![]()   |
 |
Een aalmoes voor Suleika El Hallal
Tweede prijs verhalenwedsrijd De Brakke
Hond 2005
Bennie Mous
Suleika el Halal – verloren zus van Lellebel en Farida – vertelde
het haar echtgenoot in de derde, extreem lauwe & modderige meimaand
van hun huwelijk. Ze had drieëneenhalve dag gepeinsd en het leek
er niet op dat ze tot een slotsom zou komen, totdat ze, tijdens het
malen van de koffiebonen voor de dagelijkse pot, een verheugd insjallah
uitstootte en naar haar man holde. Haar besluit was even opzienbarend
als onvoorzien. Gisteren was ze zwanger geraakt. Voel maar (een vinger
in haar navel), hoor ‘t (een oor tegen haar buik), zie het (ze duwde
haar buik naar voren). Ja, het was duidelijk… Gisteren, en geen dag
eerder!
Ze liet zich op het roodlederen bankstel vallen en beval haar man een
aantal kussens onder haar rug te leggen. Een vrouw in haar positie kon
elke steun gebruiken. Haar triomfantelijke blik, in combinatie met een
dreigende tijgerinnenlach, ontnamen haar rijke neef, die maar geen vrouw
kon beminnen en uiteindelijk, onder grote sociale druk, zijn nicht huwde,
bij voorbaat de lust tot protest. Desondanks vroeg hij: “Moet dat nu
echt? Jij weet net zo goed als ik dat, mocht er onverhoopt toch een
kind tussen je benen zijn gekropen, het niet van mij kan zijn.”
Ze graaide speels in zijn woeste krullen.
“Het is zelfs noodzakelijk, lieve man van me… Wat zou het dorp zeggen.
Een vader die de moeder van zijn kind verwaarloost!”
“Hoe kun je zo stom zijn om met een ander – ” hij maakte zijn zin niet
af, woog zijn woorden nauwkeurig en zei toen: “Jij draagt geen kind
van mij.”
“En of! Ik heb het warm en koud tegelijk. En misselijk dat ik ben. Ik
krijg geen hap door mijn keel.”
Hij stemde deemoedig toe, plukte kussens van zijn zetel en legde ze
tussen de leuning en haar holle rug. Voorzichtig, pas op, kijk uit!
’s Avonds, toen hij zich klaarmaakte voor een nacht in de stad, waar
de jongens zich alweer verheugden over zijn gulle geilheid, nam hij
met een kus op haar voorhoofd afscheid van zijn nicht.
“Nee, op mijn buik,” zei ze, terwijl ze zijn hoofd naar beneden duwde.
“Bekommer je liever om je kind. Ik red me wel.”
Hij tuitte zijn lippen en beroerde voor het eerst in zijn leven het
kippenvel van zijn vrouw.
De jongedame buitte onmiddellijk haar positie uit. Tegen iedereen vertelde
ze over het kind dat in haar baarmoeder groeide. Niet langer moest ze
staan in de bus; de dorpelingen stonden grijnzend voor haar op en tilden
haar zelfs het blikken voertuig in&uit, als ze te kennen gaf geen
stap meer te kunnen verzetten. Bij de kapper kreeg ze de beste stoel.
Als de naar olijfolie geurende man met zijn voet het pedaal bewerkte,
haar gestalte zich ritmisch omhoog bewoog, en hij vervolgens voorzichtig
haar hoofdhuid masseerde, bedankte ze hem voor zijn zorgen. Ze beloofde
één van de veertien namen van het kind aan de scharenslijpende
heer te wijden.
Ze zette haar stoel op het binnenplein en zong liedjes voor haar ongeboren
kind. Ze droeg er zorg voor dat haar stem zich op cruciale momenten
verhief, opdat de buren het vreugdevolle nieuws niet ontging.
Dit alles gebeurde in de laatste dagen van mei, en de meeste dorpe-lingen
hadden nog nooit zo’n natte maand meegemaakt. De aangestampte wegen
waren drassig van de overvloedige regenbuien; auto’s zonken diep in
de modder en hun wielen tolden zinloos rond. De bomen kwamen maar niet
tot bloei en de bladeren die eraan zaten verteerden door het gebrek
aan zonneschijn. Maar de mensen zagen het niet, neen, zij waren vervuld
met het nieuwe kind dat over acht en een halve maand hun gelederen zou
komen versterken. Ze keken er reikhalzend naar uit – haha een kikakleine!
hoehoe een kekkikkerkind! –, want de stad, met zijn eeuwige feestlichten,
sociale vangnet en promiscuïteit, lokte de jeugd. Zodra de jongeren
een bromfiets konden besturen of hun vader het geld voor een busticket
aftroggelden, vertrokken ze naar kleine appartementen ver van hun verwekkers.
