Terug naar de coverTerug naar de inhoudstafel

Een aalmoes voor Suleika El Hallal
Tweede prijs verhalenwedsrijd De Brakke Hond 2005

Bennie Mous

Suleika el Halal – verloren zus van Lellebel en Farida – vertelde het haar echtgenoot in de derde, extreem lauwe & modderige meimaand van hun huwelijk. Ze had drieëneenhalve dag gepeinsd en het leek er niet op dat ze tot een slotsom zou komen, totdat ze, tijdens het malen van de koffiebonen voor de dagelijkse pot, een verheugd insjallah uitstootte en naar haar man holde. Haar besluit was even opzienbarend als onvoorzien. Gisteren was ze zwanger geraakt. Voel maar (een vinger in haar navel), hoor ‘t (een oor tegen haar buik), zie het (ze duwde haar buik naar voren). Ja, het was duidelijk… Gisteren, en geen dag eerder!
     Ze liet zich op het roodlederen bankstel vallen en beval haar man een aantal kussens onder haar rug te leggen. Een vrouw in haar positie kon elke steun gebruiken. Haar triomfantelijke blik, in combinatie met een dreigende tijgerinnenlach, ontnamen haar rijke neef, die maar geen vrouw kon beminnen en uiteindelijk, onder grote sociale druk, zijn nicht huwde, bij voorbaat de lust tot protest. Desondanks vroeg hij: “Moet dat nu echt? Jij weet net zo goed als ik dat, mocht er onverhoopt toch een kind tussen je benen zijn gekropen, het niet van mij kan zijn.”
     Ze graaide speels in zijn woeste krullen.
     “Het is zelfs noodzakelijk, lieve man van me… Wat zou het dorp zeggen. Een vader die de moeder van zijn kind verwaarloost!”
     “Hoe kun je zo stom zijn om met een ander – ” hij maakte zijn zin niet af, woog zijn woorden nauwkeurig en zei toen: “Jij draagt geen kind van mij.”
     “En of! Ik heb het warm en koud tegelijk. En misselijk dat ik ben. Ik krijg geen hap door mijn keel.”
     Hij stemde deemoedig toe, plukte kussens van zijn zetel en legde ze tussen de leuning en haar holle rug. Voorzichtig, pas op, kijk uit!
     ’s Avonds, toen hij zich klaarmaakte voor een nacht in de stad, waar de jongens zich alweer verheugden over zijn gulle geilheid, nam hij met een kus op haar voorhoofd afscheid van zijn nicht.
     “Nee, op mijn buik,” zei ze, terwijl ze zijn hoofd naar beneden duwde. “Bekommer je liever om je kind. Ik red me wel.”
     Hij tuitte zijn lippen en beroerde voor het eerst in zijn leven het kippenvel van zijn vrouw.

