


|  |
Frédéric Leroy
Verwelkoming
Als ik al iets van eilanden heb begrepen
dan is het wel dat ze met ons, vrijbuiters,
niet altijd het beste voor hebben, dat het
ons niet is gegeven om bij het aanmeren
in een baai de demonen te ontwaren,
bedacht te zijn voor het onheil dat schuilt
in wat eerst verwelkoming leek: de koelte
van de bladerdaken langs het strand,
de oranje netten die de vissers herstellen
of de plotse geur van geroosterde poon,
wisten wij veel dat het voortekenen waren,
dat Zij, vergezeld van de zonsondergang,
als de gekalkte huizen in de havenmond
een afgesleten gebit lijken, uit het niets
verschijnen kan, mooi en onafwendbaar,
dat het dan te laat is, dat de zaadjes
van het kwaad al in ons gezaaid zijn
als Zij haar inktzwart avondlied aanvat,
met haar voeten in het zand begraven,
haar dijen geopend als een rattenval.
En als ik íets van eilanden heb begrepen,
dan is het wel dat ze met ons, vrijbuiters,
niet altijd het beste voor hebben, dat het
ons niet is gegeven om bij het aanmeren
zeker te zijn van de dag van ons vertrek.
|