Terug naar de coverTerug naar de inhoudstafel

Poolijs
Eerste prijs van de verhalenwedsrijd van De Brakke Hond 2005

Ruth Lasters

Als bij ik-ga-op-reis-en-ik-neem-mee was het, maar dan omgekeerd. Telkens viel er een schakel af. Vorig jaar nog had ze een huis in de stad gewild, een kind, ze had elke dag aldoor verlangd dat het al avond was, dat Freek zijn ijsmachine stillegde, haar op zijn schoot trok en in haar kwam. Vorige maand wilde ze een huis in de stad, een kind, maar ’s avonds wilde ze dat Freek met zijn fikken van haar afbleef. Vandaag, vanavond aan deze bushalte, wil Luus alleen nog de stad, de aula in de Duvalstraat. Daar in het donker is het alsof haar gedachten in diaraampjes worden gevat, alsof ze net als de schilderijen die Hugo elke week uitkiest, geprojecteerd worden op het scherm voorin de zaal, betekenis krijgen onder zijn uitleg. Hugo praat de jeuk uit haar hoofd. ‘Ze heeft het weer. Jeuk in haar kop,’ heeft ze Freek eens horen zeggen in de cafetaria boven de ijsbaan.
De jeuk eist vreemde dingen van Luus. Woorden, meestal eist hij woorden die plots als een spandoek tussen haar slapen spannen tot ze erin slaagt ze iemand anders te doen zeggen. Vermicelli, brandladder, poolbeer, axel. Dan weer draaft de jeuk als een kleine, controlezieke magazijnier door haar geheugen. Een vrachtwagen met duivendrek op de voorruit nadert de busstrook en Luus denkt: wanneer heb ik voor het laatst een duif gezien. Twee weken geleden, vorig jaar, gisteren. Ik kan het mij niet herinneren, denkt ze. Misschien zetten de hersenen een quotum op duiven waarnemen. Misschien zeggen ze: vijftig duiven hebben we nu al bewust gadegeslagen. We hebben het begrip duif nu wel voldoende doorgrond ondertussen, we kunnen het eender waar in al zijn details voor je oproepen, vijftig duiven is genoeg. Misschien hebben de hersenen op alles een quotum staan, denkt ze. Op labradors, op adamsappels, zonsondergangen, en als alle quota bereikt zijn, gaan ze op vakantie, verschijnt er een waas in je hoofd waar geen enkel signaal meer doorheen kan. Zelfs het claxonneren van een vrachtwagen niet. Ach vent, ik sta toch enkel wat te lullen in mezelf, ik hoor je immers wel, ik ga meteen wel opzij, schei toch uit, ik kan zo niet denken, denkt ze.

. . .

‘Dit is een misverstand,’ schreeuwt een man op een witte vlakte. Hij hoest, wil zijn hand naar zijn mond brengen, maar ze kleeft vast aan het koude oppervlak. IJs, denkt hij. Dit is ijs, strakker dan het strakst gespannen canvas. Ik hoor hier niet te liggen. Waarom lig ik hier, denkt hij. Ik hoor dingen als ijs zelf te bedenken. Transparante tekenmappen die studenten voor de gein in elkaar passen, meer is ijs niet. Meer zou het niet mogen zijn.

. . .