De jongedame buitte onmiddellijk haar positie uit. Tegen iedereen vertelde ze over het kind dat in haar baarmoeder groeide. Niet langer moest ze staan in de bus; de dorpelingen stonden grijnzend voor haar op en tilden haar zelfs het blikken voertuig in&uit, als ze te kennen gaf geen stap meer te kunnen verzetten. Bij de kapper kreeg ze de beste stoel. Als de naar olijfolie geurende man met zijn voet het pedaal bewerkte, haar gestalte zich ritmisch omhoog bewoog, en hij vervolgens voorzichtig haar hoofdhuid masseerde, bedankte ze hem voor zijn zorgen. Ze beloofde één van de veertien namen van het kind aan de scharenslijpende heer te wijden.
     Ze zette haar stoel op het binnenplein en zong liedjes voor haar ongeboren kind. Ze droeg er zorg voor dat haar stem zich op cruciale momenten verhief, opdat de buren het vreugdevolle nieuws niet ontging.
     Dit alles gebeurde in de laatste dagen van mei, en de meeste dorpe-lingen hadden nog nooit zo’n natte maand meegemaakt. De aangestampte wegen waren drassig van de overvloedige regenbuien; auto’s zonken diep in de modder en hun wielen tolden zinloos rond. De bomen kwamen maar niet tot bloei en de bladeren die eraan zaten verteerden door het gebrek aan zonneschijn. Maar de mensen zagen het niet, neen, zij waren vervuld met het nieuwe kind dat over acht en een halve maand hun gelederen zou komen versterken. Ze keken er reikhalzend naar uit – haha een kikakleine! hoehoe een kekkikkerkind! –, want de stad, met zijn eeuwige feestlichten, sociale vangnet en promiscuïteit, lokte de jeugd. Zodra de jongeren een bromfiets konden besturen of hun vader het geld voor een busticket aftroggelden, vertrokken ze naar kleine appartementen ver van hun verwekkers. Alleen de ouderen bleven. Elk sterfgeval bracht de dood van het dorp dichterbij.
     Het zal na twaalf dagen zijn geweest, als ik het me goed herinner – maar pin me er niet op vast, het kunnen er ook dertien of veertien zijn geweest; het geheugen loopt over van verhalen – dat Suleika el Halal haar eerste gaste ontving. Mouria, de slagersvrouw. Ze beende vastberaden door de modder, met de sleep van haar gewaad in de ene en een klein cadeau in de andere hand. Een flesje Chanel n° 5. Zorgvuldig verpakt in zilverpapier. Ze feliciteerde Suleika uitbundig met haar zoon. Wat kon het anders worden met dit weer? Hoe dan ook: eindelijk werd hun huwelijk bekroond! De jonge vrouw nam het geschenk blij verrast in ontvangst.
     Na de slagersvrouw kwam de kippenboer, en na hem verscheen de groenteman. Ja, het hele dorp gaf haar geschenken. Schriften, rammelaars, konijnen (dood en levend), de schappen en kasten puilden uit.
     “Nu is het genoeg… Het spelletje moet maar eens uit zijn… Jij bent niet zwanger van mij,” probeerde haar neef op een avond. Zijn verwijten werden weggewuifd. Zijn echtgenote was niet van plan haar kind op te geven, ze genoot teveel van de aandacht.
     Het is waar: wij lieten ons in de luren leggen. De één na de ander keerde terug, onder het mom van een theebezoek, met een groter, duurder, mooier geschenk dan voorheen. Niemand wilde het enige kind sinds jaren tekort doen, niemand wilde van het lot een noodlot maken door gierig te zijn. Zo kon het dat er naast potten & pannen, handdoeken & sluiers, en veel, heel veel zoethout, ook absurde giften als wieldoppen, een met gouden bloemen versierde lepel en een half servies hun weg vonden naar het huis. En laten we eerlijk wezen: sommigen konden het zelfs niet helpen het geschenk van hun voorgangers onherstelbaar te beschadigen of zoek te maken, als ze dachten dat ze met hun eigen verrassing niemand konden aftroeven.

Op een dag stoomden toevallig de hooggeleerde toverdokter, de oude fkih dus, en de langbaardige imam tot hun beider ontsteltenis tegelijkertijd door de straat. Hun woordenwisseling begon bij het kleine marktplein en bereikte zijn hoogtepunt bij de altijd openstaande voordeur. Hier kneep de imam zijn tegenstander venijnig in de arm, waarop hij een tirade van vijf minuten in ontvangst mocht nemen.
Ze werden door een bediende naar de tuin gebracht. Suleika ontving hen met een glimlach en wellicht was ze in andere omstandigheden geschrokken van hun rommelige, opgewonden verschijning. Maar ze leefde in een volmaakt delirium, deels door de aandacht die ze kreeg, deels door de toestromende geschenken. Zodat ze geen tijd had om verontwaardigd te zijn over het ongepaste schouwspel. Met weinig bescheiden plechtstatigheid ging ze rechtop zitten en vroeg de mannen wat ze kwamen doen.
De imam, die in zijn hele leven al drie keer met de duivel had geworsteld, en die bij hoog en laag volhield dat de Sjaitan steeds incarneerde in de vorm van de fkih (wat het dorp een beetje gek vond), zette uiteen dat hij zijn zegen over het ongeboren kind wilde uitspreken. Het belichaamde immers de hoop van het dorp en moest met respect behandeld worden.
“Luister toch niet naar die kwansel,” sprak de geneesheer toen. “Hij wil gewoon zijn eigen loftrompet bespelen. En – het spijt me dat ik dit zeggen moet in bijzijn van een dame – ik geloof dat hij er inderdaad lenig genoeg voor is. Hij oefent elke dag.”
“Zwijg, jij ordinaire oplichter,” tierde de imam, terwijl hij krullen draaide in zijn machtige baard. “Wij laten ons niet misleiden door iemand die het boek der boeken nooit heeft ingekeken.”
De heren noch Suleika zagen hoe de man des huizes door de dubbele galerijen beende. In zijn handen de verslagen van zijn investeringen en achter zijn oor het potlood waarmee hij zijn verantwoordelijkheid bekrachtigde. Met verwoede halen, die zijn ergernis benadrukten, ondertekende hij de documenten. Het viel hem makkelijker geldelijke verliezen te incasseren dan een kind te erkennen. De gasten schrokken toen hij plots vroeg of de heren bleven voor de maaltijd – alleen met een volle maag kan men kibbelen over het aards verval.
Ze vertrokken ijlings.
     Die avond lurkten de imam en de fkih aan hun waterpijpen tot ze erbij neer vielen. Ze droomden over de buitengewone daden van de baby.

