![]()   |
 |
Ik had met Uma Thurman kunnen trouwen
Derde prijs verhalenwedsrijd De Brakke
Hond 2005
Ernest Van der Kwast
Mijn opa van mijn moeders kant had aanleg voor acteren.
Hij heeft in meer dan veertig Bollywoodfilms gespeeld, altijd hetzelfde
karakter – een malafide, spastische riksja-uitbater. Hij is slechts
in drie films niet met rolstoel en al in een rivier geduwd. In Bombay
kon hij niet over straat; hij had de status van een popster, droeg de
duurste zijden pakken en dineerde met ministers en cricketspelers. Zijn
begrafenis was een dag van nationale rouw. In heel India reed er geen
riksja over straat.
Mijn moeders vader had aanleg voor kinderen maken. Elf in totaal. En
slechts één gehandicapt, Tante Gerda. Ook zij zat in een
rolstoel, alleen speelde ze dat niet. Tante Gerda was spastischer dan
mijn opa ooit had uitgebeeld. Ze had moeite om door haar neus te niezen.
Elke keer dat ze niesde, ging haar mond open, alsof ze onverwachts enorm
moest gapen. Als je in haar buurt was, zat je onder het snot, van top
tot teen. Ik ben een keer in mijn gezicht geniesd door tante Gerda,
en toen zat het snot zelfs aan de achterkant van mijn jas.
Tante Gerda had aanleg voor niezen.
Mijn vader had aanleg voor kiezen trekken. Hij had een tandartspraktijk
in Hilgersberg, het Oud-Zuid van Rotterdam. Iedereen die er met een
rotte kies op bezoek kwam, ging er met een gouden kies vandaan. Soms
kwamen er ook jongens uit het centrum die hun hele spaargeld afgaven
en een gezonde kies lieten vervangen door een gouden.
Mijn vader had aanleg voor kiezen trekken, en aanleg laat zich maar
al te graag omzetten in geld.
Sommige mensen weten hun aanleg niet te verzilveren. Ze dragen het hun
hele leven mee als een last op hun rug, om er uiteindelijk mee begraven
te worden. Terwijl ze volkszanger hadden kunnen worden, of textielbaron,
maar ze konden niet tegen de rook in cafés of hun vrouw wilde
niet in Twente wonen.
Ik was vierentwintig en had aanleg voor verlaten worden. Ik zou er nooit
mee begraven worden. Mijn talent liet zich niet begraven, mijn talent
liet zich alleen leven.
Ik had mijn aanleg voor het eerst verzilverd bij Tanja, mijn jeugdliefde,
een meisje met Griekse ouders en cup dubbel D. Mijn hele puberteit heb
ik geen Baywatch gekeken: ik had Tanja. Maar ze verdween, ze verliet
me na vier jaar verkering. Het was mijn aanleg, het was een ramp. En
Baywatch was van de tv.
Ik had mijn aanleg ook verzilverd bij Dorien, Najoua en Leonie.
En Freek.
We waren geland op San Francisco International Airport, we hadden een
auto gehuurd, een Ford Mustang, een witte coupé, we waren onderweg.
Toen kwam er een telefoontje.
*
Freek en ik, we waren op dezelfde dag geboren, in hetzelfde ziekenhuis.
De vreemdste dingen kunnen een band scheppen, een geamputeerde voet,
een gerecht, een vermist familielid. Onze moeders hadden allebei een
scheur opgelopen tijdens de bevalling – dat schiep een band tussen hen.
Freek en ik waren daar de dupe van. We werden de eerste jaren van ons
leven in een maxicosi meegenomen naar dezelfde parken, dezelfde speeltuinen
en dezelfde rookvrije cafés. Terwijl we de borst kregen, terwijl
we pap aten en terwijl we op schoot moesten blijven zitten, hadden onze
moeders het over hun bevalling. Het eerste woord dat ik kon uitspreken
was ‘scheur’. Het eerste woord dat Freek kon uitspreken was ‘gespleten-clitoris’;
hij dacht dat het één woord was. Freek was niet alleen
langzamer met lopen, ook met praten.
Freek en ik gingen naar dezelfde crèche, kleuterschool en Montesori.
