| |
|
| |
|
Sus van Elzen -De beschaving van Al Andalus
Om het dorpsschooltje te bereiken moest je door een park met hoge kastanjebomen lopen. In september lieten die bomen grote blaren en kastanjes in dikke prikkelbolsters vallen. Het was mooi weer in dat park, de zon scheen en de bomen boden schaduw. Daar, in de eerste dagen van mijn schoolleven rondstappen tussen de droge blaren, met kleine voeten op kastanjes trappen, was een moment van vrede waar ik soms nog aan terugdenk. Heimwee.
Over de speelplaats van de dorpsschool lag nogal wat arduin verspreid:
dorpels, boorden, putdeksels. Blauwe hardsteen in de bouw. Zo was het
normaal dat, als wij tikkertje speelden - katteke in ’t Vlaams
-, we vaak de variant ‘tikkertje op de blauwe steen’ deden. Wie door
de tikker ingehaald werd kon dan op een blauwe steen asiel zoeken. Wie
op arduin stond was onschendbaar en kon niet meer aangetikt worden.
Alhoewel ze nu veelbetekenend uit mijn geheugen zijn geweerd, zullen
er ook toen in onze dorpsschool kinderen geweest zijn die niet mochten
meespelen. Kinderen die, overigens wel met rust gelaten door de anderen,
bij elkaar stonden en hingen, bezig met hun eigen zaken, in hun eigen
hoek op de speelplaats. Zolang er niemand echt en onmiskenbaar gefolterd
werd bemoeiden de onderwijzers - de meesters - zich daar niet mee.
Die uitgesloten kinderen werd, materieel gezien, ook niets ontzegd.
School en onderwijs werkten voor hen zoals voor de andere kinderen,
hun plaats op de speelplaats, op de trappen en bij de kachel in de winter,
werd niet betwist. Zij mochten alleen niet meespelen, ze werden niet
opgenomen in de cultuur van het schooltje. Aan wie dat lag? Het leek
toen niet belangrijk.
Toen op zeven juli 2005 in Londen bommen ontploften in de metro en op de bus en zoveel mensen dood of verminkt neermaaiden, moest ik weer aan het schooltje denken. Die bomaanslagen waren niet alleen misdaden, grove en fatale overtredingen van de krijtlijnen die wij op onze schooltjes ingetekend hadden gekregen, zij waren ook een schril signaal dat er iets goed fout zat op onze grote speelplaats. In onze grote stad.
Natuurlijk werd er door politie, politici en journalisten onmiddellijk gedacht aan Al Qaeda, de aanslagen droegen daar als het ware het logo van, alhoewel politicologen er onder elkaar nog niet uit waren of Al Qaeda als alomtegenwoordig, gecentraliseerd netwerk, geleid door een duivels brein, wel echt bestond. Dat gaf ook niet want het sprak vanzelf dat Al Qaeda bestond. Was het niet in die vorm, dan wel in een andere. In de vorm van kleine, spontaan gegroeide groepjes bijvoorbeeld, cellen die alleen op virtuele wijze aan elkaar klitten en een soort modern ectoplasma vormden, angstaanjagend, onbestaand en dodelijk. Of als maffia zwijgend semtex financierend met witgewassen geld van drugtransacties. De soms rudimentaire maar vaak ook gesofistikeerde netwerken die de politie in kaart bracht, bestonden zeker. De bommen waren immers echt ontploft en de 52 doden echt dood.
Maar tegelijk richtten vragende blikken zich onwillekeurig op de getto’s
en inner cities van Engeland waar behoorlijk grote, behoorlijk
hechte gemeen-schappen van ex-immigranten uit het oude Britse Rijk leven.
Uit India en Pakistan en Ghurka’s uit Nepal, maar ook uit de Arabische
wereld en de West Indies, uit Zwart Afrika maar ook uit de
Maghreb, uit Algerije en Afghanistan. In hun getto’s waren zij als verstrooid
neergepoot door de ietwat ontredderde metropool van het uit elkaar vallende
rijk, niet volgens plan maar naar de luimen van woning- en arbeidsmarkt,
om vervolgens in de mate van het mogelijke te worden vergeten. Zij hebben
daar, in het hart van de metropool, hun kleine samenlevingen gevormd.