Er werd een groot feest georganiseerd ter ere van dat wonderlijke kind in de buik van Suleika el Halal. Men vergat de verwerpelijke streken van de vader, men vergat het hebzuchtige, onnozele gedrag van de moeder. Alle bedenkingen werden overspoeld door een vloedgolf van vreugde. In het arme, verbleekte dorp steeg de geur van gebakken lamsvlees op, vermengd met het geluid van feestvierende mensen, en het trok diep in het poreuze hout van de huizen, in de gewaden van mannen en vrouwen. Het leek zich permanent te vestigen in kieren en hoeken, zodat het dorp nog weken nadien de opgewonden sfeer proefde.
De mannen moesten hun geplande bezoeken aan de vriendelijke schoot van Suleika afzeggen. Ze durfden het kind niet te wekken met hun al te ongeduldige plaagstoten. De toekomstige moeder werd weer een nette vrouw – nee… ze wilde wel maar mocht niet meer.
Ik zag mijn kans schoon en klopte bij Suleika aan met het verzoek of ik eindelijk van haar welwillende bekken gebruik mocht maken. Ik droomde over het ritme van haar ademhaling, van haar hart. Ze kleedde me uit, keurde me, en zei toen wat ze altijd zei “nog niet, je moet eerst groeien, maar je mag toekijken.” Teleurgesteld ging ik weg. Ik had al te veel behaarde mannen op haar zien liggen.