En uiteindelijk ook naar dezelfde middelbare school. Een scholengemeenschap
in het centrum van Rotterdam. Na een jaar brugklas kregen we het advies
om HAVO te gaan doen. En na nog drie jaar schreven we ons in aan de
Willem de Kooning Academie. We hadden geen flauw idee wat we wilden
worden, maar de studierichting ‘autonome kunsten’ sprak ons erg aan.
Met een map vol tekeningen van scheuren gingen we naar de toelatingsdag.
De commissie fronste haar wenkbrauwen toen we onze vellen openrolden.
Een goed teken, de jongen voor ons had realistische schetsen van eenden
laten zien. De commissie had geen kik gegeven.
‘Wat waterlelies waren voor Monet, zijn scheuren voor ons,’ legde Freek
uit.
Vier jaar later waren we gediplomeerd werkloos kunstenaar. Dorien en
Najoua waren toen al mijn leven uitgelopen. Dorien schreeuwend, Najoua
zwijgend, stiekem haast, alsof ze probeerde te ontsnappen. Elk geluidje
zou haar verraden, elke traptrede die zou kraken, elke deur die zou
piepen. Ze verdween als deserteur.
Verlaten is verraden.
Mijn talent had niet stilgezeten op de Willem de Kooning Academie, en
dan niet mijn talent voor de ‘autonome kunsten’ – daar had ik geen talent
voor, tenminste niet voor scheuren schilderen, fotograferen, boetseren,
etsen en zeefdrukken. Wel voor verraden worden. Najoua was de dag na
de diploma-uitreiking naar Berlijn gegaan, naar een regisseur die films
maakte met zoveel mogelijk bloot.
Het was een stijgende lijn: Tanja was bij me weggegaan, omdat ze het
niet meer leuk vond na vier jaar. Dorien had me verlaten, omdat ze erachter
was gekomen dat ik foto’s van haar vagina had geëxposeerd (weliswaar
met photoshop bewerkt, voor de scheuren), en Najoua omdat ze dacht dat
ze beter af was bij een regisseur die haar poedelnaakt door de straten
van Berlijn liet lopen.
Mijn aanleg ontwikkelde zich. Het vertrek van Najoua veroorzaakte een
impasse, een korte adempauze. Maar zodra de kans zich weer voor zou
doen, zou mijn aanleg toeslaan. Zoals een roofdier ook niet kan wachten
op zijn volgende prooi.
Freek en ik, we woonden anti-kraak in een megapand waar ooit de Belastingdienst
gezeteld had. Je kunt alles over de Belastingdienst zeggen, maar niet
dat ze een slechte smaak hebben. Het pand had marmeren trappen, glas-in-lood
ramen en Villeroy & Boch toiletpotten. De plafonds waren vijf meter
hoog, overal stonden Gispenbureau’s en – het mooist van alles – op de
bovenste verdieping was een bioscoop.
Wat moest de fiscus met een privé-bioscoop?
Wat moest de paus met een Ferrari?
In ieder geval, wij draaiden er films. Alle soorten films, van keiharde
porno tot Bollywood musicals. Mijn opa kwam zelfs een keer voorbij.
Hij werd vlak voor de aftiteling in een zijtak van de Ganges geduwd,
spastisch om zich heen schoppend.
In het kraakpand woonden nog zo’n tien gediplomeerde werkloze kunstenaars.
Sommigen ambieerden nog een carrière in de kunsten, maar de meesten
hadden hun spuitbussen aan de wilgen gehangen. Zo ook Freek en ik. We
wisten op sommige dagen niet eens dat we kunstenaar waren.
‘Fok, ik ben stoned.’
‘Als een aap, man. Als een aap.’
Dat soort dingen zeiden we de hele dag. De hele week.
Rondkomen deden we van een kunstenaarsuitkering van ongeveer vijfhonderd
euro per maand. En van het geld dat we verdienden bij Kip, een Rotterdams
restaurant dat in de race was voor een Michelinster. Freek werkte er
op maandagen en dinsdagen, ik deed de vrijdag en zaterdag. We waren
als kelner begonnen, maar na een maand gedegradeerd tot afwasser. Onze
collega’s heetten Khalid, Humberto en Sherif.