Niet allemaal, maar de meesten van hen, zijn moslims. Niet al die moslims,
maar een in het oog lopende, misschien kleine minderheid onder hen,
is zich al jaren aan het radicaliseren.
Het is niet in Saoedi Arabië dat in januari 1989 The Satanic
Verses, de nieuwe roman van Salman Rushdie, op de markt verbrand
werd, maar in Bradford, een oude textielstad op enkele kilometers van
Leeds. Die boek-verbranding, zo symbolisch in het hart van het land
van de vrije drukpers, was het werk van een menigte verhitte moslims
onder leiding van hun imams. Het was een heel duidelijk cultureel signaal
en het deed links en rechts heel wat stof opwaaien. Maar bij alle reacties
die het losmaakte ontbrak de duidelijke boodschap aan de boze gelovigen
dat dit, het verbranden van boeken, ontaarde kunst en vrijdenkers, in
West-Europa al een tijd niet meer gedaan wordt. Omdat daar voor Europeanen
kwalijke herinneringen aan vastzitten. Eigenlijk leek het er bijna op
dat boek-verbranding, wat ons betrof, alhoewel een wat aftands gebruik,
voor die vreemde gemeenschappen in de binnensteden misschien een best
onschadelijke en voor de buitenstaander pittoreske bezigheid kon zijn.
Had die flamboyante Indo-Pakistaanse Brit Rushdie het er al bij al niet
naar gemaakt door bijna even onvoorzichtig te schrijven over de islam
als Europeanen al een tijdje over het christendom doen? Daarna kwam
als vanzelf de Fatwa uit Iran die moslims opriep om de schrijver te
vermoo-rden, en van dan af, vonden wij, was Salman Rushdie toch niet
meer te redden.
Achteraf gezien was dat een gemiste kans om een uitgesloten gemeenschap
alsnog met zachte maar ferme hand in de omliggende cultuur binnen te
leiden.
Hoe dan ook, het was logisch om, na bomaanslagen van het ‘Al Qaeda’-type,
hun kant uit te kijken.
Wat mij aan het schooltje deed denken was de klacht van een oudere imam nadat bevestigd was wat men al vermoedde. De bommengooiers kwamen uit de moslimgemeenschappen van de Britse getto’s, het ging zelfs om geboren en getogen Britten. Zelfs een normale imam in een moskee, zei hij, vindt geen gehoor meer bij deze jeugd die een heel andere taal spreekt en naar de oude niet meer luistert. Er was een cultureel verschil gegroeid, zo sterk dat met die geradicaliseerde jongeren niet meer te praten viel. Een cultureel verschil zoals dat ontstaat op de speelplaats onder kinderen die niet mogen meespelen, die niet opgenomen worden in de cultuur van de school en die zich dan maar met hun eigen dingen bezig houden.
Ogenschijnlijk gaat dit over Brixton en Bradford, maar in feite natuurlijk
net zo goed over Borgerhout, Clichy en Molenbeek. Op al deze en dergelijke
plaatsen zitten islamitische gemeenschappen in verouderde industriegebieden
van leegstaande fabrieken. Zij hebben er hun eigen ding ontwikkeld omdat
ze dat het beste kenden en omdat ze toch niet uitgenodigd werden om
deel te nemen aan de omwonende samenleving. Hun kinderen groeien op
in een omgeving die uiteindelijk alleen nestwarmte biedt. De cultuur
van het oude land is meestal in het land van herkomst gebleven en met
de cultuur van het nieuwe land kunnen ze niet meedoen. In theorie mogen
ze dat wel maar in de praktijk zouden ze daarvoor méér
dan gemiddeld hun best moeten doen. Zeker worden ze er niet voor uitgenodigd
op de aanhoudende, dwingende manier die nodig is om hen tot die grote
inspanning te overhalen. In hun ogen hébben zij immers al een
cultuur. Een andere, een betere.