Alleen de ouderen bleven. Elk sterfgeval bracht de dood van het dorp
dichterbij.
Het zal na twaalf dagen zijn geweest, als ik het me goed herinner –
maar pin me er niet op vast, het kunnen er ook dertien of veertien zijn
geweest; het geheugen loopt over van verhalen – dat Suleika el Halal
haar eerste gaste ontving. Mouria, de slagersvrouw. Ze beende vastberaden
door de modder, met de sleep van haar gewaad in de ene en een klein
cadeau in de andere hand. Een flesje Chanel n° 5. Zorgvuldig verpakt
in zilverpapier. Ze feliciteerde Suleika uitbundig met haar zoon. Wat
kon het anders worden met dit weer? Hoe dan ook: eindelijk werd hun
huwelijk bekroond! De jonge vrouw nam het geschenk blij verrast in ontvangst.
Na de slagersvrouw kwam de kippenboer, en na hem verscheen de groenteman.
Ja, het hele dorp gaf haar geschenken. Schriften, rammelaars, konijnen
(dood en levend), de schappen en kasten puilden uit.
“Nu is het genoeg… Het spelletje moet maar eens uit zijn… Jij bent niet
zwanger van mij,” probeerde haar neef op een avond. Zijn verwijten werden
weggewuifd. Zijn echtgenote was niet van plan haar kind op te geven,
ze genoot teveel van de aandacht.
Het is waar: wij lieten ons in de luren leggen. De één
na de ander keerde terug, onder het mom van een theebezoek, met een
groter, duurder, mooier geschenk dan voorheen. Niemand wilde het enige
kind sinds jaren tekort doen, niemand wilde van het lot een noodlot
maken door gierig te zijn. Zo kon het dat er naast potten & pannen,
handdoeken & sluiers, en veel, heel veel zoethout, ook absurde giften
als wieldoppen, een met gouden bloemen versierde lepel en een half servies
hun weg vonden naar het huis. En laten we eerlijk wezen: sommigen konden
het zelfs niet helpen het geschenk van hun voorgangers onherstelbaar
te beschadigen of zoek te maken, als ze dachten dat ze met hun eigen
verrassing niemand konden aftroeven.
Op een dag stoomden toevallig de hooggeleerde toverdokter, de oude
fkih dus, en de langbaardige imam tot hun beider ontsteltenis
tegelijkertijd door de straat. Hun woordenwisseling begon bij het kleine
marktplein en bereikte zijn hoogtepunt bij de altijd openstaande voordeur.
Hier kneep de imam zijn tegenstander venijnig in de arm, waarop hij
een tirade van vijf minuten in ontvangst mocht nemen.
Ze werden door een bediende naar de tuin gebracht. Suleika ontving hen
met een glimlach en wellicht was ze in andere omstandigheden geschrokken
van hun rommelige, opgewonden verschijning. Maar ze leefde in een volmaakt
delirium, deels door de aandacht die ze kreeg, deels door de toestromende
geschenken. Zodat ze geen tijd had om verontwaardigd te zijn over het
ongepaste schouwspel. Met weinig bescheiden plechtstatigheid ging ze
rechtop zitten en vroeg de mannen wat ze kwamen doen.
De imam, die in zijn hele leven al drie keer met de duivel had geworsteld,
en die bij hoog en laag volhield dat de Sjaitan steeds incarneerde in
de vorm van de fkih (wat het dorp een beetje gek vond), zette uiteen
dat hij zijn zegen over het ongeboren kind wilde uitspreken. Het belichaamde
immers de hoop van het dorp en moest met respect behandeld worden.
“Luister toch niet naar die kwansel,” sprak de geneesheer toen. “Hij
wil gewoon zijn eigen loftrompet bespelen. En – het spijt me dat ik
dit zeggen moet in bijzijn van een dame – ik geloof dat hij er inderdaad
lenig genoeg voor is. Hij oefent elke dag.”
