![]()   |
 |
Elf keer kierewiet
Derde prijs verhalenwedsrijd De Brakke
Hond 2005
Iman Keuchenius
We zijn mannen van jewelste, een elftal met kloten
De keeper:
Alleen onze spits heeft nog maar één teelbal over. Dat
kwam door een ongelukkig duel in het strafschopgebied, de stalen noppen
van een tegenstander in zijn kruis. Hij schreeuwde als een speenvarken
en zijn bal zwol razendsnel op. Na een minuut of tien kon je er al mee
tennissen. Ik bracht hem naar de eerste hulp, waar ze besloten dat het
geval onmiddellijk verwijderd moest worden. Met één testikel
valt prima te leven, zei de arts die in zijn zak had gesneden. Alsof
mannen in de regel een bal teveel hebben. Die avond ging het hele elftal
slapen met pijn in ons kruis, behalve de midvoor, verdoofd als hij was.
Bij zijn comeback keek hij vlak voor de wedstrijd in zijn broekje, barstte
in tranen uit en zei: ‘Jongens, ik mis hem toch.’ Wat wij met een respectvolle
stilte en een paar klopjes op zijn schouders honoreerden. We zijn geen
rotzakken. Maar dat hij na zijn ongelukkige balverlies meer scoorde
dan voorheen was natuurlijk een onuitputtelijke bron van flauwe grappen:
Snij je hele lul eraf en je haalt het Nederlands elftal nog. Lachen,
dat kunnen we. Toch is het met de huilbui van onze spits begonnen: het
gevoel in de kleedkamer. Zo vertelde de rechtshalf dat zijn zweet anders
rook sinds zijn vader was overleden, bekende de rechtsbuiten dat hij
met volle maan altijd droomt dat hij verdrinkt en had de complete achterhoede
last van problemen op het werk, grijzende slapen, uit de hand gelopen
kinderen en wispelturige vrouwen. God, hoe is het ooit zover gekomen,
denk je dan als keeper die het slagveld overziet. Over onze aanvoerder
wil ik het helemaal niet hebben. Er zijn grenzen. De wet van de kantine
zegt: je kunt je gal spuwen, van doffe ellende urenlang naar het opdrogen
der kringen van reeds lang gedronken glazen staren, maar zodra je opstapt,
kun je er om lachen. Ha ha, het leven. Onze aanvoerder had humor, alleen
lag het er niet zo dik bovenop.
We zijn mannen met vrouwen en soms een enkele vriend
De rechtsback:
Onze aanvoerder was altijd de spil, zeg maar. Verdomd, ook in de kantine.
Hij had zo’n glimlach die iedereen naar zijn tafeltje trok. Maar juist
omdat je zo makkelijk tegen hem aan kon lullen, lette er niemand op
hem. Ik wel. Vooral tijdens bestuursvergaderingen keek ik graag naar
hem. Ik schaam me niet om te bekennen dat het een mooi gezicht was:
die bonk van een kerel aandachtig luisterend met zijn hand onder zijn
kin. Er gaan geruchten dat hij een dichter was. Ik heb de rechtsbuiten
en de midvoor er laatst nog naar gevraagd, maar die doen net of ik er
niets van zou begrijpen. Mij een biet. Het ging natuurlijk over Annelies.
Iets met hartstocht en gevoelens. Dat wat iedereen heeft, maar dan van
hem. Ze stond niet vaak langs de lijn, maar kwam hem wel eens ophalen.
Een mooie vrouw, ik kan niet anders zeggen. De grijns op zijn gezicht
als hij haar zag, van onder tot boven, van links naar rechts. Maar ik
weet het niet, dat meisje. Ik durfde haar nooit te vragen hoe het ging,
was bang voor rare antwoorden. Bij mij moet je niet wezen voor hogere
wijsheden. Het zal allemaal wel. Een geboren luisteraar, zo herinner
ik me onze aanvoerder het liefst. Waar hij later allemaal mee kwam,
over dat taoïsme en zo, daar bemoei ik me niet mee, dat was gewoon
het verdriet.
We zijn mannen, punt
De mandekker:
Het is al ver voor onze tijd mis gegaan, in de jaren zeventig. Toen
kregen mannen ineens van die kutdilemma’s voorgeschoteld. Het was niet
meer normaal dat een man de deur voor een vrouw open hield, haar stoel
aanschoof en de fucking rekening betaalde. Dan was hij een rolbevestigend
zwijn. Maar als hij het niet deed was hij weer een lompe boer. Dat kan
dus niet. Het is godverdomme het één of het ander, zwijn
of boer. Het lijken kleine dingetjes, rekeningen en stoelen, maar daar
is het mee begonnen. Die mannen in de jaren zeventig hebben er te slap
op gereageerd. Nooit heeft een vent de deur in haar gezicht gesmeten,
of de stoel op het laatste moment onder haar kont vandaan getrokken.
En nu zitten wij met de gebakken peren. Metroseksualiteit, laat me niet
lachen. Nee dat gaat dus niet over seks met het openbaar vervoer. Een
metroseksueel is een macho die crèmepjes op zijn gezicht smeert
en met een stalen gezicht zijn tranen laat lopen. Zo’n man kan alleen
door een vrouw worden bedacht. En dat gaat mis. Kijk maar naar onze
aanvoerder en die hele kloterij.
We zijn mannen als varkens, aardige beesten
De libero:
Hij heeft me geholpen. Lang geleden lijkt het nu. Ik zat met mijn vriendin
die zwanger was en dat we veel te jong waren. Ik wou wel trouwen, maar
voor mijn vriendin was ineens niks niet meer genoeg. Dit moest en dat
moest, alles moest. Daar werd ik zo gek van dat ik iedere avond zat
te zuipen in de kantine. Dat schoot niet op, want als ik drink moet
ik altijd aan mijn vader denken, die ons allemaal in elkaar roste als
hij naar de hoeren was geweest. Het moest anders, maar hoe, dat wist
ik van geen kanten. Nadenken kon ik wel, maar ik bedacht nooit iets
goeds. Tot ik het zo benauwd kreeg van al die woorden in mijn kop dat
ik niet meer kon ademen. Benauwd, alsof God me aan het wurgen was. Ik
dacht dat ik het loodje ging leggen. Toen zei onze aanvoerder dat ik
mijn handen op mijn hoofd moest leggen en dan zuchten. En hij zuchtte
met me mee. Tussen al die zuchten door deed ik het hele verhaal. En
toen vroeg hij of ik van haar hield en ik zei: ja, dat wel. Ik zal het
nooit vergeten. Wat er later allemaal gebeurd is, doet daar niks aan
af.
We zijn mannen en sukkels, net als iedereen
De linksback:
Dat gedoe met onze aanvoerder. Ik begreep er geen reet van. Hij vertelde
altijd van die maffe verhalen. Over een klooster in China waar de monniken
en de nonnen met elkaar naar bed gingen. En dan was het de vraag wie
het zaad kreeg, want dat was de tao of zoiets. Als de man niet klaarkwam,
bleef de energie bij hem, maar als een vrouw hem wel zover kreeg, dan
had ze het van hem gestolen. Maar ook weer niet gestolen, want het was
allemaal maar een spel. Liefde was pure energie, dat benadrukte hij
steeds. En ik kon alleen maar denken: dus als jij met je vrouw neukt,
kom je liever niet klaar. Ik vond het een mafketel. Geen wonder dat
ze hem niet meer moest. Maar een goede voetballer was hij wel. Respect
hoor. Aannemen en passen, heel simpel, hij kon het als geen ander. Op
het laatst werd dat wel minder. Zonde. Ik zou wel eens willen weten
of er daar waar hij nu is ook gevoetbald wordt.
We zijn mannen met vragen en geen mens om ze aan
te stellen
De rechtshalf:
Onbaatzuchtige liefde bestaat niet, dat is puur wetenschappelijk gezien
een feit. Voor wat, hoort wat, zo zit de maatschappij in elkaar. Ieder
holt achter zijn eigen bevrediging aan. Wat dat betreft was onze aanvoerder
een wandelend anachronisme, de tijden waarin opoffering en devotie hip
waren, liggen ver achter ons. Een medisch wonder, dat wel. Op het laatst
was hij zowat veertig kilo lichter en sliep hij helemaal niet meer,
die koorts in zijn ogen. Ik wilde helpen door hem een filosofische stelling
aan te bieden en dat leidde tot de volgende dialoog, die ik letterlijk
heb onthouden. Een uitwisseling van gedachten met groeiende verbazing
aan beide kanten.
‘Ik denk dat je het vermogen tot liefde an sich kunt behouden, terwijl
je het subject van je liefde laat gaan,’dat was mijn stelling.
‘Is er nog een andere mogelijkheid dan?’
‘Maar je denkt nog aan haar.’
‘Zij is degene die mijn hart opent.’
‘Dat is maar een idee.’
‘Alles is maar een idee, maar sommige ideeën zijn sterker dan andere
en brengen je tot de kern.’
‘De kern die er niet is.’
‘De kern is leegte, dat is niets anders dan vorm.’
Waar ik nu nog dagelijks over nadenk. Ik wil hem begrijpen, de baten
van zijn liefde. Het paradoxale er aan is dat ik hem zo graag mocht.
Nog steeds. En daar heb ik nu weinig tot niets meer aan.
We zijn mannen in theorie, op zoek naar de praktijk
De linkshalf:
Ach, een mening. Ik heb het mijn vrouw gevraagd, wat zij en haar vriendinnen
er nou van vonden. Ze hadden allemaal een zwak voor onze aanvoerder,
altijd al. En dit verhaal vonden ze ontzettend romantisch, echt iets
voor een film en dan met zakdoekjes in de hand gaan zitten snotteren.
Alleen jammer dat er geen happy end aan zat. Het gekke is, ze zouden
ook geen van allen wat met hem willen. Behalve eentje, want die wilde
met iedereen. Maar ja, het was tenminste iets. Mijn vrouw en ik hebben
ze gekoppeld, etentje, kaarslicht, daar zijn we goed in. Geweldige avond
gehad. Ze gingen samen weg. Wij dachten dat het goed zat, maar nu volgt
zij cursussen meditatie en ze wil met niemand meer een relatie, laat
staan met iemand naar bed. Dat is mooi voor jouw vriendin, zei ik tegen
mijn vrouw, maar niet goed voor mijn aanvoerder. Nu zijn we hem kwijt.
Ik zou hem graag nog eens zien.
We zijn mannen met een buikje en een ziel
De rechtsbuiten:
Onze aanvoerder was een rots in de branding. In het begin was dat ideaal
voor Annelies, want die had een verleden van hier tot de hel. Ze was
onverzadigbaar, spoelde als het ware drie keer per dag over hem heen
met de vraag of hij wel van haar hield. En daar begon hij als rots alleen
maar van te glanzen. Die twee samen. Hij kreeg van haar het geven en
zij gaf hem het krijgen. Als ik het plaatje had kunnen bevriezen, had
ik het gedaan. Want zoals dat gaat met golfbewegingen, dingen veranderen,
over jaren, onmerkbaar eerst en dan staat het water je plotseling aan
de lippen. Het beroerde was dat hij door de relatie met Annelies niet
meer kon dichten. Het was allemaal te mooi, te lief, er zat geen literaire
spanning in, geen ontwikkeling. Als je stil staat, haalt de wereld je
in. Haar passie voor hem kwam op laag water te staan, vloedgolven van
verwijten er overheen. Toen kwam die ander in het spel, het tegendeel
van een rots, meer een cruiseschip om exotische oorden mee te bevaren,
op zoek naar persoonlijke groei in tropische regenwouden. Rotsen kunnen
niet groeien, ze brokkelen af, slijten langzaam weg. Het was tijd om
te gaan. Uiteindelijk was hij toch meer mens dan rots, want nu zit hij
in het verre oosten. Annelies zag ik laatst nog op televisie in het
publiek van de een of andere talkshow. Ze zag er mooi maar verwilderd
uit.
We zijn mannen zonder houvast, geen been om op te
staan
De linksbuiten:
Je moet het bij de feiten houden. Die Annelies had het goed bij hem,
tot ze een betere optie tegenkwam. Er zijn veel jongens die het haar
kwalijk nemen dat ze er met die bekende Nederlander vandoor ging, maar
ik denk dat ze uiteindelijk gewoon te mooi voor onze aanvoerder was.
Je zou mensen van staatswege aan elkaar moeten koppelen qua uiterlijk
en succes, dat zou een hoop gezeik schelen. Als ik een keer verlies,
ben ik de week daarop zo pissig dat ik er extra hard tegenaan ga. Hij
kon zijn verlies niet nemen. Dat moest hij weten, maar hij trok iedereen
er in mee. Zo sukkelde hij daar over het veld met zijn hoofd in de hemel,
terwijl hij nauwelijks meer op zijn benen kon staan. En niemand die
hem durfde te vertellen dat het maar eens uit moest wezen. Eerlijk gezegd
werd ik daar behoorlijk ziek van. Het was wreed, maar het moest gebeuren.
Ik heb tegen hem gezegd dat die bekende Nederlander haar op datzelfde
moment suf neukte en dat ze het heerlijk vond en dat soort dingen. Ik
zweer het, hij bleef geduldig naar me luisteren, bleek gezicht, maar
dat was de honger. Hij knikte naar me. Ik had liever gewild dat hij
was gaan slaan. Broederlijk op elkaar in meppen en dan samen een paar
pilsjes drinken. Maar goed, hij heeft toch iets van mijn bedoeling begrepen,
want hij nam zijn verlies en draaide het om in zijn voordeel. Vrijheid.
De week daarop vertrok hij naar China. Daar heb ik wel bewondering voor,
dat is lef hebben. Beetje aansterken van de bami en de nasi daar, en
hup achter de Chinese mokkeltjes aan.
We zijn mannen in het niets
De spits:
Ik heb nog maar één testikel. Dat is zo. De tao is zoals
het is. Niet meer, niet minder. Heel eenvoudig. Het is de kunst om het
tot je door te laten dringen. Onze aanvoerder koos voor gewaarzijn.
Hij was heus niet zo’n watje als iedereen denkt. Toen Annelies haar
spullen kwam halen, was hij laaiend. Maar op een gegeven moment is hij
mee gaan helpen met inpakken. Doen wat gedaan moest worden. In de maanden
daarna bleef hij bij het moment, het missen. Ze was deel van zijn wezen
geworden, de kilo’s die hij kwijtraakte. Op naar het nulpunt, de bodem
van de rots. Toen was hij vrij om een nieuw pad te bewandelen. De tao
zegt: alles wat er is, keert terug naar de grote bron.
We zijn mannen, kierewiet
De invaller:
Tja, aan mij moet je het eigenlijk niet vragen. Ik heb mijn basisplaats
aan hem te danken, maar het is de vraag of ik daar blij mee moet zijn.
Dit elftal heeft een tik van de molen gekregen, of liever gezegd van
hun aanvoerder. Ze hebben het iedere week over een voetbaltrip naar
China. Je moet niet vragen of ze daar een adres hebben en al helemaal
niet betwijfelen of hun aanvoerder daar wel is. Het zijn net gelovigen,
sekteleden. Die man was geestelijk en lichamelijk aan zijn eind, maar
ze denken allemaal dat hij aan een nieuw leven is begonnen, zelfs degenen
die niet met hem op konden schieten. Ik kreeg zowat klappen van de linksbuiten
toen ik er een geintje over probeerde te maken. Daarna wilde hij bier
drinken en het er niet meer over hebben. Aan het eind van de avond hing
hij ladderzat om mijn nek om zich te verontschuldigen, maar ik moest
en zou begrijpen: ‘Ons hart is in China.’ Op dat moment was ik ook aardig
ver heen, want ik weet nog dat ik zei: ‘Als we gaan, verdomme, als we
gaan, dan neem ik wel een retourtje.’’
|
|