In werkelijkheid hebben ze niets en zijn ze aan hun lot overgelaten
in een meedogenloze samenleving. Uit kortzichtigheid gunnen ze zich
niet de middelen om zich binnen die samenleving te verweren of om uit
hun getto te ontsnappen: onderwijs, opleiding die naar werk kan leiden.
In plaats daarvan kijken ze naar voetbal op tv en als er geen voetbal
is naar Al Jazeera en ze zien de wereld in twee kampen verdeeld, het
meedogenloze en het verliezende. En het verliezende, altijd vertrapte
kamp, dat sinds Saladijn geen veldslag meer gewonnen heeft, dat is het
islamitische kamp, dat zijn zij. Zelfs communist kunnen ze niet meer
worden want communisten zijn ongelovige honden, atheïsten, en bovendien
nu eveneens verliezers. Het enige wat dan rest is de islam, het laatste
bastion van eigen cultuur. Islam is in de mode.
Als na jaren de uitzichtloosheid te duidelijk geworden is om ze nog
te kunnen negeren, dan is de weg naar de moskee de meest vanzelfsprekende.
Daar wachten in bepaalde moskeeën radicale imams en stokebranden
die de oorlog voor het ware geloof prediken, de sharia zoals die in
de tijd van de Profeet Mohammed gold - misschien want wie kan zoiets
controleren? - en revolte tegen de alomtegenwoordige goddeloosheid.
Islam is een geloof met, voor de gewone gelovigen, een paar heel eenvoudige
leerstellingen maar met daarnaast een hoop verbodsbepalingen omtrent
varkensvlees, alcohol, vrouwen en nog veel andere dingen. Het geloof,
weet de gewone moslim in Istanboel en in Damascus, is voor één
leven al meer dan genoeg, die verbodsregeltjes zijn voor professionelen
en màken de islam niet. Maar zo redeneert zo’n radicale jonge
imam in Bradford niet. Iederéén kan wel zeggen dat hij
in God gelooft.
Het verlangen naar religieuze zuiverheid in een corrupte samenleving
vloeit samen met het oude, vaag geworden heimwee van hun ouders naar
het oude land dat voor hen niet meer bestaat, waarvan ze de taal niet
meer spreken, waarvan ze de gebruiken alleen nog kennen van horen zeggen
en dat ze alleen in de vakantie bezocht hebben.
Zo ontstaat de onmogelijkheid tot revolutie binnen de eigen wereld.
Wat zouden ze kunnen veranderen? In de eigen wereld niets, buiten het
kleine kringetje van de wijk is die alleen virtueel. In de Europese
buitenwereld nog minder, daarvan zijn ze afgesneden op tal van manieren.
Dat hield mij lang bezig: het verschil. Europese terroristen in de jaren
zeventig, de Italiaanse Rode Brigades, de Duitse Rote Armee Fraktion,
waren niet vies van een bom maar meestal probeerden ze er niet zelf
mee te ontploffen. Waarom zij niet en deze moslims wel? Beiden grijpen
immers naar geweld omdat ze hun samenleving politiek niet mee krijgen.
Het verschil is uiteindelijk dat Andreas Baader en zijn gelijken hoopten
een revolutie tot stand te brengen binnen hun eigen gemeenschap, zij
het dan dat zij het met verkeerde middelen probeerden. Hun slimmere
kameraden zagen het debacle onder ogen en besloten tot hun “lange mars
doorheen de instellingen”. Mao Zedong klonk er nog doorheen maar dat
was al een begin van ironie: zij gingen traag hun samenleving veranderen
en onderwijl veranderden ze zelf. En werden Joschka Fischer.
Onze gedeprimeerde moslims kunnen echter niet hopen om in Europa een
revolutie te ontketenen, Al Andalus is voorbij. Er is voor hen geen
tocht doorheen instellingen, waar ze trouwens geen toegang toe hebben,
die hen zou kunnen veranderen. Zij hebben zichzelf vastgezet.