“Zwijg, jij ordinaire oplichter,” tierde de imam, terwijl hij krullen
draaide in zijn machtige baard. “Wij laten ons niet misleiden door iemand
die het boek der boeken nooit heeft ingekeken.”
De heren noch Suleika zagen hoe de man des huizes door de dubbele galerijen
beende. In zijn handen de verslagen van zijn investeringen en achter
zijn oor het potlood waarmee hij zijn verantwoordelijkheid bekrachtigde.
Met verwoede halen, die zijn ergernis benadrukten, ondertekende hij
de documenten. Het viel hem makkelijker geldelijke verliezen te incasseren
dan een kind te erkennen. De gasten schrokken toen hij plots vroeg of
de heren bleven voor de maaltijd – alleen met een volle maag kan men
kibbelen over het aards verval.
Ze vertrokken ijlings.
Die avond lurkten de imam en de fkih aan hun waterpijpen tot ze erbij
neer vielen. Ze droomden over de buitengewone daden van de baby.
Er werd een groot feest georganiseerd ter ere van dat wonderlijke kind
in de buik van Suleika el Halal. Men vergat de verwerpelijke streken
van de vader, men vergat het hebzuchtige, onnozele gedrag van de moeder.
Alle bedenkingen werden overspoeld door een vloedgolf van vreugde. In
het arme, verbleekte dorp steeg de geur van gebakken lamsvlees op, vermengd
met het geluid van feestvierende mensen, en het trok diep in het poreuze
hout van de huizen, in de gewaden van mannen en vrouwen. Het leek zich
permanent te vestigen in kieren en hoeken, zodat het dorp nog weken
nadien de opgewonden sfeer proefde.
De mannen moesten hun geplande bezoeken aan de vriendelijke schoot van
Suleika afzeggen. Ze durfden het kind niet te wekken met hun al te ongeduldige
plaagstoten. De toekomstige moeder werd weer een nette vrouw – nee…
ze wilde wel maar mocht niet meer.
Ik zag mijn kans schoon en klopte bij Suleika aan met het verzoek of
ik eindelijk van haar welwillende bekken gebruik mocht maken. Ik droomde
over het ritme van haar ademhaling, van haar hart. Ze kleedde me uit,
keurde me, en zei toen wat ze altijd zei “nog niet, je moet eerst groeien,
maar je mag toekijken.” Teleurgesteld ging ik weg. Ik had al te veel
behaarde mannen op haar zien liggen.
De imam liet zich aanvankelijk meeslepen met de rest van het dorp.
In zijn zeldzame preken liet hij zijn toch al lage stem tot baritondiepte
dalen als hij over de komende geboorte sprak. Het was een godsgeschenk,
dacht hij. Maar er waren voortekenen.
De eerste keer wilde hij op zijn persoonlijke tapijt gaan bidden, en
zag dat er een inferieur exemplaar voor in de plaats was gelegd. Hij
dacht dat de werkster het oude aan het herstellen was. De tweede keer
dat de excentrieke, vierenzeventig jaar oude geloofsheer iets miste
uit zijn moskee, zonder de minaretten waar hij naar verlangde, was op
een dinsdag. Hij beklom de trap naar zijn spreekgestoelte, sloeg het
boek open, vuurde zijn blik af op de trouwe onderworpenen. Eerst zag
hij hun kale hoofden, daarna richtte hij zijn ogen zoals gewoonlijk
op de muur erachter. Het gouden zwaard ontbrak en hij dacht: de schoonmaak
valt vroeg dit jaar.
Maar zaterdags, toen hij in zijn mooiste gewaad voor de menigte stond,
ontbrak het boek der boeken. Het was alsof hij verkouden werd in de
volle zomer toen hij paniekerig zijn vingers over de lege plek liet
glijden en hij dacht verschrikt: verduiveld, nu gaan ze te ver. Hij
schortte de dienst op en riep zijn werkster bij hem. De vrouw bloosde
hevig, struikelde over de lettergrepen. Ze wist niet waar het boek gebleven
was
“Dan is het gestolen,” concludeerde hij.
“Onmogelijk,” bezwoer de kranige dame, die zijn blik ontweek, “in dit
dorp zijn geen dieven. Er is niks gestolen sinds we die zwerver hebben
opgehangen.”
