![]()   |
 |
De prijs
Marco Kamphuis
Op zekere dag kreeg Gerard een interessant telefoontje. Twee maanden
eerder had hij deelgenomen aan een landelijke essaywedstrijd voor rechtenstudenten,
uitgeschreven door de jubilerende rechtenfaculteit van een van ‘s lands
universiteiten. De faculteit, trots op haar verleden waarin zij talrijke
uitmuntende juristen had opgeleid, richtte de blik niettemin naar voren,
en de opdracht was dan ook een essay te schrijven over niets minder
dan de toekomst van het recht, waarbij de student zich tot een deelgebied
naar keuze kon beperken. Gerard had zonder veel nadenken het strafrecht
gekozen, in de faculteitsbibliotheek een paar boeken over huidige ontwikkelingen
opgeslagen en was op goed geluk gaan schrijven. Tastenderwijs kwam hij
tot een samenhangend betoog. Het kostte hem vele uren werk, maar hij
hield van hard werken. ‘s Avonds laat, na het studeren, schreef hij
bij wijze van ontspanning aan zijn opstel. Toen het af was, stemde het
resultaat hem tevreden, maar twee maanden later was hij de hele wedstrijd
allang vergeten. Het telefoontje dat hij kreeg was van de secretaris
van de organiserende faculteit, die informeerde of hij van plan was
naar de prijsuitreiking te komen die over een week zou plaatsvinden.
Daar had Gerard nog helemaal niet over nagedacht.
De secretaris zei dat zijn komst beslist de moeite waard zou blijken.
Gerard was zo slim een stilte te laten vallen.
De secretaris verklaarde daarop dat Gerard een van de prijswinnaars
was - meer kon hij echt niet loslaten, hij ging al ver buiten zijn boekje.
Gerard beloofde te komen.
Hij was verbluft. Nog nooit van zijn leven
had hij iets gewonnen, zelfs geen kleurwedstrijd in zijn kinderjaren.
Haastig ging hij tussen zijn paperassen op zoek naar het competitiereglement:
wat viel er ook alweer te verdienen? Er waren drie geldprijzen te winnen,
oplopend van niet onaanzienlijk tot, in zijn ogen, vorstelijk. Hij was
minimaal derde! Belangrijker dan het geldbedrag vond hij echter dat
de essays van de drie prijswinnaars gepubliceerd zouden worden in het
tijdschrift De jurist. Meteen pakte hij zijn stuk erbij en
probeerde het te lezen door de ogen van de abonnees van dat gerenommeerde
blad. Hij gloeide van trots. Toen hij zijn essay drie keer van begin
tot eind herlezen had, legde hij het neer en bleef een poosje stil en
gelukkig voor zich uit zitten kijken.
Toen raakte hij in de war.
Betekende dit dat hij zijn zelfbeeld moest bijstellen?
Doordat zijn vader hem vroeger stelselmatig op zijn feilen had gewezen,
was hij ervan overtuigd geraakt dat zijn goede schoolresultaten het
gevolg van zijn inzet waren en niet van bovenmatige intelligentie. In
iedere klas was hij de ijverigste leerling, maar nooit degene die uitblonk.
Dat vond hij ook niet erg. Hij had niet de behoefte op te vallen. Hij
was niet overdreven ambitieus.
Lange tijd had hij geen idee welke studie hij wilde gaan volgen. Uiteindelijk
koos hij voor rechten. Zijn vader was advocaat.
Wellicht zou hij in de toekomst ook in de advocatuur werken. Een goed
salaris trok hem wel aan.
Zijn ouders waren allebei uit de stad afkomstig en ze werkten beiden
in de stad, maar ze hadden een villa in het dorp St. Jozefsoord gekocht
omdat ze wilden dat hun kinderen in een landelijke omgeving zouden opgroeien.