De imam liet zich aanvankelijk meeslepen met de rest van het dorp. In zijn zeldzame preken liet hij zijn toch al lage stem tot baritondiepte dalen als hij over de komende geboorte sprak. Het was een godsgeschenk, dacht hij. Maar er waren voortekenen.
     De eerste keer wilde hij op zijn persoonlijke tapijt gaan bidden, en zag dat er een inferieur exemplaar voor in de plaats was gelegd. Hij dacht dat de werkster het oude aan het herstellen was. De tweede keer dat de excentrieke, vierenzeventig jaar oude geloofsheer iets miste uit zijn moskee, zonder de minaretten waar hij naar verlangde, was op een dinsdag. Hij beklom de trap naar zijn spreekgestoelte, sloeg het boek open, vuurde zijn blik af op de trouwe onderworpenen. Eerst zag hij hun kale hoofden, daarna richtte hij zijn ogen zoals gewoonlijk op de muur erachter. Het gouden zwaard ontbrak en hij dacht: de schoonmaak valt vroeg dit jaar.
     Maar zaterdags, toen hij in zijn mooiste gewaad voor de menigte stond, ontbrak het boek der boeken. Het was alsof hij verkouden werd in de volle zomer toen hij paniekerig zijn vingers over de lege plek liet glijden en hij dacht verschrikt: verduiveld, nu gaan ze te ver. Hij schortte de dienst op en riep zijn werkster bij hem. De vrouw bloosde hevig, struikelde over de lettergrepen. Ze wist niet waar het boek gebleven was
     “Dan is het gestolen,” concludeerde hij.
     “Onmogelijk,” bezwoer de kranige dame, die zijn blik ontweek, “in dit dorp zijn geen dieven. Er is niks gestolen sinds we die zwerver hebben opgehangen.”
     Vanaf dat moment ontwaakte zijn verstand en begon hij te beseffen wat er in het dorp gaande was, tot ieders verbazing. Want de imam werd weliswaar met alle egards behandeld, men vond ook dat hij zijn uiterste houdbaarheidsdatum ver had overschreden en dat hij & zijn ideeën te ouderwets waren voor nieuwe tijden. Ter verduidelijking: zijn dagen begonnen meestal om twaalf uur, nadat hij de ochtend lui lezend in zijn hangmat had doorgebracht. Daarna baadde hij zich uitvoerig en parfumeerde zijn oksels, nek en knieën alvorens hij zich in zijn kleed liet glijden. Aan dit overdreven vertoon had niemand behoefte. De mensen hadden verschillende kandidaten ter vervanging naar voren geschoven, met het excuus dat hij toch eindelijk moest gaan genieten van zijn welverdiend pensioen. Ze werden een voor een afgekeurd. Te licht, te weinig verstand, te lelijk, te knap – niemand kon aan hem tippen. Hij duldde geen tegenspraak en slechts een enkeling nam hem nog serieus.
Toch begon juist hij de gemeenschap aan te spreken. Tegen zijn gewoonte in stond hij voor dag en dauw op en klopte bij verdachte personen aan, zodat ze, nog versuft door slaap en nachtelijke activiteiten, geen kans zouden zien een leugen te verzinnen. De mensen doorstonden evenwel zijn kruisverhoren. Niemand gaf toe en niemand beschuldigde een buur van de diefstal. Ze waren opvallend eensgezind. Hij weet dit in het bijzonder aan het voortschrijdende verval der zeden en de afkalving van het geloof in het algemeen.
     Het was onvermijdelijk: op een gegeven moment bezocht hij het huis van Suleika el Halal en haar verderfelijke man. Hier werd hem alles duidelijk. Hij zag de onstellende hoeveelheid geschenken, de juwelendoosjes, de tafeltjes, gedroogde appels, vogelkooien et cetera en hij begreep wat er gaande was: “Wee mijn ach - Allah is groot, en Allah is machtig, maar moet Hij me zo op de proef stellen? Ach mijn wee. Er groeit een djinn in dit dorp… aiaiai. En wij zijn allemaal zijn ouders.”
     In tijden van nood is een eerlijke vijand waardevoller dan een leugenachtige vriend, dus nam de imam onmiddellijk contact op met de fkih. Ze besloten dat de vrouw een onderzoek moest ondergaan.
Suleika, die verveeld over haar buik wreef, werd bij haar schouders gegrepen en naar de praktijk van Moreno gebracht. Deze neger en ongediplomeerd huisarts had zijn gereedschap – twee scalpels, een stethoscoop en een blaasbalg – tevoren in de zon gelegd om eventuele onzichtbare ziektekiemen te verdrijven en hij stond op haar te wachten. Hij leidde de vrouw vriendelijk naar de keuken annex operatiekamer. Ze werd op de tafel gelegd. Om haar hoofd knoopte men een blinddoek.
“Hoever bent u?” vroeg de neger.
“Twee maanden.”
Moreno was negenennegentig zomers jong en hij ging er prat op de wijsheid van mensen twee keer zo oud in pacht te hebben. Dus toen hij zijn stethoscoop op de buik van de jongedame plaatste en het ruisen van een jong hart trachtte op te vangen, twijfelde hij volgens de overleving hooguit twee seconden.
“Dit kind is dood,” zei hij plechtig en hij legde een hand op het hoofd van de teleurgestelde moeder.
Het illustere drietal, de toverdokter, Moreno en de imam waren het eens: Suleika el Halal moest met alle middelen voorhanden behandeld worden, om de wrokkige geest van het ongeboren kind uit haar schoot te jagen. Ze werd geklopt, geslagen en kaal geschoren. Men trok aan haar tepels en gooide drie emmers water over haar lichaam. Er kwamen poeders aan te pas. De fkih mengde groene, paarse, blauwe, en ja, zelfs tenenkrullende, haarsplijtende rode korrels. Hij strooide ze over haar kruin terwijl hij zijn best deed de djinn angst in te boezemen met zijn onheilspellend gekrijs.
De imam vond zijn boek terug tussen de geschenken en las urenlang voor uit de profetieën. Zijn stem resoneerde in de straten. De mensen huiverden van het geluid dat onophoudelijk tegen hun deuren beukte. Maar toen de avond viel en men afgeleid werd door de zoete troost van het bed, vergat men de dreigende woorden. Ze hoorden niet hoe de imam zich schor preekte, hoe zijn piepende stem als een oude deur dichtsloeg. En tegen de morgen was zijn krakkemikkige relaas onmerkbaar overgegaan in de symfonie van de krekels.
     De oude Moreno gebood Suleika, in een vlaag van wijsheid, zich te ontkleden. Hij was van plan enkele essentiële onderdelen weg te snijden – een veelbeproefde methode tegen hondsdolheid, hysterie, difterie, maar ook toegepast bij buikloop, de maandstonde en kleptomanie. Ze weigerde. Haar gehuil liet menig servies schudden en bereikte ten slotte ook de oren van haar neef. De man had zich tot nu toe afzijdig gehouden. Hij wilde de drie machtige mannen geen munitie geven waarmee ze hem uit het dorp konden schieten. Ofschoon hij er dus allerminst naar uitkeek, besloot hij – aangezet door een flinke dosis nieuwsgierigheid en een beetje oprechte belangstelling – zijn verhaal te halen. Wat spookten ze uit met zijn echtgenote?
     Hij kwam net op tijd om te zien hoe Moreno de weelderige kleren van haar lijf scheurde. De imam en de fkih draaiden hun hoofden weg, de een omdat hij bang was voor Gods toorn, de ander omdat hij vreesde te zullen worden opgegeten. Ze zagen niet hoe haar buik kromp en de inhoud langs haar benen viel.
     “Ik geloof dat we ons druk maken om niets,” zei de neger toen hij de dot lappen zag waarmee de jonge vrouw haar jurk had opgevuld.
Suleika staarde ontzet naar haar lege buik, vouwde haar armen over haar bekken. Stilte hield de mannen in haar greep. De imam en de fkih verbonden er verschillende conclusies aan. De imam trok zijn oogleden van elkaar, keek naar de vrouw. Een kreet van opwinding ontsnapte aan zijn mond – mijn hahahart! Voor zijn voeten stond de leugen naakt en vreugdeloos te rillen. Nieuwsgierig betaste hij haar huid.
De toverdokter was banger aangelegd. Hij dacht dat het adembenemende zwijgen het werk was van de djinn (ze staan erom bekend hun slachtoffers in steen te veranderen) en hij hield zijn ogen stijf gesloten Hij manoeuvreerde zich achteruit door het deurgat, zette het op een lopen. Pas in de vertrouwde omgeving van zijn eigen huis durfde hij weer vrijuit te kijken.
“Vrouw, wat heb je gedaan?” piepte de echtgenoot.
“Ik wilde een kind,” was alles wat ze uit wist te brengen.
De imam herinnerde zich plots de strenge religieuze voorschriften en stormde het vertrek uit. De rest van de dag legde hij zijn gelaat te weken in een bak water om de vrouwelijke indrukken uit zijn ziel te bannen.