Vanaf dat moment ontwaakte zijn verstand en begon hij te beseffen wat
er in het dorp gaande was, tot ieders verbazing. Want de imam werd weliswaar
met alle egards behandeld, men vond ook dat hij zijn uiterste houdbaarheidsdatum
ver had overschreden en dat hij & zijn ideeën te ouderwets
waren voor nieuwe tijden. Ter verduidelijking: zijn dagen begonnen meestal
om twaalf uur, nadat hij de ochtend lui lezend in zijn hangmat had doorgebracht.
Daarna baadde hij zich uitvoerig en parfumeerde zijn oksels, nek en
knieën alvorens hij zich in zijn kleed liet glijden. Aan dit overdreven
vertoon had niemand behoefte. De mensen hadden verschillende kandidaten
ter vervanging naar voren geschoven, met het excuus dat hij toch eindelijk
moest gaan genieten van zijn welverdiend pensioen. Ze werden een voor
een afgekeurd. Te licht, te weinig verstand, te lelijk, te knap – niemand
kon aan hem tippen. Hij duldde geen tegenspraak en slechts een enkeling
nam hem nog serieus.
Toch begon juist hij de gemeenschap aan te spreken. Tegen zijn gewoonte
in stond hij voor dag en dauw op en klopte bij verdachte personen aan,
zodat ze, nog versuft door slaap en nachtelijke activiteiten, geen kans
zouden zien een leugen te verzinnen. De mensen doorstonden evenwel zijn
kruisverhoren. Niemand gaf toe en niemand beschuldigde een buur van
de diefstal. Ze waren opvallend eensgezind. Hij weet dit in het bijzonder
aan het voortschrijdende verval der zeden en de afkalving van het geloof
in het algemeen.
Het was onvermijdelijk: op een gegeven moment bezocht hij het huis van
Suleika el Halal en haar verderfelijke man. Hier werd hem alles duidelijk.
Hij zag de onstellende hoeveelheid geschenken, de juwelendoosjes, de
tafeltjes, gedroogde appels, vogelkooien et cetera en hij begreep wat
er gaande was: “Wee mijn ach - Allah is groot, en Allah is machtig,
maar moet Hij me zo op de proef stellen? Ach mijn wee. Er groeit een
djinn in dit dorp… aiaiai. En wij zijn allemaal zijn ouders.”
In tijden van nood is een eerlijke vijand waardevoller dan een leugenachtige
vriend, dus nam de imam onmiddellijk contact op met de fkih. Ze besloten
dat de vrouw een onderzoek moest ondergaan.
Suleika, die verveeld over haar buik wreef, werd bij haar schouders
gegrepen en naar de praktijk van Moreno gebracht. Deze neger en ongediplomeerd
huisarts had zijn gereedschap – twee scalpels, een stethoscoop en een
blaasbalg – tevoren in de zon gelegd om eventuele onzichtbare ziektekiemen
te verdrijven en hij stond op haar te wachten. Hij leidde de vrouw vriendelijk
naar de keuken annex operatiekamer. Ze werd op de tafel gelegd. Om haar
hoofd knoopte men een blinddoek.
“Hoever bent u?” vroeg de neger.
“Twee maanden.”
Moreno was negenennegentig zomers jong en hij ging er prat op de wijsheid
van mensen twee keer zo oud in pacht te hebben. Dus toen hij zijn stethoscoop
op de buik van de jongedame plaatste en het ruisen van een jong hart
trachtte op te vangen, twijfelde hij volgens de overleving hooguit twee
seconden.
“Dit kind is dood,” zei hij plechtig en hij legde een hand op het hoofd
van de teleurgestelde moeder.
Het illustere drietal, de toverdokter, Moreno en de imam waren het eens:
Suleika el Halal moest met alle middelen voorhanden behandeld worden,
om de wrokkige geest van het ongeboren kind uit haar schoot te jagen.
Ze werd geklopt, geslagen en kaal geschoren. Men trok aan haar tepels
en gooide drie emmers water over haar lichaam. Er kwamen poeders aan
te pas. De fkih mengde groene, paarse, blauwe, en ja, zelfs tenenkrullende,
haarsplijtende rode korrels. Hij strooide ze over haar kruin terwijl
hij zijn best deed de djinn angst in te boezemen met zijn onheilspellend
gekrijs.