Achter het huis strekte zich een grote tuin uit die omsloten werd door
een wit gepleisterde, met wingerd begroeide muur, met een poort aan
de achterzijde, en als je door die poort wandelde, stond je binnen vijf
minuten midden tussen de velden. Als kleine jongen ging Gerard iedere
middag na schooltijd even bij de koeien kijken. In de lente zongen de
leeuweriken, steil omhoog fladderend boven de akkers, en boven het grasland
buitelden de kieviten met hun geronde vleugels. In de nazomer, als het
koren gemaaid was, moest je oppassen je niet aan de stoppels te snijden.
In een villa wonen, in een rustieke omgeving, dat was mogelijk als je
geld had. Gerard hield van het platteland. Het was waar dat het dorp
hem weinig te bieden had toen hij een rusteloze middelbare scholier
was, en hij had vurig naar de universiteitsstad verlangd; maar dat nam
niet weg dat hij de studententijd beschouwde als een noodzakelijke levensfase
vol plezierige opwinding, waarna men gelouterd tot de orde van de dag
kon overgaan. Hij had er nooit aan getwijfeld uiteindelijk naar het
platteland terug te keren. Tussen de vredige bossen en velden zou hij
een gerieflijk leven leiden, dankzij een goed salaris waarvoor hij bereid
was hard te werken - maar hij droomde niet over een briljante loopbaan.
Dit gebrek aan ambitie zat zijn vader dwars.
En nu begon Gerard te twijfelen of hij zijn mogelijkheden niet had onderschat
en zijn doelen te laag gesteld. Uit honderdtien ingezonden essays (dat
had de secretaris hem verteld) had een deskundige jury Gerards essay
gekozen. Dat essay had hem geen noemenswaardige hoofdbrekens gekost.
En dan te bedenken dat hij amper een halfjaar studeerde! De meeste deelnemers
aan de wedstrijd waren waarschijnlijk ouderejaarsstudenten, die hele
wetsteksten uit hun hoofd kenden. Had zijn prestatie niet iets - laten
we het ronduit zeggen - geniaals? Was het niet zonde als hij, met zoveel
talent begiftigd, echtscheidingsadvocaat in de provincie werd? Hij zag
opeens een academische carrière voor zich, en het hoogleraarschap
leek hem iets heel vanzelfsprekends.
De week daarop reisde hij naar de universiteit waarvan de rechtenfaculteit
jubileerde. Hij droeg een antraciet pak dat hij speciaal voor de gelegenheid
had gekocht; dat hij veelbelovend was, mocht ook wel in zijn kleding
tot uitdrukking komen, vond hij. Als hij zijn prijs in ontvangst nam,
wilde hij een goed figuur slaan. Zijn laatste geld had hij aan het treinkaartje
besteed.
Toen hij zijn ouders had verteld dat hem in vertrouwen was meegedeeld
dat hij een prijs had gewonnen, hadden ze te kennen gegeven graag bij
de uitreiking aanwezig te willen zijn, en na lang aarzelen had hij met
die wens ingestemd. Hij trof hen in de kantine van de universiteit (zijn
moeder complimenteerde hem met zijn pak, zijn vader wierp een schuin
oog op de ontbrekende das), en samen gingen ze naar de collegezaal waar
de uitslag van de wedstrijd bekendgemaakt zou worden. Gerard koos positie
op de vijfde rij, pal aan de trap, zodat er, wanneer hij zich liet huldigen,
geen mensen voor hem hoefden op te staan. De zaal liep snel vol met
belangstellenden en deelnemers die zich kansrijk voor de overwinning
achtten. Gelukkig was hij zo te zien niet de enige die zijn ouders had
meegenomen (dat sommige deelnemers zich door hun ouders lieten vergezellen
wekte op zijn minst de schijn van voorkennis van de uitslag, die officieel
nog niet bekend was, maar het was niet aan Gerard om zich druk te maken
over de procedure). De decaan hield een rede waarvan geen woord tot
hem doordrong, de juryleden werden voorgesteld, en daarna maakte de
juryvoorzitter - een beroemd strafpleiter - de prijswinnaars bekend.
‘De derde prijs, toegekend voor een hecht doortimmerd essay over de
toekomst van het strafrecht, gaat naar... Herman Vos!’
