volgens zijn verhaal heeft de vader zich altijd heel mild en toegeeflijk gedragen, maar op de duur koesterde hij wel zelfmoordgedachten. Dit eerste deel is verbazend gedetailleerd: niet voor niets schrijft iedereen aan Rivière zo’n uitzonderlijk geheugen toe.
Het tweede deel is wat heterogener, maar even samenhangend:
* Rivière geeft eerst een terugblik op zijn ontwikkeling. Vanaf zijn tiende gedroeg hij zich soms vreemd, en werd hij daarom uitgelachen. Rond dezelfde tijd begon hij, onder invloed van lectuur, dromen van glorie te koesteren, des idées de grandeur et d’immortalité. Hij wilde zich boven zijn stand verheffen. Seksuele gevoelens irriteerden hem, hij vond ze beneden zich, en een tijdlang schuwde hij de vrouwen van zijn familie, uit vrees voor incest; maar dat laatste gaf hij niet toe, hij ontweek de vragen en deed zich als gek voor. Hij trachtte zich te onderscheiden, onder meer door speciale werktuigen te maken. Om iemand te worden wilde hij ook studeren, en boeken kopen.
* Het verband tussen dat zelfportret en het eerste deel: Rivière was getroffen door het leed van zijn vader, en vond daarin een reden om zijn ‘algemene’ gloriedroom concretiseren: hij zou de wetten trotseren en de lastposten vermoorden. ‘Ik had in de Romeinse geschiedenis gelezen, en ik had gezien dat de Romeinse wetten aan de echtgenoot recht over leven en dood van zijn vrouw en zijn kinderen gaven.’ Hij zag zich als iemand die zich zou opofferen voor zijn vader, en ook voor de gemeenschap, een verlosser die zijn land en zijn tijd (ce beau siècle qui se dit siècle de lumière) zou bevrijden van de vrouwenheerschappij.
* Ten slotte een beschrijving van de feiten, te beginnen op de dag dat hij het snoeimes liet slijpen: hoe hij het grote moment een paar keer moest uitstellen, hoe hij zijn plan verborg; hoe hij achteraf terugdeinsde voor zijn oorspronkelijke idee om zich meteen aan te geven, hoe hij rondzwierf, hoe hij gearresteerd werd en korte tijd de gek uithing.
Ziezo: ‘nu ik heel mijn monsterlijkheid heb doen kennen... wacht ik op het lot dat voor mij bestemd is’.
    
Deel I is een requisitoir, het beschrijft de misdrijven van de moeder tegen de vader; deel II laat zien hoe de zoon daarop reageert in de plaats van de vader. De vader wordt door de moeder onderdrukt en beroofd, maar de zoon identificeert zich vooral met vaders vernedering. De moeder, met steun van de dochter, bespot de vader, maakt hem belachelijk in de ogen van de mensen; alleen al doordat hij niet bij haar mag wonen is hij een man die zich niet als man kan laten gelden, en hij wordt in meer dan één opzicht bedrogen. Het gaat dus deels om seksuele vernedering. Pierre zal opkomen voor zijn vader en voor de door vrouwen overhoop gehaalde maatschappij, maar hij is zélf ook bang voor het andere geslacht, en voor seks. Is het niet simpel dan? Vrouwen die hun plaats niet kennen, een kuise jonge held die wraak neemt en orde op zaken stelt. We hoeven zo’n interpretatie niet zelf te verzinnen, de simpele Rivière lijkt zich van alle verbanden bewust, geeft de amateur-psycholoog de pap in de mond.
     De eenheid van deel II, met zijn nogal verschillende inhouden en tekstsoorten (vertellend/beschouwend), zit in de eerste plaats hierin dat Rivière zichzelf centraal stelt, zijn ik; voordien bleef hij als verteller op de achtergrond, was hij een getuige die zich zelden liet opmerken. Het onderscheid tussen I en II is dus ook een kwestie van vertelperspectief. Zo komt het dat Rivière twee keer verslag doet van de laatste dagen vóór de moorden, vanuit verschillende gezichtspunten - in I als ‘objectieve’ waarnemer, in II als moordenaar in spe. Mogen we niet stellen dat Pierre Rivière over een uitstekende verteltechniek beschikte?
     Dat gaat wat te ver, er spelen ongewilde effecten mee. Rivière begon immers wel te pennen op vraag van de onderzoeksrechter, maar hij was het eigenlijk al veel eerder van plan; een deel van de bestaande tekst had hij vooraf in zijn hoofd opgesteld en hoefde hij alleen uit of over te schrijven. Er is een verbluffende voetnoot (!) waarin hij zegt: ik gebruik harde woorden voor mijn arme slachtoffers, alsof ik hen nog haat, maar dat komt alleen doordat mijn verhaal en die woorden al zo lang in mijn hoofd zitten.
     Foucault wijst op de dubbele betekenis van het woord auteur, in Rivières eigen titel: ‘schrijver’ en ‘dader’. Tekst en moord waren van meet af met elkaar verbonden, alleen de volgorde wisselde; hij was van zins om éérst te schrijven en dan te doden, maar stelde zijn plannen twee keer bij. Moord en woord zijn allebei als vormen van expressie te zien; Rivière was, zou je kunnen zeggen, onvoldoende intellectueel of verbaal om genoeg te hebben aan het uitdrukkingsmiddel taal, maar hij was evengoed te intellectueel of verbaal om genoeg te hebben aan een tekstloze moord.
    
je me plaisais beaucoup à lire
    
Ik vermoed dat de meeste kleine boeren in de negentiende eeuw de taal als louter middel beleefden: iets om te gebruiken en te verbruiken, niet iets om bij stil te staan. Misschien is dat vermoeden maar een vooroordeel, het gaat in elk geval niet op voor Pierre Rivière. Voor hem hadden de woorden een enorm gewicht.
Het valt op dat hij veel gesprekken aanhaalt en dat hij dat heel vaak doet in de directe rede, dus in principe zo correct en volledig mogelijk. (Ah, lui dit ma grand-mère, tu menace de cela donc, c’est bien pour que j’en menace moi; et elle s’en alla. Mon père prît alors son bonnet et il s’arrachait les cheveux, il était comme dans un accès de rage et de désespoir. Oh, oh, oh, oh, disait-il; je me jettai à lui, ah mon pauvre papa lui dis-je, dure donc. Un moment après ma sœur Aimée arriva pleurant, qu’est-ce qu’il y a donc eu de nouveau, dit-elle...) Verder citeert Rivière enkele verzen uit een stout liedje dat gezongen wordt door een mogelijke minnaar van de moeder. Taalbewustheid blijkt ook wanneer de moeder zich bij de vrederechter beklaagt dat haar man ‘naliet haar land te bewerken, om het land van anderen te bewerken. Die woorden werden door de luisteraars gehoord en in het belachelijke getrokken. Men verstond ze op twee manieren en mijn vader was zo het mikpunt van de publieke spot.’
Bovendien haalt Rivière ook een aantal geschreven teksten aan. Meteen bij het begin is er een precieze weergave van het huwelijkscontract van de ouders (waar de moeder zich niet aan houdt!); verder volgt er een huurcontract (idem!), en een document waarin schulden van de moeder opgesomd worden (die de vader moet betalen!).
Kortom: enerzijds houdt de moeder zich niet aan overeenkomsten, ze respecteert de woorden niet; anderzijds overstelpen zij en haar bondgenoten de vader met respectloze, krenkende woorden (paroles mortifiantes). En Pierre, hij onthoudt die woorden, de beide soorten woorden, al die zware woorden.
    
In het tweede deel maakt Rivière ons deelgenoot van zijn leeswoede, hij leest alles wat hij vinden kan: geschiedenis, een catéchisme philosophique, de bijbel, almanakken... ‘ik zou maar een stuk krant gevonden hebben dat gediend had om iemands achterste af te vegen, en ik las het’. Hij leest niet zomaar, hij laat er zijn leven door bepalen; sommige teksten maken hem heel devoot, andere heel anti-godsdienstig, en dan weer terug. Sommige van zijn vreemde gedragingen verklaart hij vanuit lectuur: ‘ik ging naar onze tuin, en omdat ik enkele dingen over het leger gelezen had stelde ik me voor dat onze groene kolen in slagorde stonden opgesteld, ik benoemde chefs, en daarna sloeg ik een deel van de kolen kapot om te zeggen dat ze gedood of gewond waren’. Voeg bij dat spel (waaraan de dokters ridicuul veel aandacht besteden) de fantasieën over heldendom, en dan wordt het moeilijk om niet aan de aartslezer Don Quichot te denken; weliswaar vermoordt het personage van Cervantes niemand, maar is dat niet aan het toeval te danken? Hij stormt vaak genoeg zo hevig op mensen af dat ze dood hadden kunnen zijn.
     Met Don Quichot in ons achterhoofd kunnen we zeggen dat Pierre Rivière een imitator is, op verschillende manieren. Hij tracht te zijn zoals bepaalde anderen. Hij beeldt zich in dat hij is zoals zij. En soms doet hij alsof hij een ander is, hij neemt een rol op zich, en met name de rol van zot: hij simuleerde vroeger soms gekte, hij doet het opnieuw na zijn arrestatie. En ja, is hij nu echt gek of niet, dat gesimuleer bemoeilijkt de zaken, de deskundigen raken er niet uit. In feite hadden ze moeten erkennen dat Rivière zich niet in eenvoudige categorieën liet vatten.
    
In zijn mémoire blijkt Rivière heel taalvaardig, maar pas op. Hij vertelt zelf dat hij nooit de juiste woorden vond in de omgang met anderen, vooral niet als er jonge vrouwen bij waren, je manquais de paroles pour leur adresser. Hij wilde wraak nemen op dartele kusgrage meiden en op andere spotters door schimpliedjes of -geschriften over hen te maken, maar dat kwam er uiteraard niet van, dat zou nooit gelukt zijn. En al even hersenschimmig was zijn idee om zich na de driedubbele misdaad glorieus te verdedigen voor zijn rechters, de disputer contre le monde entier.
Rivière had helemaal geen praktische taalbeheersing, hij kon het woord niet als wapen gebruiken, hij kon ook zijn moeder en zus niet met woorden te lijf gaan, hij had moorden nodig. Met zijn soort taalkennis kon hij de gebeurtenissen alleen nahinken, achteraf, machteloos. Als taalgebruiker was hij eerder een schrijver dan een advocaat of een politicus of een mediaman.

brisé de regrets
    
Er is nog iets dat me fascineert en dat met citeren en nabootsen te maken heeft. Rivière vertelt hoe hij vlak na zijn misdaden tot bezinning komt en zich ‘gebroken van spijt’ voelt: ‘ah, is het mogelijk, zei ik bij mezelf, monster dat ik ben! ongelukkige slachtoffers! is het mogelijk dat ik dat gedaan heb, nee het is maar een droom! ah het is maar al te waar! afgronden open u onder mijn voeten, aarde verslind mij [...] Ah hemel, waarom hebt u mij het bestaan gegeven, waarom behoudt u het nog langer voor mij’. En helemaal aan het eind van zijn tekst, in dezelfde trant: ‘helaas, als ik de ongelukkige slachtoffers van mijn wreedheid kon zien herleven, als ik daarvoor alleen maar alle mogelijke folteringen zou moeten doorstaan’.
     Die frasen springen in het oog, omdat Rivière in de regel vrij zakelijk schrijft, zonder sentimentaliteit. Pas hier, waar hij spijt wil uitdrukken, klinken die grote woorden en kreten, die aanroepingen van hemel en aarde. Het lijkt me duidelijk dat hij niet zozeer zichzelf aanhaalt (‘zei ik bij mezelf’) als wel tranerige verhalen die hij gelezen heeft. Moeten we concluderen dat hij valsspeelt, dat zijn berouw geveinsd is? Welnee. Hij gebruikt gewoon de woorden waarover hij beschikt, waarom zouden die origineel moeten zijn? Op uitzonderlijke, ontredderende momenten vervallen we allemaal makkelijk in clichés. En er is geen reden om te denken dat Rivière zijn rechters tot clementie wil bewegen.
     We weten gewoon niet wat Rivière echt voelde, en misschien is de keus tussen echt en gesimuleerd te beperkt, net als bij de vraag naar zijn gekte. Ik denk dat hij een van die mensen was (een van die vele mensen) die alleen via een omweg kunnen voelen: via anderen, of via personages uit boeken; dat zou dan betekenen dat hij misschien geen oprechte spijt voelde maar die wel oprecht wilde voelen, en dat hij zijn lectuur daarbij als hulpmiddel gebruikte.
     Interessant op dit punt is ook wat hij zegt over het motief om zijn broertje te vermoorden: als ik alleen mijn moeder en zus dood, zal mijn vader dat wel erg vinden, maar het zal hem dan toch nog verdrieten dat ik om zijnentwille geëxecuteerd word; maar als ik ook mijn broertje dood, van wie mijn vader veel houdt, dan zal hij me zo verafschuwen dat mijn dood hem zal verheugen, en dat hij daarna gelukkiger zal kunnen leven. De tijdgenoten vonden die redenering uiterst waanzinnig en/of huiveringwekkend, allicht terecht, het zal wel. Maar Rivière toont ook reële bekommernis om de gevoelens van de vader, hij laat zich leiden door diens gevoelens.
     Sommige lieden die Rivière liever als een onmens dan als een zot wilden beschouwen noemden hem koud - kijk maar, hij huilt niet, foei. We kennen dat van de televisie. Bij zowat elk moordproces waarover ze ons moraliserend menen te moeten inlichten, vernemen we dat de dader zich onbewogen toont, en dat wordt hem dan zeer kwalijk genomen, de blonde VRT-journaliste kan ocharm haar verontwaardiging nauwelijks bedwingen. De onbewogenheid lijkt soms erger te zijn dan de daden zelf. Wat een slechte slechterik, dat hij niet in snikken uitbarst, ‘gebroken van spijt’!
    
inachevé
    
In 1991 publiceerde het tijdschrift Le Débat drie belangrijke artikelen over Pierre Rivière en over de uitgave van Foucault. Ze werden geschreven door Philippe Lejeune (dé Franse kenner van autobiografische literatuur), Jean-Pierre Peter (een medisch-historicus die in 1973 meegewerkt had) en Daniel Fabre (een etnoloog, gespecialiseerd in Europese rurale samenlevingen).
     Philippe Lejeune trok agressief van leer tegen Foucault en de zijnen. Hij verweet hun dat ze Rivières tekst (zijn structuur, de manier waarop hij ontstaan was...) onvoldoende geanalyseerd hadden en hem dienstbaar gemaakt hadden aan hun eigen ‘anti-psychiatrische ideologie’; dat ze hem te geestdriftig en te poëtisch benaderd hadden, te weinig wetenschappelijk, te weinig nauwkeurig; en zelfs dat ze een (impliciete) neiging vertoonden om de misdaad goed te praten. Lejeune werd, in mijn ogen overtuigend, van antwoord gediend door Jean-Pierre Peter, die ook boeiende informatie verschafte over de totstandkoming van het boek van 1973.
     Het derde artikel weegt het zwaarst, omdat het werkelijk nieuwe inzichten bijbrengt. Daniel Fabre plaatst het leven van Rivière terug in zijn tijd en streek, confronteert het met Normandische tradities en gebruiken. Zo werpt hij een scherp licht op het van meet af tot mislukken gedoemde huwelijk van de ouders, en op de manier waarop de buren daarmee omgingen. Hij toont ook dat bepaalde gedragingen van Rivière niet bijzonder waren voor kinderen uit zijn omgeving, maar dat ze bizar werden doordat hij ze te lang bleef volhouden: de jongen werd niet volwassen, hij was de onvoltooide loot van een onvoltooid huwelijk. Fabre benadert het geval-Rivière wat afstandelijker dan Michel Foucault en Jean-Pierre Peter, en dat heeft voordelen; maar de benaderingen van 1973 zijn daarom nog niet waardeloos of overbodig.
Moi, Pierre Rivière, ayant égorgé... is het product van een bepaalde periode, plaats, denkrichting, culturele atmosfeer - en in die zin ‘gedateerd’. Het is geen volmaakt werk; het bevat slordigheden van diverse aard (vooral te wijten aan haast), en in de commentaren zit hier en daar wat grootspraak. Maar ik blijf het allemaal razend spannend vinden, en ik zou er graag dieper op ingaan. In 1994 maakte het boek zijn intrede in de reeks Folio, blijkbaar wordt het nog gelezen. Dat is goed.
Het mémoire van de eenzame Pierre Rivière is geen literatuur. Het is belangrijker dan literatuur, het is een document, het documenteert het verschrikkelijke leven van een aantal zogenaamd gewone mensen uit een verleden tijd. Maar het is zodanig verwoord dat je als lezer van honderd zeventig jaar later beseft dat je er nog iets mee te maken hebt, het lijkt iets te beschrijven dat nog altijd voortduurt, iets treurigs dat je niet helemaal begrijpt en nooit zult begrijpen. Is het dan toch literatuur, ook? Evenmin als over literaire teksten valt er een laatste woord te zeggen over Rivières relaas. Het is zelf voorgoed onvoltooid.
    
    
aantekening
    
Moi, Pierre Rivière, ayant égorgé ma mère, ma sœur et mon frère... Un cas de parricide au XIXe siècle, Présenté par Michel Foucault, Gallimard (Folio-Histoire), 1994 (1973). Er verscheen destijds een Engelse vertaling: I, P.R., having slaughtered my mother, my sister and my brother, vert. F. Jellinek, Random House, New York, 1975. Verder: ‘Le cas P.R.: pour une relecture’, in: Le Débat nr. 66, september-oktober 1991, blz. 91-132 (bijdragen van Ph. Lejeune, D. Fabre en J.-P. Peter); Michel Foucault, Dits et écrits III (1976-79), Gallimard, 1994, blz. 97-100, 106-108, 114-123, 676-677 (interviews met Foucault waarin Rivière ter sprake komt); Leigh Gilmore, The Limits of Autobiography. Trauma and Testimony, Cornell University Press, Ithaca and London, 2001.