Terug naar de cover
Terug naar de inhoudstafel

Frédéric Leroy

Onrust

Over de pijnboomgrens wacht de maan halfvol
en geel als een zuurtje op alarmfase twee
van het nachtelijk rampenplan. “Er lijkt wat,”
fluister je, “er lijkt wat in het gras te leven.”

maar ook jij weet: dit is geen leven, dit is
het stuiptrekkend sterven van iets jong
en vormloos. “Wat dan?” Noem het
een gedachte, noodlottig in het gras verloren
door dat meisje in haar witte jurk (deze middag,
toen de zon scheen en er gezongen werd).

Jij legt je te slapen, naakt onder de bedsprei,
beeldt je stilte in, ik streel je haren en jij
ontwerpt zelfs een glimlach,

alles lijkt vredig,
terwijl de wind zich door de kieren sleept.