Het enige wat hen dan rest is de botsing tussen beschavingen. Armageddon,
omdat het kleine conflict niet realistisch is. Dan kunnen de kinderen,
inmiddels twintig jaar geworden, op het internet gaan zoeken naar een
leider die hen het gebruik van dynamiet uitlegt.
In principe zou hun samenleving hen daartegen in bescherming moeten
nemen.
Maar hoe zou ze dat doen en wie zou dat doen? Niet hun vader. De ouderlijke
autoriteit is al lang geïmplodeerd door de manifeste onmacht van
de oudjes om in de nieuwe samenleving iets te bereiken. Zouden ze anders
in het getto leven waar ze creperen van heimwee naar het oude land,
waar ze nooit naar terug zullen keren? De klassieke imam heeft niets
meer te zeggen aan de jongeren die al lang een andere taal spreken.
De samenleving van de getto’s kan niet eens zichzelf beschermen. En
door de zorgelijke toestand van de samenleving in veel islamitische
landen geldt dat ook voor een groot deel van de islamitische wereld.
In 1998 kwam een Pakistaanse advocate uit Lahore, dr. Asma Jahangir,
in Brussel de Koning Boudewijnprijs in ontvangst nemen voor haar werk
in de ‘Commissie voor Mensenrechten van Pakistan’. In haar
toespraak deed zij een merkwaardige oproep om hulp bij de verlichte
Europeanen. Het was nodig en dringend, zei dr. Jahangir, om de gewone
moslims te beschermen tegen de oprukkende fundamentalisten en fanatici.
En het is zeker dat de rijke en machtige Europeanen heel wat moslims
tegen zichzelf zouden kunnen beschermen door hun deuren niet alleen
formeel maar ook écht te openen en ze binnen te leiden in de
Europese cultuur en niet alleen in de economie. In zekere zin zal het
daar al te laat voor zijn.
Toch zouden de moslims zelf iets kunnen doen om te beletten dat hun
kinderen met bommen naar de markt gaan. Volstaat het dat ze in hun tot
moskeetjes omgebouwde groentewinkels en garages samen blijven zitten
klagen over hun machteloosheid en over het feit dat er met de jeugd
van tegenwoordig niet meer te praten valt?
Kunnen zij met hun jeugd niet praten omdat zij zelf zo weinig te zeggen
hebben?
Waarom brengen zij zelf de energie niet op om hun eigen bedaarde islam
te beschermen tegen de giftige preken van pas uit Saoedi Arabië
ingevoerde imams die de Jihad komen propageren? Of om hun would-be bommenleggers
en zelfmoordterroristen bij de politie aan te geven?
Dat laatste kunnen ze natuurlijk niet omdat het hun eigen jongens zijn,
die het eigenlijk zo goed menen, en omdat je die niet verraadt bij de
politie van de andere kant. Want je bent zelf indertijd naar de verlichting
en het land van overvloed gekomen en je weet nog hoe groot en hoe grof
de teleurstelling was. De teleurstelling die je nu in de gang van je
kinderen ziet. Daarenboven is de sociale druk zo groot in die hechte
kleine samenleving. En is Europa nog steeds de andere kant die je wel
uitgenodigd heeft in zijn fabrieken, maar niet in zijn cultuur.
En dan denk je, nee. Je blijft niet je hele leven op het dorpsschooltje zitten. Excuses van verdrukt zijn en van zielenpoten gelden niet meer als macho klootzakken het pesten van hun zusters niet meer voldoende achten en met een bom de martelaar gaan uithangen bij ons op de bus. Andere mensen zijn ook ongelukkig maar beginnen daarom niet de tram uit te moorden. In de echte wereld moeten de moslims hun eigen zaken leren beredderen, er zijn elders aanwijzingen genoeg dat ze daar perfect toe in staat zijn. Treinen opblazen zoals in Madrid met moeilijke springstoffen en gsm’s, dat is een ingewikkelde operatie. Wie dat kan moet ook zijn verantwoordelijkheid kunnen opnemen, de eigen moskee zuiveren van moordenaars en oorlogsstokers en de would-be martelaars aangeven bij de politie voor ze brokken maken. Geloven dat ze dat niet kunnen is deze moslims niet voor vol aannemen. Dat is een typisch paternalistische, koloniaal imperialistische houding. Saladijn was zelf ook geen kinderjuffrouw.