Ik heb het geprobeerd, Luus. In oktober. Ik heb tribunes gemaakt uit lege drankkartons. Ik heb ze geverfd in de kleuren van dat schilderij in dat boek van jou. 1942-1943, oil on canvas. Ik heb dat godganse schilderij eruit gerukt, de vier stukken tribune eromheen gezet, de boel aan elkaar geplakt en in de cafetaria gezet naast die maquette met die ijsbeertekening in het midden van de Scherpe Schaatsers. Hij zat een croque-monsieur te eten toen ik binnenkwam. Hij, hem, Hugo. Zo nu en dan legde hij zijn vork neer en krabbelde iets op de achterkant van een flyer, zo één met Ice Palace vernieuwt zijn ijsbaan erop gedrukt. Heel het complex was ermee bezaaid geraakt, met die flyers, sinds jij ze niet meer met stapels in de vuilbak propte.
Dat als ík het hier voor het zeggen had dat uit den boze zou zijn, hier zitten schrijven, dacht ik toen ik hem zag. Hier wordt geschaatst, man, zou ik zeggen. Hier wordt gereden, pirouettes gedraaid, zo veel en zo snel dat elke kut hier smaakt naar middelpuntvliedende kracht.
Hugo lachte toen hij me zag. Nee, hij grijnsde zoals hij naar zijn dochter grijnsde als ze beneden weer eens op haar kont ging op het ijs. Maar toen hij de ondergrond van mijn ontwerp zag werd hij bloedernstig zoals ik dacht dat alleen jij dat kon, bloedernstig worden over iets onwezenlijks als lijnen en vlakken. Ik werd er kwaad van als je tegen mij over zo’n dingen begon. Er waren zoveel andere dingen waarover ik het wou hebben met jou. ‘Over wat dan?’ zei je. We stonden in de douche. Het water liep, zoals dat nou eenmaal gaat in douches, in lijnen langs de tegels, maar jij zei doodserieus: ‘Het zoekt een geometrische ordening. Het zoekt wat Mondriaan zoekt, een vereenvoudigde, geordende werkelijkheid.’ Bullshit, Luus. Water zoekt okselholten. Water zoekt opgehoopt zweet. Water zoekt vuile lijven en lijven zoeken elkaar. Zoals dat hier bij wedstrijden gaat. Twee schaatsers komen op, vlechten zich in elkaar tot één beweging en als ze helemaal zijn uitbewogen verlaten ze het ijs voor weer andere lijven.
‘Je brengt me op een idee,’ zei Hugo naar mijn maquette starend, naar dat schilderij dat ik in het midden had vastgekleefd. Het schrijven hernam weer, sneller nu, gedrevener. De ene flyer was nog niet volgezeikt of hij graaide al een nieuwe van de toog, een vernietigende blik op het ontwerp van de Scherpe Schaatsers werpend. ‘Een ijsbeertekening op een ijspiste, kan het nog voorspelbaarder,’ zei hij. ‘Luus had een hekel aan voorspelbaarheid.’ Ik niet, dacht ik, ik niet. Wij waren voorspelbaar, Luus. Wij hebben geneukt op de rubber mat naast de piste terwijl Jacques van de lichtshow en de muziek dat al weken had zien aankomen. Naast die voorspelbare ijsbeer die in gedachten al altijd onder deze - onder elke - ijsbaan verscholen lag hebben wij voor het eerst gevrijd, Luus.

. . .

Wie weet hoe dun dit ijs wel is, denkt de man kuchend. Wie weet vriest het niet eens meer. Wie weet is de dooi al ingezet. Wie weet is dit wel de Hudson River. Weet is dit alleen maar de plas in Central Park. Wie weet is deze vlakte geen vlakte maar dat laken van daarstraks. Hij ziet weer hoe een vrouwenhand een laken tot onder zijn kin trekt, vaststopt onder zijn voeten. Ik ben een spieraam, had hij toen gedacht. Ik ben spielatten waarover een doek wordt gespannen. Murray Hill, schiet het hem te binnen. Hij tilt zijn hoofd op. Alsof er een ijzige, dan weer brandende vloeistof onder zijn wang loopt, voelt het. Murray Hill Hospital. Hij was in het ziekenhuis daarstraks. Pneumonia. New money ja, voor die kleredokters, voor die yankees.

. . .