Applaus. Een lange, gebogen student daalde de trap af en nam een envelop
van de voorzitter in ontvangst; van een aanlokkelijke studente kreeg
hij drie zoenen en een bos bloemen. Met een onnozele glimlach zwaaide
hij met zijn bloemen naar de zaal. Gerards hart bonsde zo hard dat hij
heel even dacht dat hij flauw zou vallen. Hij was minimaal tweede!
‘De tweede prijs, voor een gloedvol betoog over de toekomst van het
volkenrecht, is voor, ik hoop dat ik het goed uitspreek... Aïsha
Makeba!’
Hij hoorde zijn moeder een kreet van blijdschap slaken. Hij had dus
de eerste prijs gewonnen! Onder luid applaus kwam een jonge zwarte vrouw
op de derde rij overeind. Gerard klapte uitbundig mee. Minzaam nam de
studente de envelop, de bloemen en de kussen in ontvangst. Ze was atletisch
gebouwd en stak een kop boven de juryvoorzitter uit. Ze oogde bijzonder
trots - maar zij had niet de eerste prijs gewonnen.
Het applaus stierf weg.
‘Ja, dames en heren, dan zijn we nu toegekomen aan de eerste prijs...’
Kalm! Dadelijk niet struikelen over de trap. Zou hij een dankwoord moeten
uitspreken? Hij zou staan schutteren, dat wist hij zeker, maar wat kon
het hem eigenlijk schelen? Hij was de winnaar, en zijn onhandigheid
zou hem vergeven worden. Hij verlangde ernaar gekust te worden door
de studente met de bloemen, en straks zou hij intiem napraten - prijswinnaars
onder elkaar - met de ravissante Aïsha Makeba.
‘De jury was unaniem in haar beslissing...’
Hij keek opzij en ving de liefdevolle blik van zijn moeder. Wat was
hij blij dat hij uiteindelijk had besloten zijn ouders mee te nemen,
die nu konden delen in zijn triomf. En dat hij een pak had gekocht.
Zijn vader, die tussen hem en zijn moeder in zat, keek onbewogen voor
zich uit, maar onder zijn neergeklapte schrijflessenaar legde hij zijn
hand op het bovenbeen van zijn zoon, en kneep er zacht in.
Het was een moment van groot geluk. ‘Het is mij een eer te overhandigen...
de eerste prijs...’
***
In de trein vond hij een plaats aan het raam.
Zijn bloemen legde hij in het bagagerek. Hij staarde naar de mensen
op het perron, maar het drong niet tot hem door wat hij zag; hij kon
alleen maar denken aan de prijsuitreiking. Na afloop hadden zijn ouders
aangeboden hem met de auto naar huis te brengen, maar hij had bedankt:
het treinkaartje had hij toch al, en hij had er behoefte aan alleen
te zijn. Dat konden ze begrijpen.
Nu was hij dus alleen, zij het in een volle
trein - spitsuur -, en hij kon de reis van bijna twee uur benutten om
te boven te komen wat er was gebeurd.
‘... Voor een scherpzinnig essay, uitermate
vaardig geschreven, eveneens handelend over het volkenrecht’ - dat was
een foutje, dacht Gerard, want zijn essay ging over het strafrecht,
maar bij zo’n uitreiking moest er ook wel iets misgaan, schoonheidsfoutjes
- ‘het is mij, zeg ik, een grote eer deze te overhandigen aan... Fleur
Oosterbeek!’
Hij was al bijna opgestaan. Ongelovig zag hij
hoe op de eerste rij een jonge vrouw werd gefeliciteerd door haar ouders.
Ze liep naar voren, negeerde de uitgestoken hand van de juryvoorzitter
en viel hem, tot hilariteit van de zaal, om de nek. Klaterend applaus.
Niemand besefte dat er voor de verkeerde werd geklapt, niemand behalve
hij - en zijn ouders. Hij vermeed het opzij te kijken, maar hij voelde
hun verwarring. Er viel hem niets beters in dan dom met de zaal mee
te klappen. Het laatste wat hij wilde, in zijn onthutste toestand, was
de aandacht trekken. Hij hoopte maar dat zijn moeder niet al te verwilderd
rondkeek. De winnares - ze droeg haar blonde haar in een kunstig vlechtwerk
en was gekleed in een lange, zwarte, strakke jurk, het soort jurk dat
nachtclubzangeressen dragen - wierp kushandjes naar de zaal. Naast haar
stond Aïsha Makeba onbeweeglijk als een ebbenhouten standbeeld.
Langzaam drong tot Gerard door dat deze huldiging niet het gevolg van
een misverstand was, maar dat hij naar de waarachtige prijswinnaars
keek, en dat de vergissing helemaal bij hem berustte. (Was hij het slachtoffer
van een boosaardige grap?)
Hij begreep al dat er niets meer te winnen
was, en na afloop van de ceremonie had hij liefst onmiddellijk de zaal
verlaten, maar zijn vader liet zich niet zo gemakkelijk afschepen, en
om te voorkomen dat deze uit naam van zijn zoon verhaal ging halen bij
de organisatie, zat er voor Gerard niets anders op dan zich bij de hoogwaardigheidsbekleders
te vervoegen, die zich, terwijl het publiek de zaal uitstroomde, verdrongen
om Aïsha Makeba en de nachtclubzangeres te feliciteren. Op zijn
verzoek wees men hem de faculteitssecretaris aan. Gerard stelde zich
aan de man voor en vroeg: ‘Heeft u mij een week geleden gebeld?’
De secretaris schrok. Hij greep met zijn handen
naar zijn hoofd. ‘Wat vreselijk! Ik ben het vergeten.’ Hij zweeg een
moment, zonder zich te verroeren. Toen herstelde hij zich. ‘Het spijt
me. Het zit zo: onder de juryleden was er veel debat over de vraag naar
wie de derde prijs moest gaan, naar u of naar... eh... Herman Vos. De
stemming viel in uw voordeel uit, waarna ik u gebeld heb. De volgende
dag echter kwam de jury op het besluit terug: nadere discussie had geleid
tot een unanieme beslissing in het voordeel van de andere kandidaat.
Ik heb Vos dus gebeld met het verzoek bij de uitreiking aanwezig te
zijn, en was voornemens u te bellen met het voor u teleurstellend bericht
- maar dat ben ik vergeten... er moet iets tussen gekomen zijn... Mijn
oprechte excuses. Een ongelukkige gang van zaken.’
Plotseling klaarde zijn gezicht op. Hij hief
een wijsvinger. ‘Maar wacht eens even...’
En heel even dacht Gerard toen dat alles nog
in orde zou komen, dat men iets zou regelen - een gedeelde derde prijs
bijvoorbeeld -, en dat zijn essay toch gepubliceerd zou worden.
De secretaris overlegde kort met enkele mannen,
en kwam toen glimlachend, met een bos bloemen in zijn handen, bij Gerard
terug. Hij overhandigde hem het boeket. ‘Ziet u eens, die zijn voor
u - een van de juryleden heeft er bereidwillig afstand van gedaan. En
om het leed nog verder te verzachten bieden wij u een jaarabonnement
op De jurist aan! Hartelijk gefeliciteerd! De vierde plaats in zo’n
zware competitie, dat is niet niks hoor, daar kunt u trots op zijn.’
En hij drukte Gerard warm de hand.
Nu, in de trein, schoot hem pas te binnen dat
hij een reiskostenvergoeding had moeten eisen. Alsof dat jaarabonnement
hem iets kon schelen! Moest hij blij zijn met een tijdschrift waarin
hij het opstel van Herman Vos kon lezen?
Natuurlijk was de vierde plaats een mooi resultaat
- tenzij je je winnaar van de hoofdprijs had gewaand.
Halverwege de reis moest hij overstappen. Toen
hij op het perron stond te wachten, had hij de aanvechting zijn bloemen
in een afvalbak te gooien. Het feestelijk boeket leek te spotten met
zijn gevoelens. De vijf juryleden waren door de organisatie met zo’n
bos bloemen bedeeld als dank voor bewezen diensten, en deze bos was
hem vervolgens doorgespeeld als zoethouder. Wat voor jury was dat eigenlijk,
die prijswinnaars van de ene op de andere dag schrapte? Hij wilde van
die vermaledijde bloemen af; maar hij kon het niet over zijn hart verkrijgen
ze weg te gooien.
Twee vrouwen van middelbare leeftijd passeerden
hem. ‘Hoe gaat het nu met je moeder?’ vroeg de een, waarop de ander
antwoordde: ‘Ze ligt in het ziekenhuis.’
Hij liep het tweetal achterna, drukte de vrouw
die het laatst gesproken had de bloemen in handen en zei: ‘Wens uw moeder
beterschap.’ Hij draaide zich abrupt om en liep naar zijn trein, die
het station binnenreed.
Van zijn geloof in eigen kunnen was weinig
meer over. Hij voelde zich niet langer tot een grootse carrière
geroepen. In zekere zin was dat prettig: hij was weer zijn oude zelf.
Hij kon nu wel zeggen dat het niet veel had gescheeld of hij was in
de prijzen gevallen, maar dat telde niet, het feit was dat hij geen
onderscheiding had ontvangen, geen applaus geoogst, hij had niet getriomfeerd
- uitblinken was niet voor hem weggelegd. Plotseling kwam het hem als
hovaardig voor dat hij er korte tijd anders over had gedacht. Wat had
hij zich verbeeld?
En zoals hij nu wist dat hij niet was voorbestemd
om te schitteren, zo wist hij op dit moment met absolute zekerheid dat
hij Astrid, het meisje waarop hij verliefd was, niet zou krijgen. In
het algemeen zou hij nooit een begerenswaardige vrouw als Astrid krijgen:
hij zou zijn leven lang moeten toezien hoe andere mannen met zulke vrouwen
aan de haal gingen, knappe mannen, rijke mannen, beroemde mannen.
Dromen over roem en betoverende vrouwen, dat
was allemaal heel aardig, maar dan kon je wel teleurstellingen verwachten.
Het was beter een realist te zijn, te weten wat je kon bereiken, maar
vooral ook wat je niet kon bereiken. Door zijn zinnen op de onbereikbare
Astrid te zetten had hij, verweet hij zichzelf, kostbare tijd verloren.
Toen zijn stad in zicht kwam, had hij alweer
enige moed gevat: als hij in het vervolg niet zo onverstandig was zijn
mogelijkheden te overschatten, zijn doelen te hoog te stellen, dan zou
de vervulling van zijn verlangens ophanden zijn, dan zou hij slagen,
zowel in maatschappelijk opzicht als in de liefde. Hij wist zelfs al
op wie hij na vandaag verliefd kon worden: een blond meisje dat samen
met hem het werkcollege staatsrecht volgde - ze was niet knap, maar
haar boezem bolde zó vervaarlijk in haar bloes op, dat de knoopjes
eraf dreigden te springen, en ze had meermalen naar hem geglimlacht.
Bij haar zou hij zeker kansrijk zijn - en alleen al dit besef maakte
dat hij onmiddellijk tedere gevoelens voor haar begon te ontwikkelen.
Het was zes uur. Hoewel hij inmiddels over
de ergste teleurstelling heen was, had hij geen zin zijn aan tafel verzamelde
huisgenoten onder ogen te komen, en hij at in de mensa, zwijgend in
het geroezemoes. Thuisgekomen liep hij meteen door naar zijn kamer.
Kalm verscheurde hij zijn vier bladzijden tellend essay. Hij pakte zijn
studieboeken en begon aantekeningen te maken voor een referaat dat hij
binnenkort moest houden. Om elf uur knipte hij de bureaulamp uit. Hij
wilde zich juist uitkleden en in berusting gaan slapen, toen er op de
deur geklopt werd.
Hij deed open.
In het schemerdonker van de overloop stond
Astrid.
|
|