Natuurlijk zit het gif in de koranscholen, de madrasa’s en de moskeeën,
waar radicale sheikhs hun goegemeente tiranniseren met hun nauwe interpretatie
van het geloof. Zij willen de moslims in Europa - de ongelovigen verliezen
niets met even hun beurt af te wachten - het soort van religieuze dwangbuis
aanmeten waar de leken hier eeuwen tegen gevochten hebben. “We gaan
de imams niet laten doen wat we de pastoors altijd hebben trachten te
verbieden,” in de woorden van een bekend Vlaams burgemeester.
Natuurlijk is het aan het islamitische volkje zelf om daar iets aan
te doen. Intussen zijn de verlichte Europeanen eigenlijk goed geplaatst
om te weten dat zoiets maar zelden lukt en dat in de meeste gevallen
het volkje hulp behoeft van buiten. Ze kunnen dus beter zelf het heft
in handen nemen. Tegenover de imams uit Jemen en Arabië die vrij
spel hebben in de getto’s kunnen de Europeanen eigenlijk alleen maar
hun Voltaires stellen, of wat dan ook dat voor gedeprimeerde jonge moslims
het leven aantrekkelijker kan maken dan de glorie van een snelle, spectaculaire
dood. Of heeft Europa zoiets niet meer te bieden?
Het zal niet gemakkelijk zijn en nadenken doet pijn tussen de oren,
dat is bekend, maar het is slechts het begin. Want wat tekent zich af
aan de horizon?
Eind september 2005 was er aan de overkant van de Middellandse Zee de
rare belegering van de Spaanse enclaves Ceuta en Melilla in Marokko,
groepen van wel vijfhonderd kandidaat-immigranten die stormenderhand
over de grenshekken trachtten te komen terwijl Marokkaanse en Spaanse
troepen ze, soms met automatische geweren, trachtten buiten te houden.
Zeker elf doden, talloze gewonden, honderden weggestoken in kampen of
weggevoerd naar de woestijn, naar de Algerijnse grens of waar dan ook
de Marokkaanse politie ze kwijt wilde.
Allicht was deze overval georganiseerd en het is hier niet eens interessant
te weten door wie. Interessant is het beeld van de voorhoede van het
migrantenleger uit Afrika die de laatste Spaanse bruggenhoofden onder
de voet loopt, in afwachting van de oversteek van de Straat van Gibraltar.
Natuurlijk zal de Europese Unie een weldoordachte immigratie- en asielpolitiek uitwerken voor de legioenen van immigranten die ze nodig heeft, en zich niet zomaar laten overvallen door legers van duizenden Afrikaanse hongerlijders. Natuurlijk niet. Maar in afwachting daarvan zal het uitkijken zijn hoe de Europese Unie daar dan tegen in het geweer zal komen. Oorlogsbodems? Die liggen er vaak al. Zullen die met hun kanonnen op de migranten schieten? Zullen ze hun schepen tot zinken brengen? Men kan er zich allerlei details bij voorstellen.
Intussen zou iedereen die in Ceuta of Melilla Spaanse bodem raakt,
of waar dan ook in de Europese Unie een voet aan de grond zet, volgens
het nationaal en internationaal recht onaanraakbaar moeten zijn en recht
hebben op de asielprocedure.
Zoals wij vroeger bij het tikkertje spelen als we op de blauwe steen
kwamen.
| © Sus van Elzen | |
| |
|
Een abonnement op de papieren versie van De Brakke hond kost slechts 32 euro. Klik hier voor een abonnement.
Nummer nabestellen? klik hier.
De Brakke Hond is geen tijdschrift voor hondenliefhebbers die zich interesseren voor hondenvoeding, hondenverzorging, puppies en hondenvakanties, het bevat 100% literatuur.
Schrijf u in op onze nieuwsbrief "Letters". Vul hier uw e-mailadres in: