![]()   |
 |
De onsterfelijke dichter Twee epigrammen uit de Anthologia Graeca
Vertaling: Patrick Lateur
De Anthologia Graeca is een verzameling van zowat vierduizend
epigrammen uit een meer dan duizendjarige periode van de 6de eeuw v.C.
tot de 6de eeuw n.C. Naast de bekende erotische epigrammen en tal van al
dan niet fictieve grafgedichten bevat deze Griekse Anthologie
o.m. ook een paar honderd dichterlijke epigrammen, waarin dichters en
hun werk centraal staan. Daaruit twee epitafia met als thema de
onsterfelijkheid van de poëzie.
Epigram 7.80 is een grafdicht van de bekende hellenistische dichter
Kallimachos (ca. 305-240 v.C.) voor zijn vriend-dichter Herakleitos van
Halikarnassos.
Epigram 7.713 schreef Antipatros van Sidon (2de eeuw v.C.) voor de
dichteres Erinna (midden 4de eeuw v.C.). Het epigram ging een editie van
haar fragmentarisch bewaard epyllion Het spinrokken vooraf.
7.80
Iemand zei me dat je was gestorven,
Herakleitos. En ik moest wenen.
Ik dacht toen aan de vele keren
dat wij samen praatten
tot zonsondergang.
Vriend uit Halikarnassos,
nu ben jij allang ergens een hoopje as.
Maar jouw gezangen leven verder.
Hades, die alles wegrukt, zal daarop
de hand niet leggen.
7.713
Weinig verzen schreef Erinna,
geen langdradige gezangen,
maar uit dit kort gedicht van haar
spreekt de Muze.
Zo verdween zij niet uit de herinnering,
de zwarte nacht omhult haar niet
met het duister van haar vleugel.
Maar, voorbijganger,
wij, de nieuwe dichters,
wij kwijnen weg met duizenden,
in niet te tellen hopen worden wij vergeten.
Een korte zwanenzang is meer
waard dan gekras van kraaien
dat wijduit echoot in de lentewolken.
|
 |
 | |