


|  |
Frédéric Leroy
Blankenberge
Zij (belegen sloerie)
speelt het link, doet zich voor
als dame, koketteert en vouwt zich open
als een strandparasol, deelt vanille-ijs uit
en verse Berlijnse bollen, kirt van plezier
tijdens hoge, dwaze rondjes op de velodroom,
wuift als een diva naar de uitzinnige massa
die haar schelpjes voor de voeten gooit;
men adoreert haar, likt haar tenen,
offert haar klaprozen uit cellofaan
en op de stadhuisvlag prijken
(als smaakloos eerbetoon)
haar blanke borsten.
Maar, onder haar zware rokken
stinkt ze naar algen – het is leedvermaak
dat ze als zandkorrels hoorbaar laat knarsen
(wanneer tevergeefs een halfdappere augustuszon
zich in staketselhout vast probeert te bijten,
zware golven de zomerkleuren wegspoelen
met vunzig, schuimend water).
Zij, ach ja, zij
is oorspronkelijk – de gestrande gedachte
van een garnaalvisser die zwijgend de kim beloert
(de ruggengraat tussen land en zee geklemd,
op zijn schouders het tumult van kleiduivels
die van de zee niet weten, kermissen houden,
dansen rond het vuur),
en met betonnen vingers grijpt ze
naar de hemel, terwijl klokkengeluid
alweer een nieuw kadaver aankondigt
in deze stad van stervenden, deze kanker
die gulzig teert op bejaardenrot.
Zij, mijn lief,
is een viswijf dat ruikt naar pis,
voorbijgangers te lijf gaat met droge wijting,
zand in open ogen strooit,
en toch, en toch,
mijn bleke geuzenhart draagt haar
hoog als het schuim op de golven.
|