Toen ik bij Kip werd aangenomen, verscheen Leonie in mijn leven.
Op sommige meisjes word je verliefd als je ze voor het eerst ziet, op
Leonie was ik verliefd geworden nadat ik haar vier jaar niet had zien
staan. Ze was een verlegen meisje dat zich altijd kleedt in een lange
trui, behalve op de dag dat ik verliefd op haar werd, toen had ze niets
aan.
Poedelnaakt, dat was ze.
Ik liep op een ochtend apestoned de badkamer in, en daar stond ze: lange
benen, stijve tepels, de ogen dicht. Ze was haar haar aan het wassen,
met mijn shampoo. Ik wilde weglopen, maar op dat moment klonk er een
gil.
‘Ik beloof je eeuwige trouw,’ zei ik. Het was een reflex. Misschien
was het ook de weed, veel meer kan ik er niet van maken.
Ze sloeg haar handen voor haar kruis. Haar borsten bleven zichtbaar,
kwamen zelfs mooier uit in deze houding.
‘Kun je me mijn handdoek aangeven in plaats van zo naar mijn tieten
te staren?’ zei ze.
Het was niet moeilijk om haar handdoek te vinden, hij was stralend wit.
Niemand op onze verdieping had witte handdoeken, kleren of dekbedden.
Wij geloofden niet in witte was. We geloofden nergens in, maar misschien
nog het minst in witte was.
Leonie sloeg de handdoek om haar lichaam. ‘Kun je niet lezen?’ Ze liep
naar de deur van de badkamer, trok er een papiertje af en liet me de
tekst lezen: NIET BINNENKOMEN. IK BEN DOUCHEN (DE DOUCHE BENEDEN IS
KAPOT), KUSJE LEONIE.
‘Krijg ik een kusje?’ vroeg ik.
Even zag ik een woedende blik, een blik die vuur spuwde, ik verwachtte
een klap in mijn gezicht, de eerste in mijn leven, toen gaf Leonie me
een zoen.
‘Je hebt me naakt gezien, nu moet je met me trouwen.’
‘Ik vind het goed,’ zei ik, alsof we een dialoog opzegden uit een goedkope
Duitse film zonder al te goed plot. De plot was dat er een naakte vrouw
onder de douche stond en dat een man toevallig de badkamer binnen liep,
en dat er dan geneukt zou worden. (Nadat de man en de vrouw elkaar eerst
smachtend ten huwelijk hadden gevraagd).
Maar we gingen niet trouwen. Ik heb Leonie geruild voor een kameel.
Toen ik de overstap maakte van de bediening naar de spoelkeuken, ging
het mis. Sherif had Leonie twee keer gezien, en wilde haar ruilen voor
een kameel. Uiteraard ging ik akkoord. Je kunt als autochtone afwasser
maar beter meedoen met de andere afwassers, want je bent altijd in de
minderheid. Je moest meelachen, meelullen en mee-overdrijven. Een kreupele
kameel was al genoeg voor mijn Leonie! Wat zeg ik? Als de kameel al
zou kunnen niezen, dan mocht ik Allah op mijn blote knieën danken!
Toen de bedrijfsleider van Kip met faxen uit Marokko kwam, dacht ik
nog steeds dat het een grap was. Ik bekeek de formulieren, waarop donkere
foto’s van kamelen waren te zien.
‘En? Welke wil je?’ vroeg Sherif.
Ik koos voor Rachida, tweevoudig winnares van de Grote Prijs van Rabat.
Een kameel op het hoogtepunt van haar carrière. Rachida verpulverde
baanrecord na baanrecord.
‘Sneller dan een Opel,’ zei Sherif, toen hij mij naar Rachida zag kijken.
‘Sneller dan een Opel Kadett.’
Ik zette mijn handtekening onder de foto van Rachida, en onder nog vier
formulieren. De bedrijfsleider faxte met Sherif de boel terug.
We lachten hartelijk. En prikten een dag. Zaterdag.
De transactie zou zaterdagnacht plaatsvinden, na sluitingstijd. Dan
zou er een kameel voor Kip staan. En zou ik Leonie meenemen. Het klonk
hilarisch. We lachten er met z’n allen om aan de personeelstafel, de
koks, de kelners en natuurlijk de afwassers.
Het werd woensdag, het werd donderdag, het werd vrijdag. Sherif was
in goede doen. Hij zei dat ik een voorbeeldig man was en stuurde me
eerder naar huis.
Het werd zaterdag. Er stond zoals ik verwacht had geen kameel voor Kip.
Ik liep de keuken in en groette Sherif en Humberto. Toen ik mijn afwaskloffie
aanhad en de borden van het personeelseten afspoelde, zei Sherif: ‘Ik
ben vanmiddag wezen kijken. Het is een mooi beest, hele lange benen…
Hele mooie lange benen.’
Humberto lachte hardop en sloeg me op mijn schouder. Ik lachte mee,
anders moest ik de hele avond het spoelwerk doen. Afdrogen was lichter,
minder vies, beter voor je handen, je stond niet de hele tijd in de
dampen van de machine, je nagels barstten niet.
Anyway, het werd zaterdagnacht.
Leonie zat met de kelners en koks aan de personeelstafel. Sherif, Humberto
en ik maakten de laatste dingen schoon, de dienbladen, het espressoapparaat.
‘Ook hele lange benen,’ zei Sherif. Hij wees naar Leonie. ‘Hele mooie
lange benen.’
Voor de zoveelste keer lachten we gedrieën, als bloedbroeders.
Ik gaf mijn vriendin een kus en ging naast haar zitten. Dit waren de
beste momenten bij Kip. Met z’n allen aan de personeelstafel, je voeten
die tintelden van het staan, en wijn en bier zoveel je wilt.
Twee uur later was iedereen aangeschoten. Aan de transactie dacht niemand
meer. Totdat het ineens stil viel. Een Mercedes parkeerde op de stoep
van Kip. Vier mannen in leren jas stapten uit.
Toen ik de kameel zag, was het eerste dat ik dacht: dit is mijn talent.
Dit is mijn aanleg voor verlaten worden.
Een kleine crisis volgde.
De koks en kelners stonden op om zich om te kleden. Sherif sleurde mij
naar buiten. Leonie volgde in paniek.
Het was een surrealistisch tafereel: een geblindeerde Mercedes, vier
mannen in leren jassen, het gelige licht van de lantaarnpaal, de kameel.
Rachida kauwde op de blaadjes van de iep die voor Kip stond.
Leonie begon te krijsen toen de mannen in leren jassen haar beetpakten.
Ze krijste de hele buurt wakker.
Ik belde 112.
Sherif was woedend. Waren we tijdens het afwassen nog bloedbroeders
geweest, nu was die band omgeslagen in iets dat meer weg had van bloedwraak.
De politie arriveerde.
De mannen in leren jassen sprongen in hun auto en scheurden weg. Zonder
Leonie. Zonder kameel. Sherif rende Kip in. De politie ging achter de
Mercedes aan. Leonie, Rachida en ik bleven staan. Even, een moment,
wilde ik met Leonie op de kameel springen en vluchten, naar Marokko,
naar Casablanca en daar trouwen. Maar Leonie was woedend. ‘Je hebt me
voor een kameel geruild!’ schreeuwde ze. ‘Je hebt me voor een kameel
geruild!’
Ik legde uit dat het een grap was, tenminste, dat ik dat dacht. Ik vertelde
dat Rachida sneller was dan een Opel Kadett, dat ze baanrecords in heel
Marokko verpulverde, maar hoe meer ik vertelde, hoe ongeloofwaardiger
ik klonk.
‘Ik wil je nooit meer zien,’ schreeuwde Leonie. ‘Je hebt me voor een
kameel geruild!’
Ik dacht eraan hoe haar tekst zou klinken als ze bloot was, poedelnaakt,
met draaiende camera’s om haar heen. Maar voordat ik me daar een voorstelling
van kon maken, was Leonie al weg.
Rachida holde met tachtig kilometer per uur achter haar aan.
Ik bleef achter.
Met mijn talent.
Dezelfde nacht stonden Freek en ik op Schiphol. We hadden geen koffers
bij ons, alleen een map vol scheuren. We wilden verdwijnen uit Nederland,
uit de ellende die ons omringde. Koffers hadden we daarbij niet nodig.
We namen alleen mee wat ons ooit bij elkaar had gedreven, ons lot.
De eerste verre vlucht die we konden nemen was naar San Fransisco, Californië.
Op weg naar gate B19 werd de map met tekeningen gecontroleerd door de
douane. Vier mannen in uniform fronsten hun wenkbrauwen zoals de commissie
van de kunstacademie dat ooit had gedaan. Ditmaal was het geen goed
teken. We moesten ons uitkleden. Even vreesde ik een anale visitatie,
maar nadat we onze schoenen, jas en broekriem uit hadden gedaan, mochten
we door het detectiepoortje lopen.
‘We worden rijk en beroemd in Amerika,’ zei Freek op zijn sokken. ‘Europa
is nog niet rijp voor ons werk. We zijn onze tijd ver vooruit.’
De map met scheuren ging door het röntgenapparaat. Er werd naar
gekeken alsof het een bom was die elk moment kon ontploffen.
We huurden een witte Ford Mustang. We raasden door Silicon Valley,
het Dresden van de internetrecessie. Overal stonden kantoorpanden leeg,
gave geraamtes van eToys.com, Digicash, Netlinq. We werkten als autowasser,
ballonnenverkoper en hamburgerbakker, en sliepen in goedkope motels
met gele vlekken op het beddengoed. Als je je tijd ver vooruit bent,
is geduld het enige dat telt.
Het ging vijf maanden goed.
Toen ging de telefoon. Mijn talent rinkelde ons wakker, uit onze Amerikaanse
droom.
Het was twee uur ’s middags in Nederland. Freeks vader had een ongeluk
gehad en was op weg naar het ziekenhuis overleden. Ik kon het niet geloven,
mijn aanleg voor verlaten worden had zich ontwikkeld tot moordenaar.
Freek ging met een directe vlucht naar Amsterdam. Hij zou terugkomen,
dat had hij beloofd. We zouden rijk en beroemd worden. We zouden in
dure zijden pakken dineren met gouverneurs en honkbalspelers. Als wij
zouden sterven, zou er in heel Amerika geen moeder met een maxicosi
over straat rijden.
*
Freek is nooit meer teruggekomen. En ik? Ik ben altijd gebleven. In
het hartje van Silicon Valley, in Redwood City, bevindt zich een Starbuckscafé
op de kruising van Oak Avenue en El Camino Real. Als je daar om een
grande nonfat Vanilla Latte vraagt, dan maak ik die voor je
klaar, met een hartelijke glimlach, breder dan de lach van Khalid, Humberto
en Sherif bij elkaar.
Eén keer stond er een geblindeerde Mercedes voor. Ik moest denken
aan de avond in Kip, ik denk vaak aan de avond in Kip. Er stapten twee
mannen tegelijk uit de Mercedes, ze droegen geen leren jassen, maar
zwarte pakken en hadden een koptelefoontje in hun oor. De mannen keken
even om zich heen en openden toen het achterportier van de auto. Een
vrouw met hele lange benen stapte uit. Hele mooie lange benen. Ze had
blond haar als de woestijn in Nevada. Als er een kameel voor de Starbucks
had gestaan, was ik er met haar opgesprongen en naar Las Vegas gevlucht,
om daar te trouwen.
‘One single espresso,’ zei ze, toen ze voor me stond. De twee mannen
met oortelefoontjes stonden nerveus bij de ingang. Als ik het talent
van Tante Gerda had, zou ik met open mond recht in het gezicht van de
vrouw hebben geniesd. Als ik het talent van mijn vader had, zou ik haar
een gouden kies hebben aangesmeerd. Maar ik had een ander talent.
Vier maanden reed ik mee in de Mercedes, van filmset naar filmset, ik
bracht weken door in trailers, ik ontmoette filmsterren, ik figureerde
in Kill Bill vol.2: ik werd in mootjes gehakt, terwijl ik spastisch
om me heen sloeg. Vier maanden leefde ik met de vrouw met de mooiste
benen van Hollywood, om daarna terug te keren naar Redwood City. Ik
keer altijd terug naar Dresden. Op mijn motelkamer ligt een map met
scheuren. Het is mijn lot.
|
 |
 | |
|