Suleika bleef de daaropvolgende week in haar huis. De eerste dag griende ze zes en een half uur. Daarna trok ze zich terug in haar kamer, omringd door de geschenken en bezong in stilte het lot van haar en haar kind. Ze kon niet bevroeden dat de waarheid zich in allerlei bochten wrong om de oren van het dorp te bereiken. (Moreno was altijd al loslippig.) We ontdekten al snel hoezeer we waren misleid.
     We weten niet wie het voortouw nam, maar we denken dat Mouria als eerste de gedachte opperde – zij laat nooit een kans voorbij gaan om haar gelijk te halen. Onze ideeën verspreidden zich als vliegen; ze landden ongemerkt in onze hoofden; we speelden er een tijdje mee en wuifden ze vervolgens weg, joegen ze uit onze huizen, om te moeten ontdekken dat ze alweer een volgend adres bezochten. In ieder geval: we bestormden het huis met de dubbele galerijen. Tierend braken we door de deur, met een tevergeefs sussende imam in onze kielzog.
We vonden Suleika tussen de droogbloemen, rammelaars, wiegen en gouden kettingen die we haar hadden geschonken.
     “Vuile leugenaarster,” sisten we, “wij weten alles van je. Nee, hou je vuige woorden voor je, ze zijn aalglad en misleidend. Nu halen wij ons gelijk.”
     En ons gelijk was reusachtig en trok zwaar aan onze armen. We zochten onze geschenken, namen soms mee wat niet van ons was maar wat goed van pas zou komen, ruzieden om de kleinste dingen. We ontdeden het huis van zijn inhoud. Wat achterbleef was een kaal skelet met daarin een jammerende vrouw en een hevig fulminerende man.