Ik vond het maar kut, die kunstcursus van hem, Luus. Of nee, ik vond het te weinig kut. Te weinig kut op dat scherm en te veel oersaaie vlakken, lijnen of van kop tot teen geklede lijven.
Ik ben er naar toegegaan. Ik heb de bus genomen waar jij de week daarvoor nog op had staan wachten. Amper zeven dagen was het geleden en er viel al niks meer te zien daar. Geen druppel verdroogd bloed op het asfalt, geen kale plekken in de berm waar de vrachtwagen tot stilstand was gekomen.
Ik heb het geprobeerd, Luus. Ik ben in die zaal gaan zitten tussen al die ernstige gezichten. Ik heb geprobeerd om net als zij naar dat scherm te staren. Maar het enige wat ik zag is dat het een verdomd klein scherm was. Hoeveel van zo’n schermpjes er in de ijsbaan konden zat ik me daar af te vragen. Dat had ik Hugo willen vragen in die zaal. Ik had het willen schreeuwen door zijn geleuter over vlakverdeling en kleurcompodinges heen. En dat het bovendien nog eens niet van hem is, zat ik daar te denken, Luus. Dat niks daar van hem is, noch dat scherm, noch de schilderijen die hij erop projecteert.
Om tien uur ’s avonds zijn alle krassen die iedereen hier de godganse dag achterlaat van mij, Luus. Ik denk aan jou als ik ze zie. Zo moet het ongeveer geweest zijn vanbinnen in haar kop, denk ik dan. Alsof er microscopisch kleine schaatsers door haar schedel zoefden. Zo stel ik het mij voor, Luus.
Ik bekijk die sporen terwijl ik ze gladwals, maar ik lees er geen betekenissen in. Het zijn gewoon lijnen. Ze zijn geen voorstelling, geen vereenvoudiging van niks, Luus. Niet alles heeft behoefte om iets anders te zijn, naar iets anders te verwijzen. Sommige dingen zijn zo eenvoudig van zichzelf dat je ze net ingewikkelder zou willen maken. Dingen waar je geen seconde onderuit kan, die er simpelweg zijn zoals het gekras van een slijpsteen op messen. Je hoort het en je denkt: iemand slijpt daar iemand slijpt daar iemand slijpt daar schaatsen, zonder dat je er ook maar één seconde over kan redeneren.
Misschien zijn haar messen simpelweg te bot. Misschien komt het daardoor dat ze meer op haar kont ligt dan dat ze rechtop staat, dat jong van Hugo. En telkens ze valt moet het helemaal overnieuw heel die choreografie op telkens helemaal overnieuw God left os op waar we belong, zo spreekt dat kind dat uit, Luus. En vader Hugo maar naar haar grijnzen vanachter de cafetariaruit. De enige choreografie - zo ze al bestaat - waar Hugo iets van snapt is die van de verf. ‘De choreografie van de verf’. Daar had je het eens over toen je weer eens helemaal dolgedraaid van zijn cursus kwam. Verf staat stil, Luus. Zelfs de meest virtuoze verftoetsen staan stil. Hier op dit ijs beweegt alles. De ene kras overlapt hier de andere voor iemand op het idee komt ze van naderbij te bekijken, laat staan ze vast te leggen voor de eeuwigheid, ze te vertonen op een scherm in een zaal vol kwezels.

. . .

Tussen twee hoestbuien door hoort hij stemmen in de verte, flarden van gesprekken die zich tevergeefs door de mist trachten te wurmen. Hij wil iets roepen maar dan doemt er plots een gestalte op uit de waas. Een vrouw is het die sierlijk aangeschaatst komt en vlak naast hem halt houdt. ‘Zo,’ zegt ze. Zei ze nu ‘so’ in het New Yorks of ‘zo’ in het Nederlands denkt de oude man terwijl ze een wollen hand naar hem uitstrekt en hem rechttrekt.
‘Dit is een schandelijk misverstand,’ stamelt hij over de lege vlakte starend. ‘Er is niets meer. Nothing. Ik heb alles altijd proberen terugbrengen naar minder, maar niets heb ik nooit gewild.’
‘Ik weet het,’ zegt de vrouw. Ze kruist haar armen en gaat om haar as draaien. ‘U hebt net altijd alles gewild. Alles maar dan bevrijd van zijn duizelingwekkende veelheid. Alles in één oogopslag zichtbaar.’
‘Precies,’ zegt de man. ‘Exact.’

. . .

Ik ben naast hem gaan staan, Luus. In het donker, het gezwijg van al die sombere gezichten heb ik het hem gezegd, Luus. Er stond een schilderij met een verwrongen kop op het scherm toen ik het hem vertelde. Het had nog wel iets dat schilderij. Dat gezicht klopte langs geen kanten, de kleuren niet en de verhoudingen niet, dat zag het kleinste kind, maar het was het eerste werk in een half uur dat me aansprak. Maar vraag me nu in godsnaam niet waarom, Luus. Waarom is van Hugo. Hele flyers heeft hij hier volgewaaromd. Hele achterkantjes vol waarom je daar bent blijven staan op die busstrook, desondanks het aanhoudend geclaxonneer van die vrachtwagen, het geschreeuw van voorbijgangers.
Hugo verstond het meteen. Ik had me er al zeven dagen en zeven nachten het hoofd over gebroken maar hij, hem, Hugo stond daar maar te staan in het schemer en het te begrijpen.
Dat je hem had verteld hoe het was, hoe het eraan toe ging in je hoofd, zei hij toen hij het licht had aangedaan, zijn les had afgelast. Dat je het er met hem na de cursus vaak over had gehad. Dat ik het mij moest voorstellen als een deeltjesversneller, zei hij terwijl hij een enkele dia uit een doos plukte en in zijn projector stopte. Alsof alle gedachten die je ooit had gehad plots opnieuw rondvlokten in je geest, alsof ze als deeltjes in een versneller tegen elkaar botsten en neerdwarrelden tot een witte, eindeloze vlakte. Hou toch je smoel, man, dacht ik.
Toen verscheen er een schilderij op het scherm. Datzelfde als datgene dat ik in oktober uit jouw boek gescheurd heb. ‘Ik vind het maar niks,’ zei ik naar dat onderschrift starend: 1942-1943, oil on canvas. ‘Luus vond het alles,’ zei hij. En toen begon hij over New York, over de schilder die met zo’n ontzettende eenvoud Broadway in lijnen en vlakken had gevangen en tot iets anders had gemaakt, tot iets gloednieuws. Dwaas, dacht ik. Blinde dwaas. Het is niet de vereenvoudigde voorstelling van een stad. Het is de plattegrond van een dag, van die lege, luchtige uren in de ijsbaan gevolgd door die misselijke minuten in die ziekenhuisgang, in dat koud vertrek achteraf.

. . .

‘Sta nou toch stil,’ schreeuwt de man hees. ‘Straks breekt het ijs. Straks breekt het hier nog stuk.’
‘Wie zegt dat dit ijs is,’ zegt de vrouw, alsmaar sneller om haar as tollend.
‘Natuurlijk is dit ijs. Wat is het anders?’
De vrouw wil iets terugroepen maar haar gedachten vlokken weg, lijken zich om te zetten in nieuwe centimeters mistige vlakte.
‘Schaatsen!’ schreeuwt de man die een stap naar rechts wil zetten maar wegglijdt. ‘Ik hoef helemaal geen schaatsen aan! Ik hoef hier niet eens te zijn.’
‘Ik ook niet,’ zegt de vrouw. ‘Maar nu we hier toch zijn.’
‘Nu we hier toch zijn wat?’ vraagt de man kuchend. De vrouw tilt haar linkerbeen op en schudt met haar schaatstop in de richting van de stemmen in de verte. ‘Nu u hier toch bent kan u hen net zo goed geven wat ze willen.’

. . .

Honderd. Ik heb dat eens zitten tellen van op mijn ijsmachine. Ongeveer honderd van die diaschermpjes kunnen er in de piste hier. Jij zou aan één keer tellen natuurlijk niet genoeg gehad hebben, Luus. Jij deed altijd alles her. Hertellen, heroverwegen, elke gedachte en indruk herkauwen in je kop tot je er kotsmisselijk van werd. En nu is het aan mij, Luus, het herdenken, het herinneren en ik ben er beroerd in. Je ogen, heupen, lippen. Alsof ik ze heel de tijd moet samendenken is het. Herinneren kan je het nauwelijks noemen. Een soort met terugwerkende kracht onthouden is het.
Hugo is er allicht beter in. Op het eerste gezicht dan toch. In hooguit twee seconden projecteert hij je lievelingsschilderij op zijn scherm. Met een druk op de knop denkt hij je te kunnen oproepen in zijn zaal. Maar Hugo vergist zich. Hugo vertoont roerloze beelden van dode schilders. Hugo vertoont verf die stil staat. Beweging, leven kan hij niet de baas. De dubbele schroeven, de drievoudige lutzen van zijn dochter begrijpt hij enkel als ze mislukken, eindigen in een val, een stilstand op het ijs. Dan pas kijkt hij op, vertrekt zijn intellectuele smoel tot een grijns.
Maar versta me nu in godsnaam niet verkeerd, Luus. Hugo’s rust, zijn kalmte was het enige wat de jeuk in je kop tijdig kon wegvreten voor je er helemaal door verstarde, er alles om je heen door vergat. Als je Hugo gezien had leek het even of je weer normaal was, in evenwicht met je zelf, alsof de dingen om je heen eindelijk weer tot je doordrongen. Dat je tijdens de training van zijn dochter vanachter de cafetariatoog naar hem kwijlde, dat je elke dinsdag helemaal gepoederd en geparfumeerd naar zijn aula in de stad trok, nam ik er graag bij.
Maar de jeuk sloeg terug. Het was alsof hij niet meer genoeg had aan zichzelf, alsof hij - zoals voor de Grote IJsshow hier - hele audities hield in je hoofd en alleen de gekste gedachten het haalden. Zoals die laatste avond voor je naar de bus ging en je plots, kost wat kost, Jacques ‘Paninistickers’ wou horen zeggen. Weet je nog dat je vroeger stickers verzamelde, Jacques? Ja, Luus, waarom? Wat voor stickers waren dat? Voetbalstickers, Luus. Ja, maar wat stond erop, op de verpakking? Ah, voetballers tuurlijk, wat anders. Ja, maar wat nog? Gras, voetballers en gras, Luus. Ja, maar... En zo ging het verder en verder tot Jacques niet meer wist of hij kwaad moest worden of in de lach schieten. Knetter was het.

. . .

‘Hen geven wat ze willen?’ zegt de man. ‘Ze, wie zijn ze? En wat willen ze dan?’
De mist trekt langzaam weg nu. Een lege tribune verschijnt in de verte. Er zit geen enkele toeschouwer op de banken en toch komen de stemmen onmiskenbaar van ginder.
‘Gedachten, ‘zegt de vrouw. ‘Ze zijn gedachten die daar met duizenden blijven zitten tot ze hun zin krijgen.’
‘Hun zin?’
‘Ze willen om de haverklap wat anders. Nu valt het nog wel mee. Nu willen ze alleen maar weten wie er wint,’ zegt de vrouw terwijl ze haar wanten uitdoet en in haar jaszak propt.
‘Wie er wat wint dan?’ Het hoesten herneemt weer. Alsof er een stapelwolk in zijn ribbenkast spant, is het.
‘Het duel natuurlijk.’ De vrouw gaat op haar hurken voor de man zitten en spant zijn schaatsveters aan.
‘Ik doe geen duellen,’ zegt hij schor. ‘Ik doe aan kunst. Aan binnenskamerse, veilige kunst.’
‘Net daarom,’ zegt de vrouw. ‘U doet aan kunst. Net daarom.’ Ze trekt zich weer recht aan zijn magere benen en geeft hem haar wanten. ‘Hier. U zal ze nodig hebben straks.’

. . .

IJs, ik hou van de onvolmaakte gladheid ervan. Van de onvermijdelijke putten die er altijd in blijven zitten als ik het afrijd en waar met wat geluk een Scherpe Schaatser in blijft haken. Er valt er nog maar zelden één, Luus. Hugo’s jong valt hier voor de hele schaatsbaan samen tegenwoordig. En hij maar opkijken, grijnzen en weer verder vreten van zijn croque-monsieur. Schrijven komt er niet meer bij te pas sinds hij me zijn volgekrabbelde flyers heeft overhandigd. Zes waren het er. Zes. Als speelkaarten legde hij ze naast elkaar op tafel. Vier trainingen had hij erover gedaan om het op papier te zetten en het daarna nog eens helemaal zonder doorhalen over te pennen. ‘Hier, lees het,’zei hij. Dat ik de jeuk in je hoofd niet moest trachten te begrijpen, maar dat ik er moest proberen in kruipen, beweerde hij. Dat ik me alleen zou kunnen voorstellen hoe het was als ik er, net als hij, probeerde in te stappen. ‘Stel je je echtste droom voor,’ging hij verder. ‘Of nee, stel je deze piste voor. Stel je voor dat ze leeg is en dat ze in je hoofd zit, tussen je slapen.’ Hou toch je kop, man, dacht ik. Stop al die flyers van mijn part in je strot. Schrijf jij maar achterkantjes vol, hou jij je maar bij begrijpen. Ik heb tribunes gevouwen voor haar uit stinkende drankkartons. Ik heb hele bankenrijen rood en geel en blauw en wit voor haar geverfd. Zelfs lullige figuurtjes heb ik uitgesneden en vastgeplakt op die Broadway Boogie Woogie die ik had gebruikt als ondergrond: helemaal in het midden een vrouw in standpirouette, een schaatsend koppel op het witte vierkant rechts vooraan, een kind op de tribune.
Al zeg ik het zelf, het geheel was prachtig, Luus. Aan mijn ontwerp zal het zeker niet gelegen hebben. Toen ik het naast dat van de Scherpe Schaatsers op de cafetariatoog zette, dacht ik: eindelijk, eindelijk kan ik die godganse kutclub eens voor schut zetten. Even kon ik mezelf wijsmaken dat ik het omwille van hen had gemaakt, om hun ijsbeerontwerp waar jij zo van gruwelde te boycotten. Of nee, dacht ik, ik heb het gemaakt om te tonen dat ik er altijd boven heb gestaan, boven jou en Hugo en die Mondriaan. Om te tonen dat, als er al iets te vergeven viel, ik jullie bij deze allemaal vergaf.
‘Ik doe het voor Luus,’ dacht ik toen ik die drankkartons openknipte in oktober. Maar toen ze vorige maand de koelinstallatie afzetten, het water wegpompten, de onderlaag van de piste afschuurden en begonnen aan die kinderachtige ijsbeertekening van de Scherpe Schaatsers, kon ik alleen maar denken: zie je wel. Zie je wel, Luus, dacht ik. De mensen willen een poolbeer. De mensen willen datgene erop laten zetten waar ze in hun verbeelding eigenlijk al jaren overheen schaatsen. De mensen hebben gelijk, Luus.

. . .

De wanten knellen om zijn oude handen. ‘Wacht!’ roept de man, maar de vrouw schaatst razendsnel naar de tribune. In de verte komt een witte, logge gedaante aangekropen. ‘Een beest,’denkt de man. ‘Een duel met een beest.’ Hij kijkt naar de vrouw die op de onderste bank gaat zitten nu, tussen de joelende stemmen. ‘Net daarom,’ hoort hij haar weer zeggen. ‘U doet aan kunst. Net daarom.’ Hij sluit zijn ogen even, schraapt zijn keel en schaatst dan in korte lijnen, alsof hij zich steeds van richting bedenkt, de vlakte over. Dan rijdt hij langs de zijkant terug naar zijn beginpunt, legt opnieuw hetzelfde parcours af, maar oneindig maal trager nu, zijn messen - bij gebrek aan kleuren - met verschillende dieptes in het ijs plantend. Een eeuwigheid lijkt het te duren eer de kunstenaar weer aan de overzijde is. Ondertussen is er gegniffel opgestegen uit het onzichtbare publiek. ‘Lafaard,’ wordt er geschreeuwd. ‘Sukkel! Schijtluis!’ Maar als het logge beest zich aan de overkant rechtzet op zijn achterpoten, wordt het stil op de tribune. Grommend komt het dier dichterbij tot het het net door zijn tegenstander bereden stuk ijs bereikt. Daar blijft het met zijn klauwen haken in de uitgekerfde vlakken, lijnen van West 49th Street, Columbus Circus, 8th Avenue, Broadway. De ijsbeer struikelt, gaat onderuit.