De imam vond zijn boek terug tussen de geschenken en las urenlang voor
uit de profetieën. Zijn stem resoneerde in de straten. De mensen
huiverden van het geluid dat onophoudelijk tegen hun deuren beukte.
Maar toen de avond viel en men afgeleid werd door de zoete troost van
het bed, vergat men de dreigende woorden. Ze hoorden niet hoe de imam
zich schor preekte, hoe zijn piepende stem als een oude deur dichtsloeg.
En tegen de morgen was zijn krakkemikkige relaas onmerkbaar overgegaan
in de symfonie van de krekels.
De oude Moreno gebood Suleika, in een vlaag van wijsheid, zich te ontkleden.
Hij was van plan enkele essentiële onderdelen weg te snijden –
een veelbeproefde methode tegen hondsdolheid, hysterie, difterie, maar
ook toegepast bij buikloop, de maandstonde en kleptomanie. Ze weigerde.
Haar gehuil liet menig servies schudden en bereikte ten slotte ook de
oren van haar neef. De man had zich tot nu toe afzijdig gehouden. Hij
wilde de drie machtige mannen geen munitie geven waarmee ze hem uit
het dorp konden schieten. Ofschoon hij er dus allerminst naar uitkeek,
besloot hij – aangezet door een flinke dosis nieuwsgierigheid en een
beetje oprechte belangstelling – zijn verhaal te halen. Wat spookten
ze uit met zijn echtgenote?
Hij kwam net op tijd om te zien hoe Moreno de weelderige kleren van
haar lijf scheurde. De imam en de fkih draaiden hun hoofden weg, de
een omdat hij bang was voor Gods toorn, de ander omdat hij vreesde te
zullen worden opgegeten. Ze zagen niet hoe haar buik kromp en de inhoud
langs haar benen viel.
“Ik geloof dat we ons druk maken om niets,” zei de neger toen hij de
dot lappen zag waarmee de jonge vrouw haar jurk had opgevuld.
Suleika staarde ontzet naar haar lege buik, vouwde haar armen over haar
bekken. Stilte hield de mannen in haar greep. De imam en de fkih verbonden
er verschillende conclusies aan. De imam trok zijn oogleden van elkaar,
keek naar de vrouw. Een kreet van opwinding ontsnapte aan zijn mond
– mijn hahahart! Voor zijn voeten stond de leugen naakt en vreugdeloos
te rillen. Nieuwsgierig betaste hij haar huid.
De toverdokter was banger aangelegd. Hij dacht dat het adembenemende
zwijgen het werk was van de djinn (ze staan erom bekend hun slachtoffers
in steen te veranderen) en hij hield zijn ogen stijf gesloten Hij manoeuvreerde
zich achteruit door het deurgat, zette het op een lopen. Pas in de vertrouwde
omgeving van zijn eigen huis durfde hij weer vrijuit te kijken.
“Vrouw, wat heb je gedaan?” piepte de echtgenoot.
“Ik wilde een kind,” was alles wat ze uit wist te brengen.
De imam herinnerde zich plots de strenge religieuze voorschriften en
stormde het vertrek uit. De rest van de dag legde hij zijn gelaat te
weken in een bak water om de vrouwelijke indrukken uit zijn ziel te
bannen.
Suleika bleef de daaropvolgende week in haar huis. De eerste dag griende
ze zes en een half uur. Daarna trok ze zich terug in haar kamer, omringd
door de geschenken en bezong in stilte het lot van haar en haar kind.
Ze kon niet bevroeden dat de waarheid zich in allerlei bochten wrong
om de oren van het dorp te bereiken. (Moreno was altijd al loslippig.)
We ontdekten al snel hoezeer we waren misleid.
We weten niet wie het voortouw nam, maar we denken dat Mouria als eerste
de gedachte opperde – zij laat nooit een kans voorbij gaan om haar gelijk
te halen. Onze ideeën verspreidden zich als vliegen; ze landden
ongemerkt in onze hoofden; we speelden er een tijdje mee en wuifden
ze vervolgens weg, joegen ze uit onze huizen, om te moeten ontdekken
dat ze alweer een volgend adres bezochten. In ieder geval: we bestormden
het huis met de dubbele galerijen. Tierend braken we door de deur, met
een tevergeefs sussende imam in onze kielzog.
We vonden Suleika tussen de droogbloemen, rammelaars, wiegen en gouden
kettingen die we haar hadden geschonken.
“Vuile leugenaarster,” sisten we, “wij weten alles van je. Nee, hou
je vuige woorden voor je, ze zijn aalglad en misleidend. Nu halen wij
ons gelijk.”
En ons gelijk was reusachtig en trok zwaar aan onze armen. We zochten
onze geschenken, namen soms mee wat niet van ons was maar wat goed van
pas zou komen, ruzieden om de kleinste dingen. We ontdeden het huis
van zijn inhoud. Wat achterbleef was een kaal skelet met daarin een
jammerende vrouw en een hevig fulminerende man.
Suleika el Halal werd een verstotene. Haar man zette haar uit huis
en niemand in het dorp bekommerde zich om haar. Ze lag aan de kant van
de weg, vlakbij de verlaten school. De kinderen raakten snel gewend
aan haar aanwezigheid, sprongen over haar heen en trokken aan haar haren.
De imam herstelde het gebedshuis. Zijn werkster poetste het tweesnijdend
zwaard ijverig op en het weldadige schijnsel beroerde zoals vroeger
het gezicht van de gelovigen als zij weer eens beschaamd hun hoofd afwendden.
Er kwamen meer bezoekers. Hij las nu zesmaal per week voor uit het heilige
boek, en elke keer lagen de mannen tot ver buiten zijn moskee te bidden.
Ze gaven zich met een aan fanatisme grenzende verbetenheid over aan
de vijf zuilen.
Hun ogen vlamden op, hun kleden werden kleurrijker – bismallah! – ,
maar zelfs de meest kunstig geknoopte tapijten werden kaal van het vele
bidden.
“Jullie aanbidden vreemde goden…. Maar er is geen God dan God.”
“… dan God – amen.”
“Jullie hebben een djinn ter wereld gebracht. Maar God is terug – heil
Allah!”
“Wij zijn verschrikkelijke zondaars, moge Allah ons vergeven. Heil Allah!”
Na twee weken maakte de moëddzin een einde aan zijn leven. Hij
schiep er altijd een demonisch genoegen in om zijn weerbarstige, getaande
stem te verheffen en met een edel gebaar de moslims op te roepen tot
het gebed. Op de meest onmogelijke tijden riep hij ons; tijdens het
uur van de seks, tijdens de siësta, tijdens de maaltijd. Wij gingen
dan mokkend naar de tempel. Tegenwoordig echter stonden we al voor de
deur te wachten. De imam liet ons binnen en de moëddzin keek vanaf
het balkon getergd toe hoe we ons vrijwillig uitstrekten.
We vonden hem op een zondagmorgen, bungelend aan een broeksriem – van
wie is dat verwerpelijke tuig? – tussen de spanten van de moskee. Vliegen
bedekten zijn lichaam als een wriemelende deken.
De imam las die morgen met bibberende stem een soera of drie voor. Hierna
zweeg hij en liet hij zijn blik over onze gebogen ruggen gaan.
“Genoeg,” bulderde hij plots, en hij sloeg het boek der boeken dicht,
kuste de kaft en gooide de kudde onderworpenen de deur uit.
We begroeven de moëdzin onder een dadelpalm, waar de elementen
geen vat op hem hadden. De vrouwen jammerden met ijle stem, de mannen
prezen de dode vanwege zijn onverzettelijkheid. Moge God barmhartig
zijn, leve de grootmoedige Allah.
Amen.
We vervielen in apathie. Uit het dorp stegen niet langer smeekbedes
op, het zachtmoedige gekreun van de mannen ebde weg. Ze liepen verdwaasd
door het dorp, wisten niet waar ze met hun schuldgevoelens heen moesten.
Want de imam was onverbiddelijk – niet langer hoorde hij hun geweeklaag
aan. Sterker nog: hij verbood ze te spreken in zijn bijzijn.
Dagen later glipte ik tijdens de siësta uit mijn ouderlijk huis.
Mijn kromzwaard was tot aanvalsterkte opgezwollen en knikte me toe –
ga dan! Misschien wilde Suleika eindelijk mijn verzoek inwilligen.
Ze lag niet op haar gebruikelijke plek bij de school. Ik staarde minutenlang
naar de modder, alsof mijn wens volstond om haar terplekke te laten
materialiseren. Allah is groot, Allah is allemachtig prachtig. Heb medelij.
Toen hoorde ik iets vallen in het gebouw. Het was al sinds de dood van
de leraar in 1959 vakantie, dus ik verbaasde me erover dat er kinderen
binnen waren. Ik ging op onderzoek uit. De deur stond open (in ons dorp
zijn geen sloten) en ik trad binnen. In de eerste twee lokalen zag ik,
behalve een paar uitgehongerde ratten en spinnenwebben, niks. Het gebouw
zuchtte onder mijn belangstelling. Nieuwsgierig liep ik naar het derde
lokaal.
Daar wachtte mij een harenrijzend schouwspel. Suleika lag voorover gebogen
op een lessenaar. Haar armen en benen werden vastgehouden door vier
potige mannen, de rest stond in een halve cirkel om haar heen. Eén
van de mannen verschafte zich toegang tussen haar billen. Hij zwoegde
terwijl het zweet langs zijn rug liep. Zijn makkers moedigden hem aan:
“Schiet op, sneller… Wij willen ook. Pak haar van achteren, want haar
baarmoeder is ons zaad niet waard.”
Algauw bereikte hij een jubelend hoogtepunt. Hij nam niet eens de moeite
om haar achterste schoon te vegen met de punt van zijn gewaad, liet
het in plaats daarvan weer over zijn knieën zakken en nam plaats
tussen zijn gelijken. Er andere man volgde, en nog één.
Bij de zevende slaakte Suleika, die tot dan toe alleen maar met haar
hoofd had gezwaaid en soms knipperde, een vreselijke gil. Ik schrok,
deinsde terug en viel over vreemde voeten. De imam. Hoe lang stond hij
daar al? Hij duwde mij opzij en beende het vertrek in.
“Zijn jullie helemaal…? Wat moet dat? Daar komen duivelskinderen van,”
bulderde hij. Juist op dat moment stokte het gehijg van de zevende bronstige
man. Zijn greep verslapte en Suleika gleed van de lessenaar. De imam
begon de mannen te slaan met zijn stok. Ze lieten zijn kastijding gelaten
over zich heen komen.
Hevig geschrokken van de imams woede, bleven de mannen binnen. Ze meden
de blikken van hun vrouwen. De geloofsheer riep op tot het gebed, maar
alleen ik stond klaar om mijn kansen op een gros verrukkelijke maagden
in het hiernamaals te vergroten. Eerst las hij een halve soera voor.
Daarna vertelde hij me dat gedachten alleen je niet kunnen corrumperen.
Daarna murmelde hij een klaaglied.
De imam ontbood de fkih en Moreno. Ze sloten zich op in de moskee om
te overleggen. Moreno opperde het idee om een gaatje te boren in het
hoofd van de grootste gekken, zodat de kwade lichaamssappen eruit konden.
Hij kon zelfs korting geven – tien hele procenten – op deze dure behandeling.
“Neeheehee,” mekkerde de fkih. “We moeten ze zeven minuten onder water
laten zwemmen. Zo’n grondige wasbeurt verwijdert zelfs de vaagste sporen
van onzedelijkheid.”
Duivels, zeiden ze, de mannen waren duivels.
Het drietal schafte een bril aan, om de waarheid beter te kunnen onderscheiden
van de leugen. Ze bezochten om beurten de waanzinnige vrouw bij het
schooltje en wasten haar of streelden haar trillende handen.
“Er is geen medicijn of gebed op aarde dat ons kan genezen van een enorme
teleurstelling,” vertelden ze aan elkaar.
Na enig zoeken vonden ze een passend kussen, zo een die men kan vinden
in brede, diepe ligbanken. Tegen zes uur, toen de volwassenen hun tafels
dekten en in pannen roerden, stapte het drietal op de rondzwervende
kinderen af. Kwajongens gooiden steentjes tegen de vrouw. Eén
ventje liet zijn broek zakken en schudde zijn blote billen in haar gezicht.
De komst van de mannen zorgde voor beroering, enkele kinderen vluchtten,
maar de moedigste vlegels bleven staan en wachtten uitdagend op een
donderpreek.
“Brengt dit kussen naar mevrouw Suleika el Halal,” sprak de imam tot
één van de jongens, “en zeg haar dat ze een nieuw kind
heeft gekregen, met de complimenten van de imam en de fkih. Heil Allah.
Amen”
|
 |
 | |
|