Suleika el Halal werd een verstotene. Haar man zette haar uit huis en niemand in het dorp bekommerde zich om haar. Ze lag aan de kant van de weg, vlakbij de verlaten school. De kinderen raakten snel gewend aan haar aanwezigheid, sprongen over haar heen en trokken aan haar haren.
     De imam herstelde het gebedshuis. Zijn werkster poetste het tweesnijdend zwaard ijverig op en het weldadige schijnsel beroerde zoals vroeger het gezicht van de gelovigen als zij weer eens beschaamd hun hoofd afwendden. Er kwamen meer bezoekers. Hij las nu zesmaal per week voor uit het heilige boek, en elke keer lagen de mannen tot ver buiten zijn moskee te bidden. Ze gaven zich met een aan fanatisme grenzende verbetenheid over aan de vijf zuilen.
     Hun ogen vlamden op, hun kleden werden kleurrijker – bismallah! – , maar zelfs de meest kunstig geknoopte tapijten werden kaal van het vele bidden.
     “Jullie aanbidden vreemde goden…. Maar er is geen God dan God.”
     “… dan God – amen.”
     “Jullie hebben een djinn ter wereld gebracht. Maar God is terug – heil Allah!”
     “Wij zijn verschrikkelijke zondaars, moge Allah ons vergeven. Heil Allah!”
Na twee weken maakte de moëddzin een einde aan zijn leven. Hij schiep er altijd een demonisch genoegen in om zijn weerbarstige, getaande stem te verheffen en met een edel gebaar de moslims op te roepen tot het gebed. Op de meest onmogelijke tijden riep hij ons; tijdens het uur van de seks, tijdens de siësta, tijdens de maaltijd. Wij gingen dan mokkend naar de tempel. Tegenwoordig echter stonden we al voor de deur te wachten. De imam liet ons binnen en de moëddzin keek vanaf het balkon getergd toe hoe we ons vrijwillig uitstrekten.
     We vonden hem op een zondagmorgen, bungelend aan een broeksriem – van wie is dat verwerpelijke tuig? – tussen de spanten van de moskee. Vliegen bedekten zijn lichaam als een wriemelende deken.
     De imam las die morgen met bibberende stem een soera of drie voor. Hierna zweeg hij en liet hij zijn blik over onze gebogen ruggen gaan.
     “Genoeg,” bulderde hij plots, en hij sloeg het boek der boeken dicht, kuste de kaft en gooide de kudde onderworpenen de deur uit.

We begroeven de moëdzin onder een dadelpalm, waar de elementen geen vat op hem hadden. De vrouwen jammerden met ijle stem, de mannen prezen de dode vanwege zijn onverzettelijkheid. Moge God barmhartig zijn, leve de grootmoedige Allah.
     Amen.
We vervielen in apathie. Uit het dorp stegen niet langer smeekbedes op, het zachtmoedige gekreun van de mannen ebde weg. Ze liepen verdwaasd door het dorp, wisten niet waar ze met hun schuldgevoelens heen moesten. Want de imam was onverbiddelijk – niet langer hoorde hij hun geweeklaag aan. Sterker nog: hij verbood ze te spreken in zijn bijzijn.

Dagen later glipte ik tijdens de siësta uit mijn ouderlijk huis. Mijn kromzwaard was tot aanvalsterkte opgezwollen en knikte me toe – ga dan! Misschien wilde Suleika eindelijk mijn verzoek inwilligen.
     Ze lag niet op haar gebruikelijke plek bij de school. Ik staarde minutenlang naar de modder, alsof mijn wens volstond om haar terplekke te laten materialiseren. Allah is groot, Allah is allemachtig prachtig. Heb medelij.
     Toen hoorde ik iets vallen in het gebouw. Het was al sinds de dood van de leraar in 1959 vakantie, dus ik verbaasde me erover dat er kinderen binnen waren. Ik ging op onderzoek uit. De deur stond open (in ons dorp zijn geen sloten) en ik trad binnen. In de eerste twee lokalen zag ik, behalve een paar uitgehongerde ratten en spinnenwebben, niks. Het gebouw zuchtte onder mijn belangstelling. Nieuwsgierig liep ik naar het derde lokaal.
Daar wachtte mij een harenrijzend schouwspel. Suleika lag voorover gebogen op een lessenaar. Haar armen en benen werden vastgehouden door vier potige mannen, de rest stond in een halve cirkel om haar heen. Eén van de mannen verschafte zich toegang tussen haar billen. Hij zwoegde terwijl het zweet langs zijn rug liep. Zijn makkers moedigden hem aan: “Schiet op, sneller… Wij willen ook. Pak haar van achteren, want haar baarmoeder is ons zaad niet waard.”
Algauw bereikte hij een jubelend hoogtepunt. Hij nam niet eens de moeite om haar achterste schoon te vegen met de punt van zijn gewaad, liet het in plaats daarvan weer over zijn knieën zakken en nam plaats tussen zijn gelijken. Er andere man volgde, en nog één. Bij de zevende slaakte Suleika, die tot dan toe alleen maar met haar hoofd had gezwaaid en soms knipperde, een vreselijke gil. Ik schrok, deinsde terug en viel over vreemde voeten. De imam. Hoe lang stond hij daar al? Hij duwde mij opzij en beende het vertrek in.
“Zijn jullie helemaal…? Wat moet dat? Daar komen duivelskinderen van,” bulderde hij. Juist op dat moment stokte het gehijg van de zevende bronstige man. Zijn greep verslapte en Suleika gleed van de lessenaar. De imam begon de mannen te slaan met zijn stok. Ze lieten zijn kastijding gelaten over zich heen komen.

Hevig geschrokken van de imams woede, bleven de mannen binnen. Ze meden de blikken van hun vrouwen. De geloofsheer riep op tot het gebed, maar alleen ik stond klaar om mijn kansen op een gros verrukkelijke maagden in het hiernamaals te vergroten. Eerst las hij een halve soera voor. Daarna vertelde hij me dat gedachten alleen je niet kunnen corrumperen. Daarna murmelde hij een klaaglied.

De imam ontbood de fkih en Moreno. Ze sloten zich op in de moskee om te overleggen. Moreno opperde het idee om een gaatje te boren in het hoofd van de grootste gekken, zodat de kwade lichaamssappen eruit konden. Hij kon zelfs korting geven – tien hele procenten – op deze dure behandeling.
“Neeheehee,” mekkerde de fkih. “We moeten ze zeven minuten onder water laten zwemmen. Zo’n grondige wasbeurt verwijdert zelfs de vaagste sporen van onzedelijkheid.”
Duivels, zeiden ze, de mannen waren duivels.
Het drietal schafte een bril aan, om de waarheid beter te kunnen onderscheiden van de leugen. Ze bezochten om beurten de waanzinnige vrouw bij het schooltje en wasten haar of streelden haar trillende handen.
“Er is geen medicijn of gebed op aarde dat ons kan genezen van een enorme teleurstelling,” vertelden ze aan elkaar.
Na enig zoeken vonden ze een passend kussen, zo een die men kan vinden in brede, diepe ligbanken. Tegen zes uur, toen de volwassenen hun tafels dekten en in pannen roerden, stapte het drietal op de rondzwervende kinderen af. Kwajongens gooiden steentjes tegen de vrouw. Eén ventje liet zijn broek zakken en schudde zijn blote billen in haar gezicht.
De komst van de mannen zorgde voor beroering, enkele kinderen vluchtten, maar de moedigste vlegels bleven staan en wachtten uitdagend op een donderpreek.
“Brengt dit kussen naar mevrouw Suleika el Halal,” sprak de imam tot één van de jongens, “en zeg haar dat ze een nieuw kind heeft gekregen, met de complimenten van de imam en de fkih. Heil Allah. Amen”